Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.4
3.4 Beperkte rechten op eigen roerende zaken en Rechten
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491114:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Jauernig/Berger BGB 2021, §1068, Rn. 2, §1273, Rn. 2; MüKoBGB/Damrau BGB 2020, §1273, Rn. 2-3; Staudinger/Wiegand BGB 2019, §1273, Rn. 2-5; Staudinger/Heinze BGB 2017, §1068, Rn. 2-5; MüKoBGB/Pohlmann BGB 2020, §1068, Rn. 5-11. Het recht van eigendom en rechten die met eigendom worden gelijkgesteld (zoals het Erbbaurecht, §11 Abs. 1 ErbbauRG), zijn geen Rechten. Een Pfandrecht dat rust op een Nießbrauch is bijvoorbeeld een beperkt recht op een Recht. Op een Grundschuld kan ook een Pfandrecht of Nießbrauch worden gevestigd (§1080 en 1291 BGB).
Protokolle, p. 4106, Mugdan III, p. 764; Jauernig/Berger BGB 2021, §1063, Rn. 2; MüKoBGB/Pohlmann BGB 2020, §1063, Rn. 3; MüKoBGB/Damrau BGB 2020, §1256, Rn. 4-5; Staudinger/Wiegand BGB 2019, §1256, Rn. 6; Palandt/Herrler 2020, §1063 BGB; Palandt/Wicke 2020, §1256 BGB; Staudinger/Heinze BGB 2017, §1063, Rn. 2-3.
MüKoBGB/Pohlmann BGB 2020, §1063, Rn. 3; Staudinger/Heinze BGB 2017, §1063, Rn. 1; Wolff-Raiser 1957, p. 479 (vgl. p. 707). Vgl. Motive III, p. 842, Mugdan III, p. 470.
MüKoBGB/Pohlmann BGB 2020, §1063, Rn. 3.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 309, 311 (vgl. p. 840); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/17, 20. Vgl. Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/639. Zie daarover §9.4.
Ten tijde van de uitspraak §560 BGB. Het artikel is vernummerd bij de Gesetz zur Neugliederung, Vereinfachung und Reform des Mietrechts (Mietrechtsreformgesetz) van 19 juni 2001 (Bundesgesetzblatt 2011, Teil I, Nr. 28).
Zie voor de verschillende opvattingen in de literatuur: Jauernig/Berger BGB 2021, §1256, Rn. 2; MüKoBGB/Pohlmann BGB 2020, §1063, Rn. 4; MüKoBGB/Damrau BGB 2020, §1256, Rn. 4-5; Staudinger/Wiegand BGB 2019, §1256, Rn. 7; Schellen 1985, p. 288-290, 301-302.
Schön 1992, p. 225; Reiff 1989, p. 70-71.
Jauernig/Berger BGB 2021, §1059, Rn. 1; MüKoBGB/Pohlmann BGB 2020, §1059, Rn. 5; Staudinger/Heinze BGB 2017, §1059, Rn. 2.
MüKoBGB/Pohlmann BGB 2020, §1030, Rn. 79, 86, §1069, Rn. 4; Staudinger/Heinze BGB 2017, §1030, Rn. 36, §1069, Rn. 6; Schön 1992, p. 225-226.
MüKoBGB/Damrau BGB 2020, §1204, Rn. 13; Staudinger/Wiegand BGB 2019, §1204, Rn. 46. Vgl. Jauernig/Berger BGB 2021, §1256 Rn. 1.
33. De regeling in het Duitse recht voor beperkte rechten op eigen roerende zaken en Rechten, wijkt sterk af van wat geldt voor beperkte rechten die rusten op eigen onroerende zaken. Rechten zijn alle overdraagbare rechten, zoals vorderingen en beperkte rechten.1 Beperkte rechten op eigen roerende zaken en Rechten, gaan in beginsel wel door vermenging teniet.
Er kunnen twee soorten beperkte rechten rusten op roerende zaken en Rechten: het Pfandrecht (pandrecht, §1204 BGB) en het Nießbrauch (vruchtgebruik, §1030 BGB). Voor die beperkte rechten gelden bijna gelijkluidende bepalingen:
“§1063 BGB Zusammentreffen mit dem Eigentum
(1) Der Nießbrauch an einer beweglichen Sache erlischt, wenn er mit dem Eigentum in derselben Person zusammentrifft.
(2) Der Nießbrauch gilt als nicht erloschen, soweit der Eigentümer ein rechtliches Interesse an dem Fortbestehen des Nießbrauchs hat.”
“§1256 BGB Zusammentreffen von Pfandrecht und Eigentum
(1) Das Pfandrecht erlischt, wenn es mit dem Eigentum in derselben Person zusammentrifft. Das Erlöschen tritt nicht ein, solange die Forderung, für welche das Pfandrecht besteht, mit dem Recht eines Dritten belastet ist.
(2) Das Pfandrecht gilt als nicht erloschen, soweit der Eigentümer ein rechtliches Interesse an dem Fortbestehen des Pfandrechts hat.”s
Beide bepalingen zijn volgens §1068 Abs. 2 en 1273 Abs. 2 BGB van overeenkomstige toepassing op beperkte rechten die rusten op Rechten.
Het Pfandrecht en het Nießbrauch gaan beide door vermenging teniet als beperkt recht en moederrecht in één hand komen. Zij ‘gilten’ (gelden) echter als niet-tenietgegaan voor zover de eigenaar een ‘rechtliches Interesse’ (rechtsbelang) heeft bij het beperkte recht. Het bestaan van een ander beperkt recht met een lagere of gelijke rang op de zaak, wordt als zo’n rechtsbelang aangemerkt.2 Het belang van de eigenaar is in dat geval erin gelegen dat de hogere of gelijke rang van het beperkte recht behouden blijft. Zou de eigenaar het recht opnieuw moeten vestigen (ten gunste van een derde), dan zou het rang nemen ná de andere beperkte rechten die op het goed rusten. §1063 en 1256 BGB zijn vergelijkbaar met de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW. De bepalingen zorgen er kort gezegd voor, dat beperkte rechten met een lagere of gelijke rang niet naar boven opschuiven als gevolg van het tenietgaan door vermenging van een hoger gerangschikt beperkt recht.
In de literatuur aarzelt men erover of een ‘rechtliches Interesse’ aanwezig is, als de eigenaar het beperkte recht en het eigendomsrecht voor korte tijd in één hand wil houden.3 Het Münchener Kommentar is bovendien kritisch over het ‘rechtliches Interesse’-criterium, omdat het onduidelijk kan zijn of in een bepaalde situatie een rechtsbelang aanwezig is.4
Ten aanzien van het Pfandrecht geldt daarnaast een regeling voor het geval de vordering waarvoor het Pfandrecht is gevestigd, is belast met een recht van een derde (§1256 Abs. 1 Satz 2 BGB): het pandrecht gaat in die situatie niet teniet. Bijvoorbeeld als de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd, op haar beurt is verpand. In het Nederlandse recht wordt in die situatie de eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW analoog toegepast. De vermenging werkt niet ten nadele van hen die een beperkt recht hebben op de gezekerde vordering.5
34. Hoe moet het als niet-tenietgegaan ‘gilten’ van een beperkt recht worden begrepen? Volgens het Bundesgerichtshof is sprake van een fictie. Het beperkte recht blijft fictief voortbestaan voor zover het belang van de eigenaar reikt.6 Derden kunnen geen beroep doen op het voortbestaan van het pandrecht. Niet relevant is, dat ook derden een belang zouden kunnen hebben bij het beperkte recht. In de zaak waarover het Bundesgerichtshof moest oordelen, huurt een zekere K een opslagterrein. Hij heeft een huurachterstand. De verhuurder heeft een wettelijk pandrecht tot zekerheid van de betaling van de huur, op bepaalde goederen van de huurder (Vermieterpfandrecht, §562 BGB).7 De verhuurder draagt zijn huurvorderingen over aan een andere schuldeiser van de huurder, die goederen in zekerheidseigendom overgedragen heeft gekregen waarop het Vermieterpfandrecht rust. Het Vermieterpfandrecht gaat als afhankelijk recht mee over op die andere schuldeiser (§1250 BGB). Het Vermieterfpandrecht gaat als gevolg daarvan in beginsel door vermenging teniet, omdat die schuldeiser zowel (zekerheids)eigenaar als pandhouder van de goederen is. Een derde schuldeiser, die beslag heeft gelegd, heeft echter belang bij het voortbestaan van het Vermieterpfandrecht. Kan die derde schuldeiser een beroep doen op het als niet-tenietgegaan ‘gelden’ van het pandrecht op grond van §1256 Abs. 2 BGB? Het Bundesgerichtshof meent van niet:
“Aber auch an den Gegenständen, die in dem Sicherungsübereignungsvertrage aufgeführt sind, ist das Vermieterpfandrecht erloschen. Es ist gemäß §1256 BGB durch Vereinigung mit dem Eigentum untergegangen. Daß der Kläger nur Sicherungseigentümer ist, hat in diesem Zusammenhang keine Bedeutung, da ihm nach außen hin alle Rechte des Eigentümers zukommen. Es ist zwar nicht zu verkennen, daß er ein Interesse daran haben kann, auf das Vermieterpfandrecht zurückzugreifen, wenn das Sicherungsgut zur Tilgung der Darlehnsschuld der Mieterin nicht in vollem Umfange benötigt wird, der mit der Klage begehrte Erlös aber zur Deckung der Mietforderung nicht ausreicht. Die Voraussetzungen des §1256 Abs. 2 BGB können daher im Einzelfalle gegeben sein. Allein auch dieser Umstand rechtfertigt nicht das Ergebnis, daß das Vermieterpfandrecht erhalten geblieben ist. Denn die Anwendung von §1256 Abs. 2 BGB führt nur zu einer Fiktion des Fortbestehens des Pfandrechts, soweit das Eigentümerinteresse reicht. Einem Dritten ist es dagegen verwehrt, sich auf den Fortbestand des Vermieterpfandrechtes zu berufen (…).”8
De Duitse literatuur is verdeeld over deze kwestie.9 De heersende leer sluit zich aan bij de opvatting van het Bundesgerichtshof, die inhoudt dat het beperkte recht alleen fictief blijft voortbestaan ten behoeve van de eigenaar. De rechten blijven volgens andere auteurs als volwaardige rechten voortbestaan zolang een ‘rechtliches Interesse’ aanwezig is.10 De argumenten voor de beide opvattingen zijn helaas erg summier.
35. Het BGB kent geen equivalent van de eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW. Volgens dat voorschrift werkt vermenging niet ten nadele van hen die op het tenietgaande beperkte recht, op hun beurt een beperkt recht hebben. Dit houdt vermoedelijk ermee verband dat volgens de systematiek van het BGB, op Pfandrecht en Nießbrauch geen beperkte rechten gevestigd kunnen worden. Bij het Pfandrecht volgt dit uit het afhankelijke karakter van dat recht (§1250 Abs. 1 en 1274 Abs. 2 BGB). Een Nießbrauch is onoverdraagbaar (§1059 BGB). Daarom kunnen in beginsel op een Nießbrauch ook geen beperkte rechten gevestigd worden (§1069 Abs. 2 en 1274 Abs. 2 BGB).11 Volgens de rechtspraak en de heersende opvatting in de literatuur, kan een Nießbrauch desalniettemin wel verpand worden.12 Het is niet duidelijk wat het lot is van een Pfandrecht dat rust op een Nießbrauch, als eigendom en Nießbrauch in één hand komen.
36. In de Duitse literatuur bestaat discussie over de vraag of een eigenaar ten gunste van zichzelf een Nießbrauch kan vestigen op zijn eigen zaak. Volgens de heersende leer is vestiging alleen mogelijk, als tegelijkertijd op de bezwaarde zaak ten gunste van iemand anders een ander beperkt recht met een lagere of gelijke rang wordt gevestigd. Alleen dan heeft de eigenaar belang bij het vruchtgebruik. Probleem bij de vestiging van een vruchtgebruik in andere gevallen, is het gebrek aan publiciteit: het vruchtgebruik zou totstandkomen door de enkele wil van de eigenaar. Daarom is vestiging in die gevallen niet mogelijk.13
Volgens de heersende opvatting in de Duitse literatuur, kan een eigenaar geen Pfandrecht vestigen op zijn zaak ten gunste van zichzelf. De praktijk heeft volgens de literatuur geen behoefte daaraan. Volgens de minderheidsopvatting is vestiging wel mogelijk als daarbij een ‘rechtliches Interesse’ bestaat.14