Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/4.4.2.2
4.4.2.2 Recente jurisprudentie
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS620968:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
BGH, 11 juli 1962, BGHZ 37, 353.
BGH, 2 december 2005, V ZR 35/05.
Dit artikel bepaalt: `Ist der Erwerber im Besitz der Sache, so genligt die Einigung liber den Ubergang des Eigentums.'.
In de literatuur was omstreden of een dergelijke omzetting van een 'wezenlijk bestanddeel' naar een schijnbestanddeel op basis van enkele wilsovereenstemming zou kunnen gebeuren. De meeste schrijvers zijn van mening dat dit alleen kan plaatsvinden door een van feitelijke (af)scheiding met de grond, zie bijvoorbeeld Giesen 2002, p. 689, 719 f of Jickeli en Stieper 2004, par. 95 Rn. 15.
Zie bijvoorbeeld BGHZ 23, 57, 60 of BGH 5 mei 1971, VIII ZR 167/69, WM 1971, 822, 824.
BGHZ 23, 57, 60 en Urt. 31 oktober 1986, V ZR 168/85, NJW 1987, 774.
Het Bundesgerichthof heeft de rechtspraak van het Reichsgericht voortgezet in een uitspraak uit 1962, de Ruhrschnellwegentscheidung1 als ook in een meer recente uitspraak uit 20052 In deze laatste zaak had de gemeente in eigen grond een waterleiding aangelegd. Na enige tijd werd het beheer en de exploitatie van de waterleiding overgedragen aan een waterleidingsbedrijf. Het geschil ging over de vraag of de waterleiding nog als 'wezenlijk bestanddeel' van de grond moest worden beschouwd en derhalve dat de overgang van de eigendom van de leiding door de gemeente aan het waterleidingbedrijf (nog) niet had plaatsgevonden. Het Bundesgerichtshof oordeelde dat de waterleiding — die bij aanleg als een 'wezenlijk bestanddeel' van de grond moest worden beschouwd — naderhand door een, simpele (!), wilsovereenstemming van partijen tot een zelfstandige zaak (schijnbestanddeel) kan worden omgezet:
`Auch hier erfolgt die sachenrechtliche Umwandlung von einem ehemals wesentlichen Bestandteil zu einer selbstándigen Sache durch eine Ubereignung entsprechend § 929 Satz 2 BGB,3 ohne dass es dazu einer Trennung der Leitung vom StraBengrundsffick bedarf.'
Voor wijziging van de zakenrechtelijke status van het waterleidingnet alsmede voor de eigendomsoverdracht is niet noodzakelijk dat de waterleiding ook feitelijk gescheiden moet worden van de grond waarin het gelegen is. De wilsovereenstemming om het naar een (in juridische zin) zelfstandige en roerende zaak om te zetten is hiervoor dus voldoende.4 De onderbouwing voor deze uitspraak volgt uit eerdere uitspraken5 waarin is geoordeeld dat een schijnbestanddeel omgezet kan worden naar een 'wezenlijk bestanddeel' van de grond wanneer de eigenaar van het schijnbestanddeel daarover een naar buiten toe kenbare wilsverklaring heeft afgelegd. De eigendomsoverdracht van een schijnbestanddeel naar de nieuwe (grond)eigenaar kan plaatsvinden door enkele wilsovereenstemming (conform artikel 929, tweede lid BGB), waarmee dus tegelijkertijd niet alleen de eigendom van het bestanddeel wijzigt, maar ook het doel (waarmee het is aangelegd) wijzigt6 en daarmee dus ook de zakenrechtelijke status van de zaak (van schijn- naar 'wezenlijk bestanddeel'). Volgens het Bundesgerichthof moet dit in het omgekeerde geval ook mogelijk zijn. In de onderhavige zaak was naar buiten toe kenbaar en daardoor zakenrechtelijk mogelijk (analoog aan artikel 929, tweede lid BGB) dat bij overdracht van het beheer en de eigendom van de waterleidingsinstallatie (van de gemeente naar het waterleidingsbedrijf) ook de overgang van de eigendom van de leidingen inbegrepen zou zijn; derhalve dat de leidingen door die overdracht een zelfstandige (roerende) status zouden krijgen (als schijnbestanddeel). Feitelijke scheiding van de leidingen met de grond was evenwel niet noodzakelijk om de overgang van de leidingen te kunnen realiseren en de zakenrechtelijke status van de leidingen te wijallatie staat (= de hoofdzaak), is in beginsel ook eigenaar van de leidingen. Op grond van geldende rechtspraak kan artikel 917 BGB aangewend worden om een noodleiding op/onder een buurperceel te vorderen, dan wel om een al aanwezige noodleiding op het dienende perceel mede te (gaan) gebruiken. Voornoemd artikel houdt niet tevens een zakelijk recht in ten behoeve van de eigendom van de leiding (in het dienende erf). In ieder geval zal de noodleiding als hulpzaak worden aangemerkt en dus niet toekomen aan de eigenaar van het dienende erf. Leidingen worden in het Duitse recht als roerende zaken aangemerkt gelet op hun kwalificatie als Zubehbr in de zin van artikel 97 BGB.