Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.2.1
5.2.1 Van beheersautoriteiten, Comités van Toezicht en 'delegated bodies'
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399597:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo werd in Europese subsidieregelgeving die gold voor de structuurfondsen in de programmaperiode 1994-1999 er wel van uitgegaan dat de lidstaten de bevoegde autoriteiten zouden aanwijzen, maar bestond daartoe vrijwel geen expliciete verplichting. Zie de Verordening nr. 2081/93 en de Cffirdinatieverordening.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.
In uitzonderingsgevallen wordt in de huidige programmaperiode slechts bepaald dat de lidstaat een bevoegd nationaal uitvoeringsorgaan aanwijst. Voorbeelden bieden het Europees Jaar van de armoede 2010 en de Europese subsidieregeling voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties.
Dit zijn organen die met subsidieverstrekking zijn belast in het kader van de structuurfondsen, het ELFPO en het Europees Visserijfonds.
Dit zijn de organen die met subsidieverstrekking zijn belast in het kader van de migratiefondsen.
Certificeringsautoriteiten belast met het verifiëren van uitgavendeclaraties van de beheersautoriteit, voordat deze aan de Europese Commissie worden gezonden.
Organen die verantwoordelijk zijn voor het beheers- en controlesysteem in het kader van de migratie-, structuurfondsen en het Europees Visserijfonds.
Betaalorganen zijn in het kader van het ELGF en het ELFPO belast met de betaling van de landbouwsubsidies.
De nationale agentschappen in het kader van Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie zijn belast met de uitvoering van de gehele programma's in de lidstaat. Zie over nationale agentschappen in het algemeen Craig 2012B, p. 73-75; Schenk 2006, p. 207 e.v. en de Mededeling van de Commissie, beheer van Europese programma's door netwerken van nationale agentschappen, COM (2001) 648 final. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.32.
In het kader van de structuurfondsen voeren bemiddelende instanties taken van de beheers-of certificeringsautoriteiten uit onder behoud van de verantwoordelijkheid van deze autoriteit. Delegated bodies nemen taken over van de betaalorganen die in het kader van ELGF en ELFPO moeten worden aangewezen.
Comités van toezicht zijn publiek-private partnerschappen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de operationele programma's in het kader van de structuurfondsen, het Europees Visserijfonds en het ELFPO.
Plaatselijke of lokale groepen zijn publiek-private partnerschappen die in het kader van de LEADER-as van het ELFPO en prioritair zwaartepunt 4 van het Europees Visserijfonds projecten selecteren die voor Europese subsidie in aanmerking komen.
Zie wat betreft de samenstelling van het Comité van Toezicht in het kader van de structuurfondsen artikel 64 van de Verordening nr. 1083/2006.
Zo geldt voor een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie dat de nationale agentschappen rechtspersoonlijkheid dienen te hebben of deel uit te maken van een instantie die rechtspersoonlijkheid heeft. Nationale ministeries mogen niet als nationale agentschappen worden aangewezen. Zie artikel 6, tweede lid, onder b, onder i, van het Besluit nr. 1720/2006 (Een Leven Lang Leren); zie artikel 8, zesde lid, onder b, onder i, van het Besluit nr. 1719/2006 (Jeugd in Actie).
Dit takenpakket wordt steeds groter. Vergelijk voor het betaalorgaan in het kader van de Europese landbouwsubsidies artikel 4, tweede lid, van de Verordening nr. 1258/99 met artikel 6, eerste lid, van de Verordening nr. 1290/2005.
Ten aanzien van de comités van toezicht is expliciet bepaald dat zij bevoegd zijn reglementen van orde vast te stellen binnen het institutionele, juridische en financiële kader van de betrokken lidstaat.
Zie omtrent dit beginsel hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.
In deze paragraaf bespreek ik de eisen die het Europese recht stelt aan de aanwijzing en oprichting van nationale uitvoeringsorganen die de Europese subsidieregelgeving in de lidstaten moeten gaan uitvoeren. Voorop staat dat de lidstaten op grond van het beginsel van loyale samenwerking zijn gehouden om nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen of op te richten om de Europese subsidieregelgeving uit te voeren, ook als dit in de Europese subsidieregelgeving niet expliciet is voorgeschreven.1 Daarbij geldt het in hoofdstuk 3 besproken beginsel van institutionele autonomie.2
Het komt echter steeds vaker voor dat de Europese subsidieregelgeving expliciet voorschrijft dat de lidstaten nationale uitvoeringsorganen moeten aanwijzen of oprichten. In dat kader worden meer en meer eisen gesteld aan deze nationale uitvoeringsorganen. Zo wordt in de Europese subsidieregelgeving in toenemende mate aangegeven met welke specifieke benaming het desbetreffende nationale uitvoeringsorgaan moet worden geduid.3 Voorbeelden zijn beheersautoriteiten,4 verantwoordelijke instanties,5 certificeringsautoriteiten,6 auditautoriteiten,7 betaalorganen,8 nationale agentschappen,9 bemiddelende instanties/delegated bodies,10 Comités van Toezicht11 en plaatselijke of lokale groepen.12 Voor deze nationale uitvoeringsorganen is voorts bepaald hoe zij moeten worden samengesteld,13 aan welke kenmerken zij moeten voldoen,14 welke taken en bevoegdheden zij moeten uitvoeren15 en in hoeverre zij deze taken en bevoegdheden mogen delegeren.
Voor zover de Europese subsidieregelgeving niet anders bepaalt, is op voormelde organen het nationale recht van toepassing.16 Het beginsel van institutionele autonomie heeft in het kader van de uitvoering van Europese subsidieregelgeving echter nog maar een beperkte betekenis. Het voorgaande neemt overigens niet weg dat het nog vaak voorkomt dat bepalingen uit de Europese subsidieregelgeving tot de lidstaat of de bevoegde (controle)autoriteiten zijn gericht en niet tot een specifiek aan te wijzen nationaal uitvoeringsorgaan. Doorgaans valt uit de regelgeving wel te destilleren welke van de aan te wijzen nationale uitvoeringsorganen de desbetreffende bepaling moet uitvoeren. Zo niet, dan zal de lidstaat op grond van het beginsel van loyale samenwerking17 in verbinding met het beginsel van institutionele autonomie18 moeten beslissen welk nationaal uitvoeringsorgaan bevoegd is. De lidstaat kan in dat geval ook besluiten om een ander nationaal uitvoeringsorgaan dan reeds is aangewezen in te schakelen.