Einde inhoudsopgave
Codes en convenanten (SteR nr. 20) 2014/2.3.4
2.3.4 Gedragscode hoger onderwijs
mr. A.G.D. Overmars, datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- Auteur
mr. A.G.D. Overmars
- JCDI
JCDI:ADS357766:1
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vervallen per 1 juni 2013, met de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid. In het eerste lid van artikel 3.41 Vb 2000 worden niet langer de instellingen voor hoger of wetenschappelijk onderwijs bij ministeriële regeling aangewezen. De opleidingen die in onderdeel b en c van artikel 3.18a stonden vermeld, staan nu in het eerste lid van artikel 3.21. Artikel 3.18a W 2000 is daarmee komen te vervallen.
Een door de minister van OCW erkende onderwijsinstelling werd opname in het register van de Gedragscode geweigerd omdat het aangeboden onderwijs niet daadwerkelijk geaccrediteerd was. Nadat de instelling een ultimatum stelde en met een kort geding dreigde (tegen de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, de toenmalige staatssecretaris van OCW, de IND en de IB-Groep, thans DUO), werd in overleg met de Landsadvocaat een overgangsregeling ontworpen voor het gehele destijds aangewezen onderwijs, inhoudende dat de verblijfsrechtelijke consequenties van de weigering om opgenomen te worden in het register werden opgeheven gedurende de periode tot 1 mei 2007. Hiermee werd het destijds aangewezen onderwijs gedurende één jaar na de inwerkingtreding van de Gedragscode in de gelegenheid gesteld alsnog zorg te dragen voor daadwerkelijke accreditatie van het door hen aan internationale studenten aangeboden onderwijs. Zie: Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 7 augustus 2006, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, en Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 31 juli 2006, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 10 augustus 2006, nr. 154, p. 7 en 12.
Zie voor de actuele (geldig per 1 maart 2013) en voorgaande versies (2006 en 2009) van de tekst van de Gedragscode: http://www.internationalstudy.nl/pagina/gedragscode-en-reglementen.
Met ingang van 1 mei 2006 geldt in Nederland de Gedragscode hoger onderwijs voor onderwijsinstellingen die internationale studenten willen toelaten. In hoofdstuk vier zal ik uitvoerig ingaan op de achtergronden en werking van die code, die mede dient ter implementatie van de Studentenrichtlijn. De gebruikte terminologie ‘bestuurlijke gebruiken’, bijvoorbeeld in de definitiebepaling van onderwijsinstellingen die non-EU studenten mogen toelaten (artikel 2), maakt de toepassing van zelfregulering mogelijk. Zo verwees in Nederland artikel 3.18a W 20001 naar de Gedragscode hoger onderwijs, voor zover het gaat om instellingen die zich kwalificeren voor de toelating van internationale studenten. De code bevat normen en kwaliteitseisen voor de werving en toelating van internationale studenten, het aanbod van onderwijs en de monitoring van de minimaal vereiste studievoortgang.
De Gedragscode is een gevolg van problemen en schrijnende situaties die zich in de jaren daarvoor hadden voorgedaan en is een antwoord op een oproep van de Nederlandse overheid aan de onderwijssector om te komen tot het formuleren van regels en kwaliteitseisen voor de werving van internationale studenten. De oproep ging gepaard met de dreiging met wetgeving, indien de verlangde kwaliteitseisen niet overeengekomen zouden worden. Aldus is de Gedragscode tot stand gekomen om ingrijpen door de overheid te voorkomen, als product van uitputtend overleg tussen de verschillende spelers in het onderwijsveld alsmede tussen het onderwijsveld en de overheid. Naast de koepelorganisaties in het hoger onderwijs en het ministerie van OCW werden de ministeries van Justitie (thans Veiligheid en Justitie), BuZa, LNV (thans Economische Zaken) en SZW, alsmede de Nuffic, de IND, de Inspectie van het Onderwijs en de IB-Groep (thans DUO) in dit overleg betrokken. De overheid was derhalve als één van de relevante actoren nadrukkelijk betrokken bij de totstandkoming van de Gedragscode.
Omdat de Nederlandse overheid het aannemelijk achtte dat de onderwijsinstellingen die de Gedragscode toepassen, zorgvuldig omgaan met internationale studenten, is de ondertekening van de Gedragscode door de onderwijsinstellingen als voorwaarde gesteld voor het kunnen verlenen van verblijfsvergunningen, door de IND, aan niet-EU ingezetenen voor studie op het niveau van hoger onderwijs. Er is sprake van een loketfunctie van de onderwijsinstellingen, zonder dat het beslissingsmandaat overgaat van de IND naar de onderwijsinstellingen. De Gedragscode is door de overheid erkend en vormt een aanvulling op het bestaande wettelijke kader: tot 1 juni 2013 in artikel 3.41 Vreemdelingenbesluit 2000, artikel 3.18a Voorschrift Vreemdelingen 2000 en hoofdstuk B6 Vreemdelingencirculaire 2000; na die datum in artikel 1.13 en 1.20 Vreemdelingenbesluit 2000, artikel 1.8 Voorschrift Vreemdelingen 2000 en hoofdstuk B3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Hypothesen
Gelet op het bovenstaande heb ik ten aanzien van de vijfde en zesde deelvraag de volgende hypothesen geformuleerd:
Alternatieve regelgeving door middel van een gedragscode versterkt de kwaliteitsborging en positionering van de onderwijssector meer dan wettelijke regelgeving.
Alternatieve regelgeving door middel van een gedragscode leidt tot het tegengaan van oneigenlijk gebruik van de studieroute door onderwijsinstellingen.
Het onderwijsveld en de overheid hebben als opstellers van de Gedragscode in gezamenlijk overleg de inhoud ervan bepaald. De code bevat een klachtenregeling voor (met name) internationale studenten, indien zij van oordeel zijn dat er sprake is van schending van de bepalingen door een onderwijsinstelling. Klachtbehandeling geschiedt door een onafhankelijke commissie, die daarnaast ook onderzoek uit eigen beweging kan uitvoeren.
De in het theoretisch kader beschreven voor- en nadelen van gedragscodes gelden ook voor de Gedragscode hoger onderwijs. Als gevolg van de soms tegenstrijdige belangen (soepele maar ook zorgvuldige toelating van internationale studenten), het wantrouwen tussen partijen (overheid en koepelorganisaties, maar ook koepelorganisaties onderling) en de diversiteit van het onderwijsveld (kleine en grote instellingen; commerciële en door de overheid bekostigde instellingen) is de nadere invulling van de Gedragscode een langdurig proces geweest. Daar komt bij dat de koepelorganisaties alleen oog hadden voor de belangen van de eigen achterban, terwijl een groot aantal onderwijsinstellingen zich niet door de koepels wil of kan laten vertegenwoordigen. Mede onder dreiging van een rechtszaak2 is een overgangsregeling tot stand gekomen die tegemoet kwam aan het belang van dat deel van de onderwijssector. Sinds 2006 is de tekst van de Gedragscode reeds tweemaal ingrijpend gewijzigd,3 waarbij de verschillende overheidspartijen niet altijd dezelfde positie als relevante actor en gesprekspartner hebben gekregen als die welke ze bij de totstandkoming van de Gedragscode hadden.