Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.2
5.4.2 Aansluiting bij wettelijke regelingen van toerekening
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497559:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:60-3:79.
Flume (2003 p. 167) schrijft over het Duitse recht, zie daarover ook hoofdstuk 3, par. 3.6.3-3.6.4; zie voor het Nederlandse recht Du Perron 2006, p. 72-73.
Zie par. 5.3.2 en 5.3.4
Vgl. Van Schilfgaarde 1969, p. 146.
Zie echter ook HR 29 januari 2010, NJ 2010/70 en daarover noot 58.
Zie daarover ook hoofdstuk 6, par. 6.5.6.
Vgl. voor de schuld BC art. 6:45, dat bepaalt dat een betaling door middel van (bijvoorbeeld) een waardepapier wordt vermoed onder voorbehoud van een goede afloop te geschieden. Aangenomen wordt dat art. 6:45 ook op creditcards van toepassing is. Zie bijv. Valk 2009 (T&C BW), art. 45 Boek 6, aant. 1. Voor de betaling van B aan C betekent dit dat de schuld BC pas definitief tenietgaat als de creditcardbetaling definitief is afgewikkeld.
In zijn arrest van 11 november 1995, NJ 1957/605 (Van Rooyen/Van den Heuvel) aanvaardde de Hoge Raad voor het oude recht wel dat toerekening in het kader van art. 1395 OBW (vgl. 6:203 BW) kon plaatsvinden als in opdracht en voor rekening van een ander was gehandeld. De Hoge Raad lijkt echter te hebben geoordeeld dat degene die feitelijk handelt, er tussenuit valt. Zie over dit arrest ook par. 6.4.3.4.
Zie punten a, b en c van (i) toerekening op grond van volmacht in deze paragraaf (5.4.2).
De bepalingen over lastgeving zijn volgens art. 7:424 van overeenkomstige toepassing op andere overeenkomsten dan lastgeving op grond waarvan de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst van lastgeving zich daartegen niet verzet.
Coehorst 1991, p. 110; Kortmann & Verhagen 1999, p. 24.
Zie daarover: Kortmann & Verhagen 1999, p. 16-19.
Van Setten 1998, p. 273-274; zie ook over middellijke vertegenwoordiging onder het oude recht: Van Schilfgaarde 1969, p. 47.
Deze opvatting is geldend recht in de Common Law stelsels. De wetgever heeft voor een tussenoplossing gekozen in art. 7:419-7:421 (en 7:424). Zie daarover Kortmann & Verhagen 1999, met verdere verwijzingen.
Van Setten 1998, p. 273-274; zie ook over het oude recht: Van Schilfgaarde 1969, p. 44-47.
De constatering dat het wenselijk is dat het verrichten en ontvangen van een prestatie toerekenbaar zijn, roept de vraag op onder welke voorwaarden toerekening kan plaatsvinden. Bedacht moet worden dat toerekening een verbintenis uit onverschuldigde betaling kan doen ontstaan. Een verbintenis kan volgens artikel 6:1 slechts ontstaan indien dit voortvloeit uit (het systeem van) de wet. In het verlengde van deze bepaling dient men aan te nemen dat de voorwaarden voor toerekening in het kader van artikel 6:203 moeten passen in het systeem van het Burgerlijk Wetboek. Het is daarom nodig te kijken naar de gevallen van toerekening die wel in het Burgerlijk Wetboek worden geregeld. Het Burgerlijk Wetboek bevat niet een allesomvattende regeling voor toerekening, maar geeft regels voor bepaalde vormen van toerekening. In het kader van artikel 6:203 zijn drie regelingen van belang: (i) onmiddellijke vertegenwoordiging op grond van volmacht, (ii) middellijke vertegenwoordiging en (iii) vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van de wet.
(i) Toerekening op grond van volmacht
Een belangrijke regeling van toerekening betreft de onmiddellijke vertegenwoordiging, waarbij de vertegenwoordiger rechtshandelingen verricht op grond van een volmacht die hij heeft gekregen van een achterman.1 De bevoegdheid uit de volmacht rechtvaardigt dat de rechtshandeling die de vertegenwoordiger verricht in naam van de achterman, wordt toegerekend aan de achterman. De vertegenwoordiger wordt geen partij bij de rechtshandeling; hij valt ‘er tussenuit’. De regeling van de vertegenwoordiging krachtens volmacht is volgens artikel 3:78 van overeenkomstige toepassing op gevallen waarin iemand optreedt als vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht.
Flume en Du Perron hebben erop gewezen dat een treffende gelijkenis bestaat tussen enerzijds een opdracht op grond waarvan een prestatie door een hulppersoon wordt verricht en anderzijds een volmacht op grond waarvan een rechtshandeling door een vertegenwoordiger wordt verricht.2 Zij menen dat toerekening van het verrichten van de prestatie kan plaatsvinden wanneer een opdracht is gegeven. Als bijvoorbeeld A in opdracht van B een prestatie verricht aan C, kan deze prestatie worden toegerekend aan B. Bij een gebrek in de rechtsverhouding BC kan alleen B terugvorderen van C; A valt er dan volgens deze auteurs ‘tussenuit’.
Ik betwijfel echter of de regeling van de volmacht altijd voldoende aansluit bij artikel 6:203 om een overtuigende verklaring te kunnen geven voor de toerekening van het verrichten en ontvangen van prestaties. Ik heb daarvoor verschillende redenen.
(a) prestatie is niet altijd een rechtshandeling
De eerste reden is dat de verrichting van een betaling in de zin van artikel 6:203 niet altijd een rechtshandeling is, omdat een bedoeling van de presterende of ontvangende partij niet vereist is; zoals wij hierboven zagen is het verrichten van een betaling in de zin van artikel 6:203 (soms) een feitelijke handeling.3 Als bijvoorbeeld een onderaannemer A presteert aan aanbesteder C in opdracht van aannemer B, verricht A geen rechtshandeling. Toerekening in het kader van artikel 6:203 kan dan niet plaatsvinden op de grond dat de betalende partij een rechtshandeling heeft verricht in opdracht en in naam van een achterman, waarbij de betalende partij er tussenuit valt.4
(b) ook bij rechtshandelingen valt handelende partij er niet altijd tussenuit
Ook als men zou aannemen dat wel een rechtshandeling wordt verricht bij de verrichting van een (feitelijke) prestatie in opdracht, valt de presterende partij er niet altijd tussenuit, in tegenstelling tot het geval waarin enkel een rechtshandeling wordt verricht op grond van volmacht. De betaling van de partij die haar feitelijk verricht, blijft ook door haar verricht als zij wordt toegerekend aan een ander.
Stel bijvoorbeeld dat B aan A opdracht geeft om te betalen aan C. A verricht daartoe een girale betaling aan C, zodat A’s rekening wordt gedebiteerd. Ook als de betaling van A wordt toegerekend aan B, blijft zij een girale betaling van A aan C; A’s rekening blijft gedebiteerd. Ik meen daarom dat een betaling is verricht aan C door zowel A als B.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de ontvangst van een feitelijke prestatie in naam van een ander. De prestatie blijft feitelijk ontvangen door degene die de prestatie feitelijk in ontvangst heeft genomen – ook als de ontvangst van de prestatie wordt toegerekend aan een ander. Stel bijvoorbeeld het volgende. B verstrekt aan C een opdracht en een volmacht om in zijn naam een vordering van B op A te incasseren. A maakt een bedrag over naar een bankrekening van C. De rekening van C wordt gecrediteerd. Ook als de ontvangst van de betaling door C wordt toegerekend aan B, blijft de betaling feitelijk verricht aan C. De girale betaling leidt ertoe dat de vordering op de bank in het vermogen valt van C; B heeft slechts een vordering op C tot afdracht van hetgeen B heeft ontvangen. Ik meen daarom dat de prestatie van A is ontvangen door zowel C (de feitelijke ontvangst) als B (de toe te rekenen ontvangst).5
(c) presterende partij kan eigen verbintenis jegens begunstigde nakomen
In sommige gevallen waarin A een opdracht ontvangt van B (die schuldenaar is van C), ontstaat niet alleen een verplichting voor A jegens B, maar ook voor A jegens C. Als A vervolgens de prestatie aan C verricht, gaat de schuld van B aan C teniet. De opdracht rechtvaardigt weliswaar dat het verrichten van de prestatie van A aan C wordt toegerekend aan B, maar A komt ook een eigen schuld na aan C, zodat hij er niet tussenuit valt.
Een voorbeeld van een dergelijk geval is de creditcardbetaling.6 Stel dat creditcardmaatschappij A en verkoper C zijn overeengekomen dat A de koopprijs zal betalen die klanten van C verschuldigd worden. Voorwaarde daarvoor is dat de klanten de koopprijs voldoen door middel van een creditcard die is uitgegeven door A. B is een dergelijke koper die gebruik maakt van een creditcard. B zal zelf door creditcardmaatschappij worden gefactureerd voor alle betalingen die bevoegd met de creditcard zijn gedaan. Daarvan is sprake als koper B zijn creditcard door een terminal haalt en de juiste pincode intoetst. Deze handeling van B moet worden opgevat als een betaalopdracht aan A. Enige tijd nadat B deze opdracht heeft gegeven, betaalt A aan C. Met deze betaling gaat de schuld van B aan C teniet.7 De opdracht rechtvaardigt dat de prestatie van A wordt toegerekend aan B. Maar A komt ook een eigen schuld aan C na, omdat hij daartoe verplicht was op grond van zijn overeenkomst met C. Als A zijn prestatie verricht, valt hij er dan ook niet ‘tussenuit’.
(ii) Toerekening op grond van middellijke vertegenwoordiging bij lastgeving
Anders dan bij de onmiddellijke vertegenwoordiging, wordt bij de figuur van de middellijke vertegenwoordiging de (rechts)handeling door de lasthebber in eigen naam verricht, zodat hij er niet ‘tussenuit’ valt. Toch kunnen de (gevolgen van deze) (rechts)handeling worden toegerekend aan degene in wiens opdracht de rechtshandeling wordt verricht.8 Ook bij de betaling in de zin van artikel 6:203 kan het zich voordoen dat degene die in opdracht handelt er niet tussenuit valt, zoals hierboven bleek.9 Ik meen dat het daarom zinvol is nader te kijken naar de wettelijke regeling van de middellijke vertegenwoordiging, die bij de overeenkomst van lastgeving is ondergebracht.10
Bij lastgeving is tussenpersoon T verplicht om voor rekening van zijn opdrachtgever, principaal P, te handelen met derde D. T kan daarbij in eigen naam handelen, maar ook in naam van P. T handelt in beide gevallen voor rekening van principaal P als deze op grond van de lastgevingsovereenkomst de economische gevolgen van T’s handelen dient te dragen. Daarvoor is vereist dat T handelt binnen de grenzen die hij met P is overeengekomen. Met andere woorden, T moet handelen op grond van een bevoegdheid die hij van P heeft gekregen. In het navolgende beperk ik mij tot gevallen waarin T in eigen naam handelt (middellijke vertegenwoordiging).
P’s contractuele verplichting om de economische gevolgen van T’s handelen te dragen, geldt in beginsel alleen tussen de partijen bij de lastgevingsovereenkomst, dus tussen P en T, niet tussen P en D. Voor D betekent dit, dat hij in beginsel alleen te maken heeft met T. Echter, de wetgever heeft een drietal uitzonderingen aanvaard op het uitgangspunt dat D alleen met T te maken heeft. Met deze bepalingen worden P en D beschermd tegen het risico dat T insolvent raakt of om een andere reden niet nakomt.
De eerste uitzondering volgt uit artikel 7:419. Daar is bepaald dat als T in opdracht van P voor diens rekening een overeenkomst sluit met D, T in eigen naam van D vergoeding kan vorderen van schade die P heeft geleden door een wanprestatie van D.
De tweede uitzondering volgt uit artikel 7:420 dat P de voor overgang vatbare rechten van T tegen D uit de overeenkomst TD op zich kan laten overgaan als T failliet gaat of de overeenkomst met P niet nakomt.
De derde uitzondering is te vinden in artikel 7:421, dat bepaalt dat ook D in beginsel de rechten uit zijn overeenkomst met T kan uitoefenen tegen P als T failliet gaat of zijn verplichtingen jegens D niet nakomt.
Wanneer T geen bevoegdheid kan ontlenen aan zijn overeenkomst met P om voor diens rekening te handelen met D, kan D geen beroep doen op deze bepalingen. Toch wordt in de literatuur verdedigd dat D wordt beschermd als hij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op het bestaan van een dergelijke bevoegdheid.11 Voor deze bescherming is vereist dat de schijn van de bevoegdheid waarop D is afgegaan, aan P kan worden toegerekend.
De artikelen 7:419-7:421 leiden onder de daar genoemde voorwaarden tot toerekening. Volgens de heersende leer worden de gevolgen van T’s handelen met D toegerekend aan P, zodat D door P kan worden aangesproken, en P door D. Het zou daarbij niet gaan om toerekening aan P van het handelen van T (het verrichten van een rechtshandeling); P en D worden geen partij bij een overeenkomst PD. 12 Van Setten heeft echter verdedigd dat niet alleen de gevolgen worden toegerekend, maar ook T’s handelen zelf.13 In zijn visie handelt T in eigen naam en wordt hij dus partij bij het contract met D. Zijn handelen wordt toegerekend aan P, die daarom ook partij wordt bij het contract.14
Van Setten heeft ook getracht een verklaring te geven voor de toerekening die plaatsvindt op grond van artikel 7:419-7:421. Deze toerekening wordt volgens hem gerechtvaardigd doordat T op grond van een bevoegdheid of schijn van bevoegdheid heeft gehandeld voor rekening van A.15
(iii) Vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van de wet
Ten slotte kan toerekening plaatsvinden als de wet aan de tussenpersoon de bevoegdheid geeft om in naam of voor rekening van de achterman te handelen, zonder dat de principaal aanwijzingen geeft of een bevoegdheid heeft verleend. Een voorbeeld van een dergelijke wettelijke bevoegdheid is de zaakwaarneming (artikel 6:198). De zaakwaarnemer kan de belanghebbende rechtstreeks kan binden (artikel 6:201). Hij kan echter ook zichzelf binden waarbij hij recht heeft op vergoeding van de gemaakte kosten (artikel 6:200). De zaakwaarnemer handelt daarmee voor rekening van de belanghebbende. Andere wettelijke grondslagen voor onmiddellijke vertegenwoordiging kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de bepalingen over handelingsonbekwaamheid en in het rechtspersonenrecht.