Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.0
0. Introductie
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471275:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel A.4 van dit hoofdstuk. S. Gloudemans, A. Hoogeveen, W. Rienks, Kavelruil ontrafeld, p. 12 beschrijft onder de Landinrichtingswet al een tendens volgens welke de overheid zich in toenemende mate terugtrekt van het instrument kavelruil. De decentralisatiegedachte past geheel binnen deze tendens.
Zie onderdeel A.3 van dit hoofdstuk.
Zie Notamail 2006/153. Zie tevens B.F. Preller, ‘Ontwikkelingen in rechtspraak en wetgeving rond kavelruil’, p. 16. Voor de integrale wettekst verwijs ik naar het onderdeel ‘wetteksten’ aan het einde van dit onderzoek.
Zie onderdeel E.2 van het vorige hoofdstuk, alsmede B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’. Overigens: aanvankelijk was in het wetsontwerp de kavelruil nog summierder geregeld dan in de Liw al het geval was geweest.
Zie Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 496, alwaar het rapport van B.F. Preller over kavelruil als bijlage in het advies is opgenomen. Het rapport is uitgebreid besproken in onderdeel A.2 van dit hoofdstuk. Zie tevens B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’.
Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 496.
B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 501.
In dit verband wijs ik erop dat A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 66 (m.i. terecht) constateert dat de term ‘ruilverkaveling’ het begrip niet volledig dekt, aangezien er binnen een ruilverkaveling niet alleen kavels worden geruild, maar er ook nieuwe percelen worden gevormd die aan de eigenaars van de vorige toegewezen worden. Deze redenering kan men ook doortrekken naar het begrip ‘kavelruil’: ook binnen een kavelruil gebeurt er dikwijls meer dan het enkele ‘ruilen’ van kavels. Zie onderdeel A.4.C, nt. 302 van dit hoofdstuk.
B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 504 doet dan ook het voorstel om in artikel 1 WILG (definities) de term ‘kavelruil’ op te nemen in plaats van de term ‘ruilverkaveling bij overeenkomst’.
Ik volsta op deze plaats met deze opmerking. Voor verdere civielrechtelijke verdieping zij verwezen naar onderdeel C.2 van dit hoofdstuk.
Wet van 24 december 1970, houdende vervanging van de wetgeving betreffende de registratie- en de zegelbelasting door een nieuwe wettelijke regeling. Hierna tevens: WBR. Zie nader grenspost 2, hfdst. 1, onderdeel D.
Zie omtrent de fiscale behandeling van de kavelruil nader grenspost 2 van dit onderzoek.
Zie omtrent de subsidiëring nader onderdeel F van dit hoofdstuk.
Zie in dit verband tevens B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 502-505, alsmede B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10. Zie ten slotte J.W.A. Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2010: de stand van zaken’.
De verschuiving van de bevoegdheid tot subsidiëring van de kavelruil vanuit het Rijk naar de provincies1 en het vervallen van de ‘objectieve verbeteringseis’2 zijn de voornaamste wijzigingen die de invoering van de WILG voor de (uitvoering van de) kavelruil met zich mee heeft gebracht. Voor het overige is het onderwerp kavelruil in de WILG, net als bij de overgang van de Ruilverkavelingswet 1954 naar de Landinrichtingswet het geval was, inhoudelijk geheel en tekstueel nagenoeg gelijkluidend overgenomen uit de Landinrichtingswet, met alle onvolkomenheden van dien.3 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WILG kan niet worden afgeleid dat met de regeling is beoogd de kavelruil op een andere wijze te regelen dan voorheen in de Landinrichtingswet.4 Dit ondanks een sterk pleidooi in een van notariële zijde opgesteld rapport waarin in de vorm van een aanmerkelijk aantal vragen aan de minister van LNV de noodzakelijke verbeteringen/verduidelijkingen van de wettelijke regeling op diverse onderdelen werden aangegeven.5 Het oordeel van de Commissie Wilg over deze gang van zaken was dan ook niet mals:
“De onduidelijkheid van wet- en regelgeving doet in ernstige mate afbreuk aan de rechtszekerheid in het onroerend goedverkeer, waaraan de wetgever grote waarde hecht, ook in het kader van de Wilg’.6
Preller, opsteller van het rapport, noemt de regeling van kavelruil in de WILG dan ook ‘even gebrekkig’ als die in de Landinrichtingswet.7
In hoofdstuk 9 van de WILG (artikelen 85 - 88) vinden we – weinig verrassend – de regels die, met enige kleine aanpassingen (zie hierna), tot 1 januari 2007 te vinden waren in artikel 17, alsmede de artikelen 119 tot en met 123 Liw. Zoals reeds gezegd zou, naar mijn mening, de term ‘kavelruil’8 dan wel ‘herverkaveling bij overeenkomst’ in de plaats moeten komen van de door de wetgever gehanteerde en in de praktijk geheel in onbruik geraakte term ‘ruilverkaveling bij overeenkomst’. Net als bij invoering van de Landinrichtingswet, heeft men ook bij invoering van de WILG verzuimd deze terminologische modernisering door te voeren.9
Hoofdstuk 9 van de WILG ziet op de privaatrechtelijke verhouding tussen personen/ contractspartijen onderling. Het is te karakteriseren als specifiek overeenkomstenrecht.10 Daarnaast zijn in dit hoofdstuk louter de civielrechtelijke gevolgen van de kavelruil. Voor de fiscale gevolgen moet men te rade bij de Wet op belastingen van rechtsverkeer11 (artikel 15, lid 1, onderdeel l), 12 terwijl men voor de subsidie terecht moet bij de diverse provinciale regelingen.13
Na deze inleidende opmerkingen is het thans de hoogste tijd voor een uitgebreide artikelsgewijze behandeling van de kavelruil ‘WILG-style’.14