Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.2.2
19.2.2.2 Aanbevelingen voor het Hof van Justitie
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455792:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).
Vgl. HvJ 21 december 2011, C-411/10 en C-493/10 (N.S./Secretary of State for the Home Department en M.E. e.a./Refugee Applications Commissioner, Minister for Justice, Equality and Law Reform), r.o. 86.
Te denken valt aan de aangehouden verdachten van de terreuraanslagen in Parijs en Brussel, waarvan er in elk geval één lijkt te worden overgeleverd door België aan Frankrijk.
Vgl. EHRM 21 januari 2011, 30696/09 (M.S.S./België en Griekenland), r.o. 354 en 359.
W. van Ballegooij, The Nature of Mutual Recognition in European Law, Re-examining the notion from an individual rights perspective with a view to its further development in the criminal justice area (diss. Maastricht), Antwerpen: Intersentia 2015, p. 349 e.v.
Resolutie van de Raad van 30 november 2009, 30 november 2009, PbEU 2009, C 295/1.
In zijn noot onder het zeer ingrijpende arrest van de Hoge Raad aangaande verhoorbijstand werpt Klip deze vraag ook op: HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016, 52, m.nt. Klip, onder 15.
Een eerste aanbeveling aan het adres van het Hof van Justitie vloeit voort uit het voorgaande: waar het EHRM in mijn optiek dient vast te houden aan zijn rechtspraak gebaseerd op de territoriale aansprakelijkheid van elke verdragspartij, zou het Hof van Justitie voor een dergelijke lijn in de jurisprudentie meer ruimte moeten bieden. Bemoedigend in dat opzicht is het arrest-Aranyosi en Căldăraru.1 Daarin kiest het Hof van Justitie voor een met die van het EHRM vergelijkbare benadering van de problematiek van gebrekkige detentieomstandigheden in geval van een uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel. Hoewel geschreven in het kader van het vreemdelingenrecht, leek de toets die het Hof van Justitie in de zaak-N.S. aanlegde, te weten dat er sprake moet zijn van systematische tekortkomingen in de procedure in de andere lidstaat,2 wat strenger dan de toets die het EHRM aanlegt. In de zaak-Aranyosi en Căldăraru overweegt het Hof van Justitie dat het bij overlevering moet gaan om gebreken die ‘hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen’ en bovendien dat die gebreken de betrokkenen concreet in gevaar brengen. Hoewel dat voor detentieomstandigheden vergelijkbaar is met de benadering door het EHRM, laat het de vraag open of het Hof van Justitie ook de mogelijkheid open zal houden dat overlevering wordt uitgesteld of geweigerd vanwege een zeer individueel, maar reëel gevaar van vernederende of onmenselijke behandeling of zelfs foltering.3 Hoewel ook het EHRM oog heeft voor de algemene situatie in een andere staat, zeker bij problemen in verband met detentieomstandigheden, legt het Straatsburgse hof uiteindelijk toch steeds een individuele beoordeling aan.4 Ook zonder dat de drempel van systematisch falen wordt gehaald, kan daardoor het risico van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling zo groot zijn dat de samenwerking moet worden geweigerd. Het is met het oog op de rechtsbescherming van de individuele betrokkene of verdachte aan te bevelen dat het Hof van Justitie aan de nationale rechter de ruimte laat om in voorkomende gevallen ook een dergelijke individuele en concrete toets uitvoeren.
Dit zou het Hof van Justitie kunnen doen door de door Van Ballegooij voorgestelde Rule of Reason te introduceren.5 In de kern komt die rule of reason erop neer dat wordt geaccepteerd ‘that legitimate concerns based on fundamental rights could justify a decision not to execute an [European Arrest Warrant]’, waarbij deze rule of reason in mijn optiek breder kan werken dan enkel in het kader van overlevering. Van Ballegooij formuleert vier voorwaarden voor werking van de rule of reason:
Het doel dat ermee wordt nagestreefd dient zwaarder te wegen dan het vrije verkeer, hier: van strafrechtelijke beslissingen. Terecht signaleert Van Ballegooij dat dit voor bijvoorbeeld het verbod op foltering zonder meer zo is, nu dat verbod absoluut is en er geen afweging van belangen mogelijk is. Andere grondrechten lenen zich wel voor een dergelijke afweging.
De maatregel dient proportioneel te zijn, waarmee Van Ballegooij zowel doelt op de noodzaak van de maatregel als de subsidiariteit ervan: zij dient niet verder te gaan dan nodig. Die proportionaliteit ziet volgens Van Ballegooij enerzijds op het samenwerkingsinstrument zelf: overlevering moet proportioneel zijn gelet op de rechten van de individuele betrokkene. Echter, nu de samenwerking binnen de EU vertrekt vanuit de aanname dat de rechten van individuen in de lidstaten voldoende zijn gewaarborgd, welke aanname weerlegbaar is, komt de nadruk te liggen op de proportionaliteit van de weigering om samen te werken: is die weigering noodzakelijk en gaat zij niet verder dan nodig? Daarbij kan het aanwenden van andere vormen van samenwerking een rol spelen, zoals de overname van executie alternatief voor overlevering ter fine van executie.
Er mag geen onderscheid naar nationaliteit worden gemaakt, hetgeen bij toepassing van nationaliteitsexcepties in bijvoorbeeld de Overleveringswet voor complicaties kan zorgen.
De maatregel mag er niet toe leiden dat een bestaande Unierechtelijke maatregel wordt overgedaan. Met name wanneer een bepaald onderdeel van de strafzaak waarin samenwerking is verzocht wordt bestreken door bijvoorbeeld een onderdeel van de routekaart ter versterking van procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures,6 is er geen ruimte voor toepassing van de rule of reason.
Als ik het goed zie, komt dit voorstel neer op hetgeen ik ook aanbeveel: het Hof van Justitie dient ruimte te bieden voor weigering van de samenwerking wanneer dit met het oog op het waarborgen van fundamentele rechten onontkoombaar is. Als gezegd stemt het eerder, onder meer in paragraaf 15.3.2, besproken arrest-Aranyosi en Căldăraru in dat verband hoopvol, al zag dat arrest in de kern slechts op overlevering in geval van gebrekkige detentieomstandigheden die mogelijk tot een vernederende of onmenselijke behandeling leiden.
Een tweede aanbeveling aan het Hof van Justitie ziet op de vraag op welke wijze EU-rechtelijke onrechtmatigheden dienen te worden geredresseerd. Met de verdere ontwikkeling van een stelsel van procedurele rechten van verdachten zal die vraag nadrukkelijker gaan spelen: welke consequenties voor de strafzaak dient een inbreuk op een richtlijn en de daaruit voortvloeiende implementatiewetgeving te hebben?7 Dat het met het Unierecht strijdige nationale voorschrift buiten toepassing moet worden gelaten biedt onvoldoende houvast voor gevallen waarin niet dat voorschrift, maar de praktische uitvoering ervan in strijd komt met het Unierecht. Wat moet volgens het Hof van Justitie bijvoorbeeld het gevolg zijn van een verhoor waarbij de verdachte geen beroep kon doen op verhoorbijstand? Is de consequentie daarvan zonder meer dat de verklaringen van de verdachte afgelegd tijdens dat verhoor uitgesloten worden van het bewijs? Of is een zekere afweging mogelijk, zoals het Nederlandse strafvorderlijke systeem die (behoudens inderdaad Salduz-gevallen) kent op grond van artikel 359 Sv? Weer een andere mogelijkheid is dat het aan de lidstaten wordt overgelaten welke gevolgen aan een onrechtmatigheid worden verbonden, maar zonder begrenzing van die verantwoordelijkheid zouden de waarborgen illusoir kunnen worden.
Dit punt is in mijn optiek ook van cruciaal belang voor de samenwerking in strafzaken: duidelijkheid over de aan EU-rechtelijke onrechtmatigheden in het strafproces in de andere lidstaat te verbinden gevolgen, kan het onderling vertrouwen versterken en de samenwerking versterken. Als de ene lidstaat de zekerheid heeft dat bewijs dat onrechtmatig wordt vergaard niet kan worden gebruikt in de strafzaak tegen de verdachte, dan zal de beoordeling daarvan sneller worden overgelaten aan de andere lidstaat dan wanneer het maar de vraag is welke consequenties aan onrechtmatigheden kunnen en zullen worden verbonden. Het gaat er daarbij volgens mij niet zozeer om dat het Hof van Justitie zeer strikte vormen van redres voorschrijft als wel dat het eenduidige vormen van redres voorstaat. Dit werkt ook de equivalentie van de diverse strafrechtsstelsels in de hand: het maakt niet uit in welke lidstaat een onrechtmatigheid wordt beoordeeld, de daaraan te verbinden consequenties zijn in alle lidstaat gelijk. In mijn optiek is dit het noodzakelijke sluitstuk van een EU-rechtelijke catalogus van grondrechten en procedurele waarborgen, die ook de samenwerking en het onderling vertrouwen ten goede komt.