Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.2.4
5.2.4 Gebrek aan specificiteit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715399:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Moore 2012, p. 40. Vgl. Eser 1966, p. 386. In het ideale geval worden deze op het niveau van de delictsomschrijving gespecificeerd, maar in het Nederlandse systeem komen deze tot op zekere hoogte ook tot uitdrukking bij de elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid.
Kaiafa-Gbandi 2011, p. 26; Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 4.
Altena 2016, p. 129-130. In vergelijkbare zin typeert Van Klink ‘algemeenheid’ als vorm van onduidelijkheid. Algemeenheid houdt dan in dat er (te) veel objecten in de werkelijkheid onder het begrip vallen of, andersom gezegd, dat er te weinig eisen aan de objecten worden gesteld (Van Klink 1998, p. 106-107). Een begrip is dus algemener naar mate zijn extensie groter is (Garstka 1976, p. 107). Het idee om de samenspanningsregeling uit te breiden naar Opiumwetdelicten stuitte bijvoorbeeld op het bezwaar dat de reikwijdte dan dermate ruim zou worden dat de rechtszekerheid van burgers in gevaar zou komen (Kamerstukken II 1982/83, 17975, nr. 3, p. 5. Zie ook: Aanhangsel Handelingen II 1979/80, nr. 1418, p. 2754).
Verbruggen 2004, p. 190-191 en 198. Dit mede gelet op de (voor Belgische begrippen) grote mate van vrijheid die de rechter krijgt in het bepalen van de strafmaat.
Kelk/De Jong 2019, p. 442; Smith 2003, p. 198; Mols & De Roos 1992, p. 222-223; De Jong 1992, p. 49-50 en 53; Buiting 1970, p. 245. Zie bijvoorbeeld ook de tweede overweging van het Hof Den Haag in de zaak van het Rotterdamse ‘sisverbod’, waarin het Hof het bereik van de APV-bepaling relevant acht voor de voorzienbaarheid van strafbaarheid in het licht van artikel 10 EVRM (Hof Den Haag 19 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3293).
Van Veen 1988, p. 3 en 8.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 4-5.
Kelk/De Jong 2019, p. 442; Mols & Wöretshofer 1993, p. 65-66; Rozemond 1992, p. 1105; Rutgers 1992, p. 213 en 321-330; De Jong 1989b, p. 182; Rutgers 1987, p. 921. Vgl. ook: Ashworth & Zedner 2014, p. 113. Rozemond wijst er ook op dat het alternatief dat ook wel is voorgedragen (artikel 140 Sr) nog ruimer is en daarom geen oplossing biedt (Rozemond 1999, p. 1106-1107). Ook bij Buruma lees ik tussen de regels door dat hem vooral de totale reikwijdte van de voorbereidingsbepaling dwars zit. Buruma is namelijk enerzijds kritisch over de duidelijkheid van de strafbaarstelling van voorbereiding, maar meent anderzijds dat de strafbaarstelling van ‘het kopen en onder zich houden van een (vuur)wapen’ wél voldoende duidelijk omschreven is (Buruma 2007, p. 31 en voetnoot 23). Op bestanddeelniveau kan het probleem hem dan eigenlijk enkel nog in de opsomming van voorbereidingsmiddelen zitten. De voorbereidingshandelingen (‘kopen’ en ‘voorhanden hebben’) zijn volgens Buruma immers kennelijk voldoende duidelijk en ook een strafbaarstelling zonder bestemdheidscriterium (zoals bij het beschreven ‘kale’ wapenbezit) zou volgens hem toelaatbaar zijn. Ik betwijfel echter of Buruma geen bezwaren meer zou hebben als de voorbereidingsmiddelen specifieker (doch de facto nauwelijks limitatiever) waren opgesomd, bijvoorbeeld door in plaats van ‘voorwerpen’ onder meer ‘(vuur)wapens, touwen, handboeien, messen, helmen, bivakmutsen, kaarten, plattegronden, sleutels, walkietalkies, (mobiele) telefoons en tie-rips’ te noemen.
Keijzer 1982, p. 86-87.
Plaisier 2003, p. 469.
Strafbaarheid onder artikel 134a Sr voor het proberen te verschaffen van inlichtingen waarmee een terroristisch misdrijf kan worden voorbereid komt immers in wezen neer op strafbaarheid voor poging tot medeplichtigheid aan voorbereiding.
Kamerstukken II 2002/03, 28463, nr. 7, p. 2; Kamerstukken II 2002/03, 28666, nr. 1, p. 3 en 6.
Strijards 1995, p. 14. Vgl. Smidt 1891a, p. 442.
Smith 2003, p. 198. Zie ook: Sikkema 2012, p. 25; Simmelink & Smith 1999, p. 162 en 163. Anders: Van Veen 1988, p. 8.
Schaffmeister 1991b, p. 68 en 72; Rutgers 1987, p. 937.
De Vries-Leemans 1995, p. 265.
Het begrip ‘enige handeling’ komt in meer voorfasedelicten voor. Zie ook: artikel 100 en 248e Sr.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 4, p. 2.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 4. De minister stelde over het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van voorbereiding ook nog dat bij de opsomming van voorbereidingshandelingen en -middelen aansluiting is gezocht bij de – volgens de minister voldoende duidelijke – deelnemingsvorm uitlokking uit artikel 47 lid 1 sub 2 Sr (Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 4-5). Die vergelijking gaat er echter aan voorbij dat, als gevolg van het accessoriteitsvereiste, bij uitlokking een strafbaar grondfeit moet kunnen worden aangewezen, zodat naast de vereisten van artikel 47 lid 1 sub 2 Sr ook aan een aanvullende serie bestanddelen moet worden voldaan. Bij voorbereiding is dat niet het geval. Een tweede verschil is dat waar in artikel 47 Sr het werkwoord ‘uitlokken’ vereist dat de uitlokking een causaal verband in gang zet, het zelfstandig naamwoord ‘voorbereiding’ in artikel 46 Sr slechts het label lijkt te zijn dat op de daarna volgende bestanddelen moet worden geplakt. Een (hypothetisch) causaal verband hoeft daardoor bij voorbereiding niet te worden aangetoond.
Smidt 1891a, p. 442.
De Vries-Leemans 1995, p. 264-265. Net als bij samenspanning volstaat bij conspiracy de enkele afspraak voor strafbaarheid (Reijntjes 1977, p. 422). De regeling voor conspiracy was – vooral voor 1977 – echter bij veel meer strafbare feiten inzetbaar dan de Nederlandse samenspanningsregeling.
Sackers 2007, p. 129-132.
Rutgers 1992, p. 178-179; Mols 1982, p. 152 en 162. Zie ook: De Vries-Leemans 1995, p. 265-266.
Zie voetnoot 1367. Zie ook: Mols 1982, p. 66-71.
Mols & Wöretshofer 1993, p. 65-66.
Verbruggen 2004, p. 191.
Buruma 2002, p. 1502.
Buruma 2002, p. 1502.
Van der Wilt 2003, p. 76.
Van der Wilt 2003, p. 76-77.
Haentjens 1984, p. 36. Zie ook: De Jong 1989b, p. 175.
Handelingen II 1984/85, nr. 72, p. 4640.
Swart 1987, p. 617.
De Jong 1992, p. 48; Keijzer 1983, p. 92-93.
Voorbereiding is in wezen ook een (formeel) gevaarzettingsdelict, nu blijkens het Samir A.-arrest concrete gevaarzetting niet is vereist (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (Samir A.), r.o. 3.7).
Nan 2011, p. 155.
Nan 2011, p. 155.
Nan 2011, p. 170-171; De Jong 1989, p. 174.
Bij puur materieel omschreven gevaarzettingsdelicten wordt geen gedraging beschreven, maar wordt het opzettelijk veroorzaken van gevaar als zodanig strafbaar gesteld. Zie §5.2.2.2.
Bij puur formeel omschreven gevaarzettingsdelicten wordt juist wél een concrete gevaarzettende gedraging omschreven, maar wordt niet vereist dat daadwerkelijk gevaar is ontstaan.
Nan 2011, p. 153.
Nan 2011, p. 153-154.
Dat is vooral problematisch indien uit de omschreven gedraging dat gevaar niet per definitie voortvloeit. Als het gevaar min of meer per definitie aanwezig is bij de in abstracto omschreven gedraging, kan de bepaling worden gezien als een omkering van de bewijslast. De aanname wordt dan dat het gevaar aanwezig is, maar de afwezigheid van concreet gevaar moet ook dan nog altijd een verweer kunnen zijn voor de verdachte.
Haentjens 1984, p. 35-36; Keijzer 1982, p. 89.
Nan 2011, p. 154; Keijzer 1982, p. 89-90. Het Nederlandse artikel 5 WVW kan vanuit dat oogpunt een voorbeeld nemen aan de Engelse Road Traffic Act 1988 en het Duitse §315c StGB, al vertoont die laatste bepaling op een ander punt juist meer graduele vaagheid, doordat geen specifiek alcoholpromillage in de wet is opgenomen (Nan 2011, p. 180-181 en 193). Door het te beschermen rechtsgoed in de delictsomschrijving op te nemen, wordt het voor de rechter ook mogelijk om na te gaan of bestraffing in een concrete zaak dat doel wel dient (Buisman 2020, p. 70; Yoon 2001, p. 29; Jakobs 1991, p. 78). Als echter iedere gedraging die het te beschermen rechtsgoed bedreigt onder de strafbepaling zou komen te vallen, levert dat al snel weer een (te) ruim toepassingsbereik op (Nieboer 1991, p. 74).
Een derde vorm van onduidelijkheid is een gebrek aan specificiteit. Het gaat dan om onduidelijkheid die het gevolg is van het te brede bereik van een bepaling. Of een bepaling te weinig specifiek is, kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd, maar moet mede worden beoordeeld in het licht van hetgeen voortvloeide uit de toetsing aan de voorgaande beginselen (het schuldbeginsel, het daadstrafrechtbeginsel, het wederrechtelijkheidsbeginsel en het ultimum remedium-beginsel). Kijkend naar de uit de in §1.2.1 genoemde beginselen af te leiden subbeginselen, bevat de ideale strafbepaling in ieder geval drie (typen) bestanddelen die gezamenlijk tegelijk de noodzaak van de strafbepaling aantonen, namelijk een subjectief bestanddeel (nulla lex (poenalis) sine culpa), een gedraging (nulla lex (poenalis) sine actio) en bepaalde schadelijke gevolgen die daar het gevolg van zijn (nulla lex (poenalis) sine iniuria).1 Daarnaast kunnen ook tijd, plaats en bijkomende omstandigheden nog relevante factoren zijn bij het specificeren van de delictsomschrijving.2
Het valt te betwisten of gebrek aan specificiteit strikt genomen een vorm van onduidelijkheid is (daarover §5.3.4), maar vooral door auteurs met een meer liberale inslag wordt, zoals hierna ook nog zal blijken, specificiteit wel vaak aan het lex certa-beginsel gerelateerd en ook als vorm van onduidelijkheid gezien.3 Dat is niet zo merkwaardig vanuit het besef dat een ruime bepaling de vrijheid van burgers veelal meer beperkt dan een enge bepaling. Een liberaal zal daarom, geconfronteerd met de keuze tussen een overinclusieve en een onderinclusieve bepaling, in beginsel voorkeur hebben voor de onderinclusieve bepaling. De samenhang met het lex certa-beginsel moet vervolgens vooral worden gezocht in het idee dat bepalingen met een ruim toepassingsbereik enerzijds een dermate grote variëteit aan gedragingen omvatten dat de burger daardoor op basis van de tekst van de bepaling onvoldoende zal kunnen voorzien welke soorten gedragingen daar nu allemaal onder vallen. Anderzijds legt een ruime bepaling ook weinig beperkingen op aan overheidsmacht. Dat wordt mooi geïllustreerd door Verbruggen, die klaagt dat de Belgische strafbaarstelling van deelname aan een criminele organisatie (artikel 324ter Strafwetboek) zo ruim is opgezet dat ze geen bescherming biedt tegen overheidswillekeur, wat hem doet concluderen dat de bepaling flagrant in strijd is met het lex certa-beginsel.4
Achter de hiervoor beschreven kritiek dat voorfasedelicten te onduidelijk zijn, lijken regelmatig bezwaren schuil te gaan tegen het gebrek aan specificiteit en de daaruit volgende ruime reikwijdte van de strafbepaling.5 Zo benadrukte de Werkgroep Van Veen dat duidelijk moet zijn welk gedrag strafbaar is en dat de strafbaarstelling daarom zo nauwkeurig mogelijk moet worden omschreven en beperkt moet blijven tot handelingen die uiterlijk waarneembaar en tastbaar zijn en dat het mondeling openbaren van voornemens straffeloos moet blijven.6 Die laatste beperkingen lijken weinig te maken te hebben met de duidelijkheid van de bepaling en lijken vooral tot uitdrukking te brengen dat de bepaling nader is toegespitst op specifieke gevallen. De minister hanteert tijdens de parlementaire behandeling een vergelijkbare redenering. Hij betoogt dat de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen aan het lex certa-beginsel voldoet, omdat: (a) de voorbereidingsmiddelen specifiek en uitputtend zijn opgesomd, (b) het opzet nauwkeurig is omgrensd, (c) het feit in vereniging moet zijn begaan en (d) de criminele eindbestemming van de middelen kennelijk moet zijn.7 Ook hier gaan duidelijkheid en specificiteit hand in hand. Een limitatieve opsomming van voorbereidingsmiddelen is immers niet per se een duidelijke opsomming, net zomin als de omgrenzing van het opzet of het toevoegen van een verenigings- of bestemdheidsvereiste de bepaling per se duidelijker maakt. Daar komt mijns inziens vooral mee tot uitdrukking dat gepoogd is de reikwijdte van de bepaling in te perken. Veel auteurs geven ook direct of indirect aan vooral de reikwijdte van diverse voorfasedelicten problematisch te vinden in het licht van het lex certa-beginsel.8 Keijzer meent bijvoorbeeld dat het pogingsleerstuk inmiddels zijn uiterste grenzen heeft bereikt en dat een verdere uitbreiding in strijd zou komen met het lex certa-beginsel.9
Hoewel discussie mogelijk is over de vraag of het lex certa-beginsel een specificiteitsvereiste moet omvatten, is de reikwijdte van veel voorfasebepalingen inderdaad vrij ruim. Daarover werd in relatie tot artikel 46 Sr al geklaagd toen dat artikel nog een verenigingsvereiste en een kennelijkheidsvereiste bevatte, zodat die kritiek sinds het schrappen van beide vereisten niet zal zijn afgenomen.10 Verder zien we in de strafbaarstelling van bijvoorbeeld financiering van terrorisme (artikel 421 Sr) dat constructies als ‘geheel of gedeeltelijk’ en ‘onmiddellijk of middellijk’ vanuit het oogpunt van specificiteit weinig toevoegen. In vergelijkbare zin treffen we in artikel 134a Sr de constructie ‘verschaft of tracht te verschaffen’ en de opsomming ‘terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf’. Dergelijke opsommingen wekken, door het toevoegen van extra woorden aan de delictsomschrijving, op het eerste gezicht de indruk dat ze de bepaling nader toespitsen, maar benadrukken in werkelijkheid juist hoe uitgebreid de bepaling kan (en moet) worden uitgelegd.11 Illustratief is in dat kader ook het vijfde lid van artikel 140 Sr, waarin de wetgever aangeeft dat onder ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 en 140a Sr mede moet worden verstaan het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun. Op het eerste gezicht biedt deze wettelijke definitie een verduidelijking van het bestanddeel ‘deelneming’ en de wetgever presenteert de bepaling ook als zodanig.12 Het begrip ‘deelneming’ krijgt met deze definitie echter een wel erg ruim bereik, terwijl het nogal twijfelachtig is of het sturen van geld naar een organisatie naar normaal taalgebruik als deelname aan die organisatie kan worden begrepen. In die zin is artikel 140 lid 1 Sr door deze definitiebepaling juist minder duidelijk geworden. Eerder lijkt de wetgever met deze ruime definitie een soort niet-terroristische tegenhanger van de strafbaarstelling van financiering van terrorisme (artikel 421 Sr) te hebben geschapen.
Iets vergelijkbaars zien we in de opsomming van voorbereidingsmiddelen en -handelingen in artikel 46 Sr. Op het eerste gezicht zijn deze vanuit liberaal oogpunt te prijzen: er is immers gekozen voor minitieuze, limitatieve opsommingen en niet voor (doorgaans veel ruimere) enuntiatieve opsommingen.13 De opsomming van voorbereidingshandelingen en -middelen in artikel 46 Sr is echter formeel (de jure) wel limitatief van aard, maar tegelijk zo omvangrijk dat ze materieel (de facto) nauwelijks beperkingen aanbrengt. Smith merkt terecht op dat artikel 46 Sr in feite niet meer vereist dan dat de dader ‘iets’ met ‘dingen’ moet hebben gedaan.14 Schaffmeister en Rutgers oordelen al even vernietigend over artikel 140 Sr: dat artikel zou niet meer zijn dan een aaneenschakeling van louter algemene bestanddelen die geen enkele houvast bieden, zou daarom niet in een rechtsstaat thuishoren en zou per direct moeten worden geschrapt.15 Ook De Vries-Leemans merkt op dat de formulering van artikel 140 Sr weinig beperkingen opwerpt voor wat betreft de strafbaarheid, zodat de reikwijdte van dat artikel zich welhaast oeverloos laat uitbreiden en daarom problematisch is in het licht van het legaliteitsbeginsel.16
Een nog minder specifieke omschrijving van de gedraging zien we in artikel 98c lid 1 onder 2 Sr, waarin de wetgever met straf bedreigt hij die “enige handeling verricht […] met het oogmerk om […] de beschikking te krijgen over enig [staatsgeheim]”. De minister benadrukt dat het daarbij kan gaan om welke handeling dan ook, zolang het vereiste oogmerk maar aanwezig is.17 Hiermee wordt het daadstrafrechtbeginsel wel erg beperkt geoperationaliseerd. Weliswaar is in de meest letterlijke zin “enige handeling” vereist, maar aan die handeling is op geen enkele wijze nader invulling gegeven en de gedraging is ook evident ondergeschikt aan het vereiste oogmerk.18 Tijdens de parlementaire behandeling van artikel 98c Sr is dat echter nauwelijks een punt van debat. Dat is anders tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen; de genoemde ruime opsommingen stuiten daar wel op de nodige kritiek.19 De minister wijst echter op het risico van mazen in de wet als de voorbereidingshandelingen al te gedetailleerd zouden worden opgesteld: de werkelijkheid zou volgens hem altijd vindingrijker zijn dan de wetgevingsjurist achter zijn bureau.20 Vanuit liberaal oogpunt is echter het gegeven dat sommige strafwaardige gevallen niet onder een scherp afgebakende wetsbepaling vallen juist de prijs die moet worden betaald voor rechtszekerheid.21
Vanuit liberaal oogpunt wordt, zoals gezegd, vooral gevreesd dat creatieve overheidsfunctionarissen vage regelingen – zoals de Engelse conspiracy en de Nederlandse strafbaarstelling van deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr) – kunnen misbruiken.22 De wet moet vanuit liberaal oogpunt juist grenzen stellen aan de macht van de overheid. Brede containerdelicten dreigen juist door hun ruime toepassingsbereik, lagere bewijsstandaard en soms zelfs hogere strafdreiging allerlei meer specifiek omschreven delicten tot dode letter te maken.23 Rutgers en Mols vrezen dat dergelijke delicten in tijden van onrust kunnen worden ingezet tegen allerlei onwenselijk geachte politieke of maatschappelijke ontwikkelingen en zien dit zelfs als een latente functie van deze strafbepalingen.24 Ter illustratie kan worden gewezen op de strafbaarstelling van samenspanning tot spoorwegstaking, die toch moeilijk los van de dreiging van het communisme kan worden gezien.25
Naast de vrees voor overheidsmisbruik, wordt er veelvuldig op gewezen dat ook alledaagse gedragingen binnen de reikwijdte van aspecifieke strafbepalingen kunnen vallen.26 Zo is Verbruggen kritisch over de Belgische strafbaarstelling van deelname aan de geoorloofde activiteiten van een criminele organisatie.27 Deze ‘strafbaarstelling van geoorloofde activiteiten’ zou volgens hem een contradictio in terminis zijn.28 In vergelijkbare zin heeft Buruma bezwaar tegen de gebrekkige voorzienbaarheid van de strafbaarheid van deelname aan een terroristisch organisatie, nu tamelijk alledaagse gedragingen in relatie tot dergelijke organisaties tot aansprakelijkheid kunnen leiden.29 Het moet vanuit liberaal oogpunt niet alleen duidelijk zijn wanneer strafbaarheid intreedt, maar ook wanneer de burger veilig is voor overheidsingrijpen. Buruma stelt in dat kader dat de definitie van terroristisch oogmerk (artikel 83a Sr) weliswaar goed aangeeft wat wél terrorisme is, maar niet duidelijk aangeeft wat géén terrorisme is.30 Van der Wilt klaagt op zijn beurt over de vaagheid van het criterium van ‘(kennelijke) bestemdheid’ bij voorbereiding en het bevorderingscriterium bij deelname aan een criminele organisatie.31 Hij stelt dat beide bepalingen gebrekkig zijn in het licht van de rechtszekerheid en meent dat het gaat om onschuldige, alledaagse handelingen die slechts door het opzet van de dader strafwaardig worden, terwijl dat opzet – juist omdat het om onschuldige, alledaagse gedragingen gaat – niet uit de gedraging kan worden afgeleid.32
De grote rol die het subjectieve bestanddeel speelt bij de inkadering van voorfasedelicten zien we ook in een opmerking van de minister in reactie op kritiek van Haentjens, die erop wees dat artikel 10a van de Opiumwet de voorbereiding strafbaar stelt van gedragingen die zelf nog voorbereidingshandelingen zijn (invoeren, uitvoeren, telen, verwerken, kopen en verkopen) van een overigens niet strafbaar voltooid delict (het gebruik van drugs). Haentjens meende dat de strafbaarstelling daarmee te ver van het grondfeit was verwijderd en dat deze daarom niet aan het lex certa-beginsel voldeed.33 De minister erkent dat het om alledaagse gedragingen gaat, maar wijst erop dat de gedragingen wel gericht moeten zijn op een in artikel 10 van de Opiumwet strafbaar gesteld misdrijf.34 Dat die gerichtheid op een Opiumwetdelict – juist vanwege de alledaagsheid van de gedragingen – niet uit de gedraging zal kunnen worden afgeleid, laat hij onbesproken. De onbegrensdheid van voorfasedelicten vindt zijn oorsprong blijkens dit voorbeeld voor een niet onbelangrijk deel in de centrale rol die intenties in de voorfase spelen. Het probleem is daarbij overigens evident niet dat de burger als gevolg van deze subjectieve bestanddelen zelf niet weet of en wanneer strafbaarheid in kan treden – hij is immers als enige juist wél bekend met zijn intenties – maar dat het intreden van aansprakelijkheid kantelt op een subjectief, oncontroleerbaar criterium. Er moeten dan ook behoorlijke eisen worden gesteld aan het subjectieve element in voorfasedelicten.35 De redactie van de voorbereidingsbepaling roept in dit licht vragen op. Nog meer dan bij poging rijst daarbij immers de vraag waarom hier is gekozen voor voorwaardelijk opzet en niet voor oogmerk, dat veel meer in lijn lijkt te liggen met de doelmatige aard van de voorbereiding.36
Een laatste belangrijk voorbeeld van voorfasedelicten met een gebrekkige specificiteit zijn gevaarzettingsdelicten.37 Gevaarzettingsdelicten hebben doorgaans een ruimer werkingsbereik dan krenkingsdelicten, omdat aan vrijwel iedere krenking een gevaar voorafgaat, terwijl niet elk gevaar tot een krenking leidt.38 Vanuit het oogpunt van specificiteit zijn krenkingsdelicten dus te verkiezen boven gevaarzettingsdelicten.39 In combinatie met de hiervoor in §5.2.2.2 besproken graduele vaagheid van het begrip ‘gevaar’ treedt bij gevaarzettingsdelicten al snel overinclusiviteit op, waardoor het strafrecht volgens sommige auteurs een (te) grote greep op de samenleving dreigt te krijgen.40 Hiervoor is de graduele vaagheid van puur materieel omschreven gevaarzettingsdelicten reeds besproken.41 Puur formeel omschreven gevaarzettingsdelicten zijn op het eerste gezicht duidelijker geformuleerd en strikter afgebakend.42 Niet iedere gedraging die tot gevaar leidt is dan immers strafbaar, maar enkel specifiek omschreven gedragingen.43 Het is dan helderder wat de burger moet doen om aansprakelijkheid te vermijden dan bij materieel omschreven delicten.44 Daar staat echter tegenover dat niet hoeft te worden bewezen dat daadwerkelijk gevaar is ontstaan voor enig rechtsgoed.45 Vanuit dat oogpunt zijn formeel omschreven gevaarzettingsdelicten juist te ruim opgezet.46 Vanuit liberaal oogpunt zouden gevaarzettingsdelicten daarom bij voorkeur zowel concreet gevaar voor een bepaald rechtsgoed als een concrete gedraging vereisen.47