Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.7.3
IV.5.7.3 Deelveroorzaking
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460352:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nuninga & Veldt 2020, par. 10.2 en 10.4.
HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743, m.nt. Schultsz & Nieuwenhuis (Kalimijnen). Zie par. IV.5.3.4 onder Hinder.
Dit soort schade wordt ook wel ‘sluipende schade’ genoemd. Waarover Spier 1990.
Gelet op het lineaire verband tussen de zoutlozingen en de schade aan de gewassen, kan mijns inziens echter wel een CSQN-verband worden vastgesteld tussen de bovenmatige zoutlozingen van de aangesproken bedrijven en een deel van de schade die Nederlandse tuinders hierdoor ondervinden.
PHR 23 september 1988, ECLI:NL:PHR:1988:AD5713, par. 8.7.
Dit voorbeeld is bedoeld om het principe van een niet-evenredige deelveroorzaking te illustreren in het kader van de causaliteitstoets van artikel 6:162 BW. De vraag of een onderneming voor het lozen van koelwater schadevergoedingsplichtig is (en jegens wie, en voor hoeveel) is een andere en specifiekere vraag die buiten de afbakening van dit proefschrift valt. Ik merk hier terzijde op dat een dergelijke aansprakelijkheidsvordering door een individuele eiser mogelijk kan vastlopen op een gebrek aan schade en/of relativiteit. Als de lozing in strijd is met een rechtsplicht, bijvoorbeeld Europese regelgeving of een vergunningsplicht, kan een belangenorganisatie mogelijk nog wel een verbod vorderen. Zie daaromtrent par. IV.6.
Het buiten toepassing laten van het CSQN-vereiste in dit soort gevalstypen zou wellicht mede kunnen worden gebaseerd op een analogische toepassing van artikel 6:166 BW. Hierbij zeg ik bewust analogisch, want in de literatuur wordt aangenomen dat de regeling voor groepsaansprakelijkheid van artikel 6:166 BW zelf in principe niet toepasselijk is wanneer milieuschade wordt veroorzaakt door verschillende vervuilende bedrijven tezamen, omdat er in de regel geen sprake zal zijn van een ‘groep’ in de zin van artikel 6:166 BW. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/128, onder verwijzing naar Kottenhagen-Edzes 1989, p. 1337 e.v. Cf. Loth 2020.
Meerdere veroorzakers
In de vorige situaties was er telkens sprake van schade die werd veroorzaakt door één partij. Er zijn ook vormen van milieuschade die alleen kunnen bestaan doordat vele partijen een bijdrage leveren aan de schade. In dit kader wordt wel gesproken van deelveroorzaking. Nuninga en Veldt zien terecht dat bij deelveroorzaking een onderscheid moet worden gemaakt tussen situaties waarin tussen gedraging en schade een zeker evenredig verband bestaat, en situaties waarin dat niet het geval is.1
Evenredige deelveroorzaking
Het eerder besproken Kalimijnen-arrest2 is een goed voorbeeld van de eerste, evenredige vorm van deelveroorzaking.3 Dit arrest gaat over de aansprakelijkheid van mijnbedrijf MDPA voor (kali)zoutlozingen in de Rijn waarvan Nederlandse tuinders die Rijnwater gebruiken voor bewatering van hun gewassen schade lijden. In het arrest komt vast te staan dat er een lineair verband bestaat tussen de toeneming van het zoutgehalte en de schade aan de gewassen van Nederlandse tuinders. Het causaliteitsprobleem is erin gelegen dat MDPA weliswaar een aanzienlijk deel van de schade veroorzaakte, maar niet álle schade; in de Rijn werd ook zout geloosd door andere partijen. Het CSQN-verband werd daarom geacht te ontbreken.4 Dit was evenwel geen beletsel voor de aansprakelijkheid van MDPA. In zijn conclusie schrijft AG Franx dat ‘de conditio sine qua non-eis niet geldt in een geval van samenlopende (“samenwerkende”, cumulerende) oorzaken’.5 De Hoge Raad volgt de conclusie, en houdt MDPA aansprakelijk voor zijn aandeel in de zouttoename in de Rijn. Bij evenredige deelveroorzaking werd ‘pro rata’-aansprakelijk mogelijk geacht. Dit is een belangrijk inzicht voor veel vormen van milieuaansprakelijkheid, omdat regelmatig voorkomt dat verschillende vervuilers een cumulatieve bijdrage leveren aan milieuschade.
Niet-evenredige deelveroorzaking
Bij niet-evenredige deelveroorzaking levert de causaliteitstoets van artikel 6:162 BW meer problemen op dan bij evenredige deelveroorzaking. Een makkelijk voorbeeld van niet-evenredige deelveroorzaking is wanneer tien personen gezamenlijk een auto de gracht in duwen: ieder voor zich kunnen ze weinig uithalen, maar pas wanneer genoeg deelveroorzakers meedoen kan de schade zich materialiseren. Ook in het milieuaansprakelijkheidsrecht zijn situaties denkbaar waarin sprake is van niet-evenredige deelveroorzaking, doordat verschillende ondernemingen tezamen ervoor zorgen dat een bepaald kantelpunt wordt gepasseerd met milieuschade tot gevolg.
Een eenvoudig voorbeeld: bij koudbloedige dieren (zoals vissen en amfibieën) wordt de lichaamstemperatuur bepaald door de omgevingstemperatuur, voor elke diersoort zijn onder- en bovengrenzen, en daarom moet de temperatuur van de leefomgeving binnen een bepaald bereik blijven. Het lozen van koelwater in een wateroppervlak verhoogt die temperatuur, maar een kleine temperatuurverhoging hoeft geen probleem te zijn voor de waterdiersoorten. Als echter te veel bedrijven het koelwater lozen, dan kan dit tezamen leiden tot een fatale temperatuurstijging.6
Klimaatverandering is een (veel) complexer probleem waarin ook sprake is van niet-evenredige deelveroorzaking. Het aandeel van een specifiek bedrijf staat niet in direct verband met (een deel van) de klimaatschade, vanwege allerlei complicerende factoren. Zo zijn er naast antropogene- ook natuurlijke bronnen van broeikasgassen, verloopt de opwarming van de aarde niet lineair met de broeikasgasconcentratie in de lucht en (omdat op een gegeven moment gevaarlijke kantelpunten worden bereikt en zelfversterkende effecten intreden) is er ook geen evenredig verband tussen de opwarming van de aarde en klimaatverandering-gerelateerde schade (naarmate de aarde verder opwarmt worden de gevolgen exponentieel erger; 4 graden opwarming zorgt voor meer dan twee keer zoveel klimaatschade als 2 graden opwarming). Om die redenen kan specifieke klimaatschade (bijvoorbeeld een misoogst) niet zomaar worden herleid tot een specifieke deelbijdrage aan klimaatverandering (bijvoorbeeld de bovenmatige uitstoot van een bepaalde staalfabriek).
In het Kalimijnen-arrest maakte het evenredige verband tussen de deeloorzaak en een deel van de schade ‘pro rata’-aansprakelijkheid mogelijk, en was het terzijde stellen van het CSQN-vereiste gerechtvaardigd. Bij niet-evenredige deelveroorzaking van milieuschade is er sprake van een andere situatie, en daarom lijkt me de toets die is ontwikkeld in het Kalimijnen-arrest niet zonder meer toepasselijk. Voor zover ik weet is er over niet-evenredige deelveroorzaking van milieuschade nog weinig geschreven in de privaatrechtelijke literatuur. Nader onderzoek moet uitwijzen of het CSQN-verband in dit soort gevallen een (on)overkomelijk obstakel is voor het vestigen van milieuaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.7