Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/8.1
8.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493497:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin: rechter Matscher in zijn concurring opinion bij EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk),BNB 1993/350 (m.nt. Wattel);FED 1993/628 (m.aant. Feteris); NJ 1993, 485 (m.nt. Knigge). Dit geldt voor zowel preventief als repressief nalevingstoezicht.
EHRM 21 september 1994 (Fayed t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1995, 463, § 62, EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254. (m.nt. Feteris), NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 67; EHRM 19 september 2000 (I.J.L. e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 100; en EHRM 8 april 2004 (Weh t. Oostenrijk), § 45.
Vgl. A-G Knigge, conclusie bij HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes), pt. 74 e.v. Daarin merkt hij op dat onregelmatigheden die in de toezichtssfeer aan het licht komen en worden bestraft of beboet op basis van de informatie die de verdachte voor toezichtsdoeleinden heeft verstrekt, een gangbare en geaccepteerde praktijk in de verdragsstaten is. Daarachter gaan gewichtige handhavingsbelangen schuil, aldus Knigge.
Zie meer recent ook de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak Van Weerelt (EHRM 9 juli 2015, nr. 784/14 (Van Weerelt t. Nederland), V-N 2015/38.5.
Zie EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk),FED 2003/589 (m.aant. Thomas); NJCM-Bulletin 2003, p. 160, § 1; EHRM 8 april 2003 (King t. Verenigd Koninkrijk), § 2; en EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken);FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 68. Voor de goede orde: Marttinen is geen belastingzaak.
Zie § 3.3.4 hiervoor.
Feteris, noot onder EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), BNB 1997/254, pt. 5.
Criteria: dwang, strafcontext en zelfbelasting
In de vorige twee hoofdstukken bleek dat de toepasselijkheid van het recht tegen gedwongen zelfbelasting steunt op drie criteria, te weten dwang, strafcontext en zelfbelasting. Wil dit recht in het geding zijn, dan moet er sprake zijn van dwang tot zelfbelasting door middel van het afleggen van een verklaring of de afgifte van (bepaald) ‘real evidence’ in een strafcontext. Deze strafcontext impliceert dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting alleen in het geding is, wanneer de betrokkene is ‘charged with a criminal offence’.
Dit laatste betekent niet dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting geen betekenis heeft voor de medewerking die vóór de criminal charge wordt afgedwongen. In zijn noot onder het Saunders-arrest wijst Feteris erop dat de bondige § 44 in Funke, onder meer de vraag opriep wat de situatie is voordat een criminal charge is geuit. Is het mogelijk dat de betrokkene ook in dat stadium aanspraak maakt op het in art. 6 belichaamde zwijgrecht? En moeten verklaringen die en materiaal dat in dat stadium onder dwang van hem zijn verkregen, buiten beschouwing blijven als bewijs voor de gegrondheid van de latere criminal charge?1 Het antwoord op deze vragen kwam vooral met het Saunders-arrest. Daarin werd de klager gedwongen te verklaren voordat hij was ‘charged with a criminal offence’.
Geen criminal charge: verplichting om medewerking te verlenen
Uit Funke kon al wel worden afgeleid dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting de bevoegdheid van verdragsstaten om toe te zien op de naleving van voorschriften voor het aanvangsmoment van de criminal charge ongemoeid laat.2 In Saunders overweegt het Hof uitdrukkelijk dat de verplichting van burgers om de autoriteiten informatie te verstrekken, een gemeenschappelijk kenmerk van de nationale rechtsorden van de verdragsstaten is. Het brengen van dergelijke verplichtingen binnen het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zou de handhaving van voorschriften die in het algemeen belang zijn uitgevaardigd te zeer belemmeren.3 Dit wordt niet anders wanneer de nakoming ervan de verdenking van een overtreding van een (wettelijk) voorschrift kan doen ontstaan, welke verdenking na eventueel verder (repressief) onderzoek kan uitmonden in vervolging.4 Dit geldt ook voor belastingzaken. In de zaken Allen, King en Marttinen beslist het Hof dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting niet belet, dat dwangmiddelen worden gebruikt om burgers te verplichten informatie over hun financiële aangelegenheden te verstrekken.5 De verplichting om inkomen en vermogen op te geven ten behoeve van de vaststelling van de verschuldigde belasting, is een kenmerk van de belastingsystemen van de verdragsstaten. Het is moeilijk voorstelbaar dat zij effectief functioneren zonder die verplichting.6
Latente werking: resultaat afgedwongen medewerking uitsluiten van bewijs
Terwijl het Hof in Saunders geen bezwaar heeft tegen het gedwongen afleggen van verklaringen voor het aanvangsmoment van de criminal charge, oordeelt het dat het gebruik door de Engelse autoriteiten van deze verklaringen voor het bewijs van die ‘charge’, in strijd is met het recht tegen gedwongen zelfbelasting. In dit opzicht werpt het recht tegen gedwongen zelfbelasting – als bewijsuitsluitingsregel (‘exclusionary rule’) – zijn schaduw vooruit naar de pre-‘charge’-fase. In zijn noot onder Saunders noemt Feteris dit de latente werking van het niet-meewerkrecht.7 Vanaf het ‘charge’-moment is die werking niet meer latent en neemt het niet-meewerkrecht de vorm aan van een bewijsverbod. Dat verbod manifesteert zich zodra de autoriteiten verklaringen die zij voor het ‘charge’-moment van de verdachte hebben verkregen, op belastende wijze tegen hem gebruiken.
Deze werking geeft uitdrukking aan de notie, dat art. 6 EVRM van belang kan zijn voordat een zaak ter zitting wordt aangebracht, indien en voor zover de ‘fairness’ van een strafzaak wordt aangetast doordat de vereisten daarvan voordien niet (hoeven) worden nageleefd.8 In dit verband trekt de aandacht de concurring opinion van rechter Schermers bij het rapport van de ECRM in Saunders. Daarin merkt hij op dat in het accusatoire systeem de autoriteiten belastend bewijs tegen de verdachte zouden moeten vergaren vóórdat hij is ‘charged with a criminal offence’.9
Ik wijs ook op Feteris die opmerkt dat het Hof in Saunders voor wat betreft de latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht geen beperkingen in de tijd lijkt te stellen. art. 6 EVRM kan zelfs (bewijs)gevolgen hebben voor informatie die iemand heeft verstrekt vóórdat tegen hem een verdenking rijst.10 Een dergelijke ruime werking is naar zijn oordeel in overeenstemming met doel en strekking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Het criminal charge-begrip wordt in Straatsburg immers zo uitgelegd, dat daarvan veelal pas sprake is wanneer er al belangrijk bewijs tegen een verdachte is verzameld. Zou het recht tegen gedwongen zelfbelasting pas op dat moment ingaan, dan zou het voor een belangrijk deel van de bewijsgaring geen betekenis hebben. De latente werking kan tot gevolg hebben dat het gebruik voor het bewijs van de criminal charge – vanwege het bewijsverbod – onmogelijk wordt.
Toepasselijkheidscriteria en latente werking
Aangenomen moet worden dat de latente werking van het niet-meewerkrecht evenzeer wordt bepaald door de criteria ‘dwang’ en ‘zelfbelasting’. De strafcontext speelt geen rol. Die ontbreekt immers vóór het ‘charge’-moment. Nadien geldt het bewijsverbod.
In aansluiting op de bevindingen in de vorige twee hoofdstukken zal ik hierna volstaan met enkele aanvullende opmerkingen over de uitleg en toepassing van de criteria ‘dwang’ en ‘zelfbelasting’ door het Hof met betrekking tot de latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht respectievelijk het daarop steunende bewijsverbod.