HR, 02-05-2014, nr. 14/01060
ECLI:NL:HR:2014:1069
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
02-05-2014
- Zaaknummer
14/01060
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1069, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 02‑05‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:227, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:227, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1069, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑05‑2014
Partij(en)
2 mei 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01060
EV/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/13/10/652-R van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2013;
b. het arrest in de zaak 200.139.385/01 van het gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-6).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot op 2 mei 2014.
Conclusie 21‑03‑2014
14/01060 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 21 maart 2014 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoeker], verzoeker tot cassatie, | |
(hierna: [verzoeker]). |
1. De toepassing van de schuldsaneringsregeling, die ten aanzien van [verzoeker] op 10 september 2010 was uitgesproken, is door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 18 december 2013 beëindigd zonder toekenning van een schone lei. De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] de bewindvoerder niet op eigen initiatief over zijn inkomsten als afwasser bij restaurant Pondok Yanie te Bentveld had geïnformeerd en dat deze tekortkoming in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen aan [verzoeker] kon worden toegerekend. Van dit vonnis is [verzoeker] in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 februari 2014 het vonnis bekrachtigd. Ik citeer de thans relevante rechtsoverwegingen uit dat arrest:
“2.4. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] verwijtbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [verzoeker] heeft de bewindvoerder niet van toereikende informatie voorzien omtrent zijn (financiële) situatie, waaronder zijn inkomen. Zo heeft hij pas na de zitting in eerste aanleg zijn inkomensspecificaties over de maanden juni 2013 tot en met augustus 2013 aan de bewindvoerder overgelegd. Voorts is voldoende komen vast te staan dat [verzoeker] de bewindvoerder niet uit eigener beweging heeft geïnformeerd over zijn inkomsten als afwasser bij restaurant Pondok Yanie te Bentveld. De bewindvoerder heeft uit de beschikking van de rechtbank van 12 september 2012 inzake de alimentatieverplichting, welke zij pas in augustus 2013 van [verzoeker] heeft ontvangen, moeten vernemen dat hij deze inkomsten genoot. Het niet opgeven van inkomsten aan de bewindvoerder acht het hof zeer laakbaar en indruisen tegen een elementaire regel van de schuldsanering, namelijk dat de saniet zijn inkomsten aan de bewindvoerder bekend maakt. Dat het gaat om – naar [verzoeker] heeft verklaard – geringe inkomsten doet aan het voorgaande niet af. Van [verzoeker] mocht in het kader van de schuldsaneringsregeling immers worden gevergd dat hij uit eigener beweging alle relevante informatie omtrent zijn situatie aan de bewindvoerder zou opgeven teneinde een effectieve uitvoering van deze regeling te bewerkstelligen.
2.5. De omstandigheid dat [verzoeker] inmiddels wel informatie aan de bewindvoerder heeft verschaft, leidt niet tot een ander oordeel. [verzoeker] heeft immers veel te laat aan de informatieverplichting voldaan, zo heeft hij pas na te zijn opgeroepen voor de beëindigingszitting de door Pondok Yanie verstrekte loonstroken betreffende het jaar 2013 en de jaaropgave 2012 aan de bewindvoerder overgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de bewindvoerder niet eerder van zijn werkzaamheden en de daaruit gegenereerde inkomsten op de hoogte had kunnen stellen. [verzoeker] had moeten begrijpen dat, doordat hij van de – gedurende een lange periode verrichte – werkzaamheden en van de daaruit verkregen inkomsten geen melding maakte aan de bewindvoerder, het voor de bewindvoerder ook niet mogelijk was omtrent die werkzaamheden met hem afspraken te maken en daarop controle uit te oefenen. Er bestaat daarom grote – aan de [verzoeker] toe te rekenen – onduidelijkheid omtrent de omvang van de verrichte werkzaamheden en van de door de [verzoeker] verkregen inkomsten. De (enkele) door Pondok Yani verstrekte loonstroken betreffende het jaar 2013 en de jaaropgave 2012, kunnen daarin geen, althans onvoldoende, wijziging brengen. Niet alleen ontbreekt, nu uit de door [verzoeker] overgelegde loonstroken blijkt dat [verzoeker] reeds vanaf oktober 2009 werkzaamheden verricht in dient van Pondok Yanie, de informatie over de jaren 2010 en 2011, ook ontbreekt iedere specificatie van tijdstip en omvang van de werkzaamheden en daarmee het noodzakelijke houvast om tot een juiste en verantwoording van een en ander te komen.”
2 Het op 26 februari 2014 (derhalve tijdig) ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden ingekomen cassatieverzoekschrift richt zich (vooral) tegen rov. 2.4 en betoogt – kort samengevat – dat het hof miskend heeft dat:
(a) de doelstelling van de schuldsaneringsregeling gelegen is in het voorkomen van de situatie dat een schuldenaar tot in de lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden;
(b) de bevrediging van schuldeisers geen vereiste is voor het verlenen van een schone lei;
(c) een tekortkoming niet zonder meer verwijtbaar hoeft te zijn;
(d) het verwerven van – symbolische – inkomsten een effectieve uitvoering van de schuldsaneringsregeling niet bedreigt nu [verzoeker] door te werken een groter bedrag voor zijn crediteuren kan verwerven;
(e) [verzoeker] een rechtvaardigingsgrond had omdat hij geen draagkracht had om aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen; hij was ‘gevangen’ tussen schuldsanerings- en alimentatieverplichtingen, zodat het hof niet zo inflexibel had mogen zijn;
(f) de betreffende inkomsten bezwaarlijk als ‘relevante informatie’ kunnen worden aangemerkt;
3 De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
4 Klachten (a) t/m (c) missen feitelijke grondslag. ’s Hofs oordeel berust niet op een opvatting omtrent de doelstelling van de schuldsanering noch op de overweging dat de schuldeisers van [verzoeker] (nog) niet zijn voldaan. Evenmin is het hof er zonder meer van uitgegaan dat de tekortkoming toerekenbaar was: in de laatste volzin van rov. 2.4 en in rov. 2.5 heeft het hof gemotiveerd waarin de verwijtbaarheid is gelegen. Voor zover klacht (a) veronderstelt dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen terzijde (kunnen) worden gesteld door de doelstelling van die regeling, is die veronderstelling onjuist. Nakoming van deze verplichtingen is juist een voorwaarde om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen.
5 Klacht (d) gaat eraan voorbij dat wanneer een schuldenaar nalaat juiste, actuele en volledige informatie te verschaffen over zijn inkomsten, de bewindvoerder niet kan nagaan of de schuldenaar zich daadwerkelijk inspant om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers, hetgeen – zoals het hof heeft overwogen – een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling kan beletten (vgl. HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, NJ 2002/259). De relevantie van de betreffende inkomsten is daarmee gegeven. Klacht (f) faalt. Opmerking verdient overigens dat het middel niet klaagt dat het hof ten onrechte niet op de voet van het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad (expliciet) heeft beoordeeld of, in het licht van de omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.
6 Klacht (e) treft geen doel, aangezien ook in cassatie niet duidelijk is gemaakt dat en waarom het bestaan van alimentatieverplichtingen en/of een bepaalde draagkracht [verzoeker] beletten om inlichtingen over zijn inkomsten te verstrekken. Klacht (g) vormt een ontoelaatbaar novum. .
Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G