Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.8
4.8 De beslagsyllabus
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494608:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld: HR 3 oktober 2003, LJN: AI0347, NJ 2004, 557 m.nt. H.J. Snijders (Ontvanger/Heemhorst) waarin de Hoge Raad bepaalde dat een belastingaanslag heeft te gelden als een ‘eis in hoofdzaak’ ex artikel 700 lid 3 eerste zin Rv. Opgenomen in bepaling C. op p. 1011 van de Beslagsyllabus augustus 2012.
Bijvoorbeeld: vzr. rechtbank Amsterdam 28 augustus 2006, LJN: AZ4038, NJF 2006, 550, inzake de nadere bepaling dat beslaglegging ten laste van een financiële instelling in beginsel niet wordt verleend, hetgeen een uitwerking vormt van artikel 700 lid 4 Rv, hetwelk bepaalt dat verlof onder een financiële instelling slechts wordt verleend nadat de instelling in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, tenzij het beslag uitsluitend op zaken betrekking heeft. Opgenomen in bepaling B. op p. 9-10 van de Beslagsyllabus augustus 2012.
Appèl wordt naar schatting ingesteld tegen minder dan vijf procent van de appellabele uitspraken: Snijders e.a. 2007, p. 273.
Bovendien casseert men tegen een beslissing van de laatste feitelijke rechter(s). Complicerende factor hierbij is dat het gerechtshof niet gehouden is om bij de beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing en – binnen de rechtsstrijd in appèl – een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, een rechtersregeling van een lagere rechter toe te passen, hetgeen tot gevolg kan hebben dat het besluit in hoger beroep wordt genomen zonder toepassing of uitspraak over de rechtersregeling, als gevolg waarvan de rechtersregeling ook niet later in cassatie aan de orde kan komen (devolutieve werking van uitspraak in hoger beroep).
In kantonzaken bijvoorbeeld is ingevolge art. 332 lid 1 Rv hoger beroep voor vorderingen in hoofdzaak onder de € 1.750,- uitgesloten (Mak 2007, p. 220-221). Cassatie van nonappellabele kantonrechtervonnissen staat slechts open wegens motiveringsgebreken, cassatie wegens schending van het recht is hier dus niet mogelijk (Snijders e.a. 2007, p. 292-293). Beslissingen van de kantonrechter inzake ontbinding van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:685 lid 11 BW kennen een rechtsmiddelenverbod (Teuben 2004, p. 90).
HR 25 september 2009, LJN BI8517, NJ 2009, 460 (Hagemeyer/Curatoren). De Hoge Raad komt tot dit oordeel op de navolgende gronden (rov. 3.4): 1. Het opheffingskortgeding van art. 705 Rv biedt een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang om tegen het beslag op te komen. 2. Het is uit het oogpunt van rechtszekerheid niet wenselijk de geldigheid van het verlof afhankelijk te laten zijn van een hoger beroep. 3. Niet is aannemelijk dat de wetgever in deze situatie een uitzondering op het rechtsmiddelenverbod heeft willen maken.
Bijvoorbeeld: het eerder genoemde HR 23 december 1977, LJN AC6153, NJ 1978/296 (Koraal c.s./Smit & Bolnes), waarin de beslaglegger hoger beroep en cassatie instelde naar aanleiding van een geweigerd verlof tot het leggen van conservatoir beslag.
Bijvoorbeeld: HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007,483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baaien c.s.). Waarbij door Bijl in kort geding opheffing van een conservatoir werd gevorderd in de situatie dat de vordering tot verzekering waarvan beslag was gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg was afgewezen. Het vonnis van de vzr. rb. Amsterdam werd door het gerechtshof te Arnhem bekrachtigd, waarop door Bijl beroep in cassatie werd ingesteld.
In het voorgaande is vastgesteld dat de (bepalingen) van de Beslagsyllabus op grond van de criteria van het Rolrichtlijnen-arrest niet als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO worden gekwalificeerd. Zij dienen derhalve te worden gezien als aanbevelingen, die de rechter bij zijn oordeelsvorming kan gebruiken. Zij zijn niet vooraf bindend. De verbindendheid (achteraf) kan worden gebaseerd op verticale of horizontale precedentwerking. In beide gevallen is de grondslag gelegen in de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging (met name het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel). In het eerste geval moet men denken aan een bepaling in de Beslagsyllabus welke in overeenstemming is met een uitspraak van een der hoogste rechtscolleges; deze is (achteraf, of misschien beter: vervolgens) verbindend voor iedere rechter binnen de hiërarchie van de rechtspraak.1 Bepalingen welke binding verkrijgen op grond van horizontale precedentwerking (achteraf) kunnen slechts werking hebben voor rechters op hetzelfde niveau. De rechter dient de regeling, behoudens een inherente afwijkingsbevoegdheid, in voorkomende gevallen toe te passen. Deze vorm van binding, die op de Beslagsyllabus van toepassing is, is minder bepaald daar waar het het duiden van het moment van ingang van binding betreft. Dit heeft tot gevolg dat daardoor vanuit een theoretisch oogpunt door betrokkenen verschillend tegen (het moment van) het intreden van binding aangekeken kan worden. Voor justitiabelen lijkt het minder voor de hand liggend om de totstandkoming van een dergelijk bindingsmoment mee te laten wegen bij de vraag of de voorschriften in de Beslagsyllabus al dan niet worden gevolgd. Voor hen zal het moment van publicatie van een nieuwe versie van de Beslagsyllabus bepalend zijn, en feitelijk overeenkomen met inwerkingtreding van de regeling. Het ligt niet voor de hand om de voorschriften in de Beslagsyllabus niet te volgen wegens (een vermeend) gebrek aan verbindendheid. De kans is immers groot dat verlof geweigerd wordt indien de verzoeker de voorschriften niet volgt.
Via horizontale precedentwerking verbindende regels kunnen qua inhoud en toepassing op zichzelf niet in cassatie worden getoetst omdat geen sprake is van recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO.2 Wel kan een besluit dat (mede) ziet op een bepaling uit de Beslagsyllabus in beginsel worden getoetst op strijd met bestaande (hogere) rechtsregels omdat die rechtsregels immers wel steeds zijn te beschouwen als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO. Indien men als uitgangspunt neemt dat een rechtersregeling steeds een nadere uitwerking is van een beslissingsruimte waarover de rechter reeds op grond van een bestaande wettelijke regel beschikt, zal een dergelijke toetsing dus steeds mogelijk zijn. Ook langs de weg van een motiveringsklacht kan (een bepaling uit) de Beslagsyllabus in beginsel uiteindelijk onderwerp van beoordeling in cassatie worden. De kans hierop is echter gering omdat het veelal zal gaan om de beantwoording van een rechtsvraag (uitleg of toepassing van een bestaande, in de Beslagsyllabus nader uitgewerkte rechtsregel, of toetsing aan verder afgelegen rechtsregel). Voor zover het om een gemengde beslissing gaat zal de Hoge Raad beperkt toetsen indien het om invulling van beleidsruimte gaat, die over het algemeen als behorend tot de taakstelling van de lagere rechter wordt beschouwd.
Het aantal zaken dat wordt gecasseerd en dat betrekking heeft op bepalingen in de Beslagsyllabus is gering. Hiervoor zijn algemene en specifieke oorzaken te noemen. Een algemene reden is dat slechts die zaken getoetst kunnen worden die de cassatierechter bereiken, en dat aantal is zeer beperkt: hiervoor moet immers een rechtsmiddel worden aangewend, hetgeen door partijen moet worden geïnitieerd en in de praktijk niet veelvuldig gebeurt.3 In die schaarse gevallen dat dit wel het geval is, dient het cassatiemiddel ook nog zodanig te zijn geredigeerd dat hieruit een mogelijkheid tot toetsing van een rechtersregeling volgt.4 Daarnaast stelt de wet op diverse plaatsen beperkingen aan de mogelijkheid tot het instellen van rechtsmiddelen.5 Ook de beschikking, waarin door de voorzieningenrechter verlof tot het leggen van conservatoir beslag wordt verleend, kent krachtens artikel 700 lid 2 Rv, slot, een rechtsmiddelenverbod:
‘Tegen een krachtens dit lid gegeven verlof is geen hogere voorziening toegelaten’.
De omstandigheid dat de gerekwestreerde op het verzoek is gehoord brengt hierin geen verandering.6 Het is de verzoeker van verlof tot conservatoir beslag wel mogelijk om hoger beroep en cassatie tegen de afwijzing van het verzoek in te stellen; het rechtsmiddelenverbod ziet immers uitsluitend op afgegeven verloven.7 De beslagene is voor verweer aangewezen op het instellen van een opheffingskortgeding ex artikel 705 Rv.8 Tegen een uitspraak in opheffingskortgeding kan (door beide partijen) hoger beroep en cassatie worden ingesteld.9 In de praktijk bereikt zo nu en dan een zaak waarin een (bepaling uit) de Beslagsyllabus aan de orde is, de hoger beroep- of cassatierechter. Dit zal, voor zover het het instellen van een rechtsmiddel door de beslaglegger betreft, in de rechtspraktijk slechts het geval zijn indien de verrassingsfactor van het beslag geen rol (meer) speelt: de beoogd beslagene zal met het instellen van een rechtsmiddel immers op de hoogte van het voornemen om beslag te leggen geraken.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de bepalingen uit de Beslagsyllabus via indirecte weg onderwerp kunnen worden van toetsing in hoger beroep en cassatie. Uitspraken van de hogere rechtscolleges die betrekking hebben op bepalingen uit de Beslagsyllabus werken via verticale precedentwerking door in de rechtspraak van lagere rechters. Het feit dat de Beslagsyllabus niet wordt gekwalificeerd als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO betekent dus geenszins dat geen toetsing en beïnvloeding door hogere rechtspraak kan plaatsvinden. Voor de inhoud van de Beslagsyllabus heeft toetsing aan het recht (rechtsregel waar de Beslagsyllabus een nadere uitwerking of uitleg aan geeft en verder afgelegen regels) potentieel de grootste invloed. Uiteraard laat dit onverlet de mogelijkheid van de wetgever om op bepalingen in de Beslagsyllabus in te grijpen door met nadere regelgeving met betrekking tot de beoordeling van beslagrekesten vast te stellen. Dit is overigens tot op heden nimmer gebeurd.