NJ 2026/39
Verdachte en medeverdachte geen werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
HR 16-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1878
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 december 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, M. Kuijer
- Zaaknummer
23/02332
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD43596:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsomstandigheden en beroepsschade
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Vervoersrecht / Zeevervoer
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1878, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:948, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2024
- Wetingang
Art. 261 Sv; art. 32 Arbeidsomstandighedenwet; art. 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet; art. 7:694 BW
Essentie
OM-cassatie. Toereikend oordeel dat verdachte en de medeverdachte niet kunnen worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Vrijspraak toereikend gemotiveerd, gelet op kennelijke uitleg van de tenlastelegging.
Samenvatting
- 1.
Art. 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet bevat een uitputtende opsomming van de (rechts)personen die als ‘werkgever’ en ‘werknemer’, zoals bedoeld in die wet kunnen worden aangemerkt. Uitgangspunt van die wet is dat de normen van de Arbeidsomstandighedenwet zich ‘richten tot degene die het meest in staat is het doel van de normen te verwezenlijken’. In geval van een zee-arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:694 BW ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.