Parketnummer: 20-003767-19. Dit arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2023:1815.
HR, 16-12-2025, nr. 23/02332
ECLI:NL:HR:2025:1878
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-12-2025
- Zaaknummer
23/02332
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1878, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1815
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:948
ECLI:NL:PHR:2025:948, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1878
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0413
Jurisprudentie HSE 2025/186
Jurisprudentie HSE 2025/135
Uitspraak 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Economische zaak. Arbeidsongeval waarbij werknemer tijdens laden van containers is omgekomen. Vrijspraak van medeplegen overtreding Arbeidsomstandighedenwet (art. 32 Arbowet). 1. Kon hof vaststellen dat scheepvaartonderneming de scheepsbeheerder van schip is en dat slachtoffer ter beschikking was gesteld aan scheepvaartonderneming? 2. Kan verdachte dan wel medeverdachte worden aangemerkt als ‘werkgever’ a.b.i. art. 1 (oud) Arbowet? 3. Grondslagverlating. Heeft hof de grondslag van tll. verlaten door verdachte vrij te spreken van gehele tll. o.g.v. enkele omstandigheid dat niet verdachte of medeverdachte maar scheepvaartonderneming de werkgever was van slachtoffer? Ad 1. Hof heeft gevolgtrekking dat werkzaamheden onder toezicht en leiding van scheepvaartonderneming werden verricht, niet alleen gebaseerd op genoemde vaststellingen. In cassatie wordt bovendien beroep gedaan op feiten en omstandigheden waarvan niet blijkt dat deze in hoger beroep door OM zijn aangevoerd. Nu deze f&o in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden onderzocht, kunnen deze niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht. Ad 2. Art. 1 (oud) Arbowet bevat uitputtende opsomming van (rechts)personen die als ‘werkgever’ en ‘werknemer’, a.b.i. die wet kunnen worden aangemerkt. Daaruit volgt verder dat uitgangspunt van die wet is dat normen van Arbowet zich ‘richten tot degene die meest in staat is doel van normen te verwezenlijken’. In licht van dit uitgangspunt en gelet op wat in wetsgeschiedenis van Arbeidsomstandighedenwet 1998 en wetsgeschiedenis van Wet zeevarenden is overwogen over taken en verantwoordelijkheden en gezag van scheepsbeheerder, moet worden aangenomen dat in geval van zee-arbeidsovereenkomst a.b.i. art. 7:694 BW in het algemeen scheepsbeheerder is aan te merken als werkgever van zeevarende die op betreffend schip werkt. Hof heeft vastgesteld dat scheepvaartonderneming de scheepsbeheerder van schip is, dat tussen verdachte en slachtoffer gesloten zee-arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd als uitzendovereenkomst op basis waarvan slachtoffer aan boord van schip werkzaamheden diende te verrichten en dat slachtoffer t.t.v. ongeval ook daadwerkelijk aan boord van schip werkzaam was. Hof heeft geoordeeld dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat slachtoffer t.t.v. ongeval door verdachte ter beschikking was gesteld aan scheepvaartonderneming om krachtens een door deze aan verdachte verstrekte opdracht arbeid te verrichten aan boord van schip onder toezicht en leiding (gezag) van scheepvaartonderneming als scheepsbeheerder. ‘s Hofs op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte noch medeverdachte kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ a.b.i. art. 1 (oud) Arbowet getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 3. Art. 32 Arbowet is gericht tot ‘werkgever’. Voor medeplegen van kwaliteitsdelict is niet vereist dat verdachte over betreffende kwaliteit, in dit geval die van werkgever, beschikt (vgl. HR:2006:AU9096). ’s Hofs oordeel dat voor veroordeling van medeplegen overtreding van art. 32 Arbowet is vereist dat verdachte dan wel betrokken medepleger kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ a.b.i. art. 1 (oud) Arbowet, is juist. Hof heeft overwogen dat noch verdachte noch medeverdachte kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken van medeplegen overtreding van art. 32 Arbowet. Hof heeft in dat verband tll. kennelijk zo opgevat dat deze verwijt inhoudt dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte de betreffende overtreding heeft begaan. Deze aan feitenrechter voorbehouden uitleg van tll. is niet onverenigbaar met bewoordingen ervan en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van medeplegen overtreding van art. 32 Arbowet ook in zoverre niet van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. grondslagverlating. Samenhang met 23/02333 E.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02332 E
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 2 juni 2023, nummer 20-003767-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De raadsman van de verdachte, N. Gonzales Bos, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof voor wat betreft de beslissing over het onder 1 tenlastegelegde en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, zodat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak
2.1
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
“zij op of omstreeks 18 mei 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als werkgever al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar zij en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers te weten [slachtoffer] ontstond of te verwachten was, immers
- heeft zij en/of haar mededader(s) bij het laden van het schip [A] in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het gevaar dat die werknemer werd getroffen of geraakt door een container of het gevaar dat hij bekneld raakte tussen containers niet voorkomen of – indien dat niet mogelijk was – zoveel mogelijk beperkt en/of
- heeft zij en/of haar mededader(s) in strijd met artikel 7.18a lid 7, 8 en/of 9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl niet geleide lasten, te weten containers, met de hand werden vast- of losgemaakt, die werkzaamheden niet zodanig georganiseerd dat de werknemer deze handelingen veilig kon verrichten en hierover direct of indirecte controle behield en/of niet alle handelingen voor het hijsen of heffen van die containers correct gepland teneinde de veiligheid van de werknemers te garanderen en/of die handelingen niet onder doeltreffend toezicht uitgevoerd.”
2.2
Het hof heeft de verdachte daarvan vrijgesproken. Het heeft daartoe overwogen:
“Door de verdediging is – op de gronden zoals neergelegd in de pleitnota – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte op basis van de arbeidsovereenkomst tussen de verdachte en het [slachtoffer] , heeft geconcludeerd dat verdachte als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet kan worden aangemerkt daar niet was gebleken dat [slachtoffer] jegens een ander dan verdachte gehouden was tot het verrichten van arbeid. Gelet hierop is de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring gekomen van het tenlastegelegde kwaliteitsdelict.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde feit, en voor zover hier van belang, luidt:
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. werkgever:
1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.
Het is de werkgever in de zin van artikel 1, onder a, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) ingevolge artikel 32 van die wet verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met die wet of de daarop berustende bepalingen (in casu zoals tenlastegelegd de artikelen 3.17, 7.18, lid 7, en 7.18a, leden 7, 8, en/of 9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit) indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.
Het hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
Blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel richt verdachte zich met name op werkzaamheden bestaande uit:
Het zowel voor eigen rekening, als voor rekening van derden exploiteren van schepen en andere vaartuigen, het optreden als boekhouder van rederijen en het verlenen van andere diensten aan ondernemingen, werkzaam op het gebied van de scheepvaart.
Uit hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte en de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep hebben aangevoerd, begrijpt het hof dat verdachte zich voornamelijk bezighoudt met het uitlenen van bemanningen.
Voorts staat vast dat er op het moment van het tenlastegelegde feit tussen [slachtoffer] en de verdachte, een zogenaamde zee-arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:694, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) gold.
Artikel 7:694, eerste lid BW luidt:
De zee-arbeidsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, waarbij de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten.
Artikel 7:690 BW definieert de uitzendovereenkomst als volgt:
De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
Artikel 2 van de tussen [slachtoffer] en [verdachte] B.V. afgesloten zee-arbeidsovereenkomst d.d. 3 mei 2016, vermeldt: “During the period of this Individual Working Contract the Rating (hof: [slachtoffer] ) shall be employed in the capacity of an o.s. (hof: ordinary seaman) on board the m.v. (hof: motor vessel) [A] .”
Het gaat hier aldus om een zee-arbeidsovereenkomst die beschouwd kan worden als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW, nu daarin wordt bepaald dat [slachtoffer] door verdachte te werk zal worden gesteld aan boord van het zeeschip “ [A] ”, hetgeen op 18 mei 2016 ook daadwerkelijk het geval was. Destijds, zo blijkt uit het dossier, was scheepvaartonderneming [B] , de scheepsbeheerder (c.q. de eigenaar van het schip).
[slachtoffer] was niet rechtstreeks in dienst van de scheepsbeheerder, hetgeen betekent dat het niet anders kan zijn dan dat [slachtoffer] door middel van terbeschikkingstelling – door [verdachte] B.V. aan de scheepsbeheerder – aan boord van de “ [A] ” werkzaam was en gehouden was aldaar de voor hem gebruikelijke werkzaamheden als matroos te verrichten. In dit geval was [slachtoffer] samen met de andere matrozen belast met het plaatsen, corrigeren en verwijderen van zogenoemde ‘twistlocks’ ten behoeve van het laden van de containers op het schip door stuwadoorsbedrijf [C] .
Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande voldoende komen vast te staan dat [slachtoffer] ten tijde van het incident aan boord van de “ [A] ” op 18 mei 2016 door verdachte ter beschikking was gesteld aan scheepsbeheerder [B] om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de scheepsbeheerder [B] .
Het hof is met de raadsman van oordeel dat dit tot de conclusie moet leiden dat [verdachte] B.V. in dezen niet als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Arbowet kan worden aangemerkt.
Het zijn van ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, onder a, juncto artikel 32 van de Arbowet vormt een constitutief bestanddeel van het aan de verdachte gemaakte verwijt, inhoudende een kwaliteitsdelict, op grond waarvan enkel degene met de kwaliteit van ‘werkgever’ strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Volgens bestendige jurisprudentie is het mogelijk om kwaliteitsdelicten mede te plegen zonder de vereiste kwaliteit te hebben. Dan geldt echter wel dat in ieder geval één van de betrokken medeplegers de voor een bewezenverklaring vereiste kwalitatieve hoedanigheid heeft, in dit geval het zijn van ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, onder a, juncto artikel 32 van de Arbowet. Nu de verdachte en [medeverdachte] B.V. geen van beiden als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, wordt niet voldaan aan een constitutief bestanddeel van de delictsomschrijving. Gelet hierop zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit.”
3. Juridisch kader
3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet:
“Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.”
“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:a. werkgever:1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:a. werkgever:1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen;b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.”
- Artikel 7:694 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“De zee-arbeidsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, waarbij de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten.”
- Artikel 7:690 BW:
“De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.”
- Artikel 1 lid 1 onder l van de Wet zeevarenden (oud), zoals dat luidde tot 1 juli 2025:
“scheepsbeheerder: de eigenaar of rompbevrachter van een schip, of een vennootschap als bedoeld in artikel 311, derde lid, van het Wetboek van Koophandel aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgedragen (...)”.
3.2
De huidige Arbeidsomstandighedenwet is voorafgegaan door de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stb. 1999, 184) en de Arbeidsomstandighedenwet 1980 (Stb. 1980, 664). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Arbeidsomstandighedenwet 1980 houdt over het begrip ‘werkgever’ – waarvan de definitie in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in de kern is overgenomen – onder meer in:
“Overeenkomstig hetgeen in vele, ook buitenlandse, wetten wordt aangetroffen knoopt het ontwerp aan bij de gangbare begrippen «werkgever» en «werknemer» en geeft het hiervan een definitie.
Als werkgever wordt allereerst beschouwd hij die een ander hetzij op grond van een arbeidsovereenkomst volgens het Burgerlijk Wetboek, hetzij uit hoofde van een publiekrechtelijke aanstelling in dienst heeft. Hoewel met deze formulering het overgrote deel van de in dienstverband werkzame personen onder de werkingssfeer van de wet wordt gebracht, kan hiermee om tweeërlei reden toch niet worden volstaan.
Allereerst diende een regeling te worden getroffen voor de niet zeldzame gevallen, dat werknemers door hun werkgever aan een andere werkgever worden uitgeleend voor het verrichten van normale bedrijfsarbeid. Volgens de bestaande wet draagt de werkgever-inlener de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en gezondheid van deze werknemers: zij verrichten immers arbeid in zijn onderneming, zodat hij als hoofd of bestuurder de geëigende persoon is om de wettelijke arbeidsbeschermende maatregelen te treffen. De ontwerp-wet handhaaft deze figuur door in artikel 1, onder a, 1°, de uitlener aan het begrip «werkgever» te onttrekken en vervolgens onder 2° de inlener tot werkgever te bestempelen.
Tweede lid. Een tweede voorziening is noodzakelijk voor die gevallen, dat noch van een arbeidsverhouding noch van een publiekrechtelijke aanstelling sprake is, terwijl toch arbeid wordt verricht door personen in een gezagsverhouding tot een ander lid van wie zij, voor wat hun veiligheid en gezondheid betreft, afhankelijk zijn. Men kan hierbij zowel denken aan de onderwijssector - zie artikel 1, onder c, van de bestaande wet - alsook aan bij voorbeeld personen, vooral jeugdigen, die als stagiair of leerling in een bedrijf werkzaam zijn en als zodanig eveneens onder de bescherming van de bestaande wet vallen. Ook in gevallen dat sprake is van een overeenkomst tot het verrichten van enige diensten in de zin van het Burgerlijk Wetboek kunnen beschermende maatregelen noodzakelijk zijn.
Voor deze en analoge situaties moest naar een oplossing worden gezocht. In de bestaande wet is deze gevonden in de mogelijkheid tot gelijkstelling met een «onderneming», waardoor men de wet kan aanpassen naarmate de behoefte daaraan zich doet gevoelen. Het ontwerp kiest voor een tegengestelde benadering en bepaalt in het tweede lid, dat ieder die een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten, in beginsel als werkgever in de zin der wet wordt beschouwd. Het toepassingsgebied van de wet wordt hiermede weliswaar ruimer dan dat van de bestaande wet, doch hierin is voorzien door het nog nader toe te lichten artikel 2.”(Kamerstukken II 1978/79, 14497, nr. 3, p. 20.)
3.3
De memorie van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Arbeidsomstandighedenwet 1980 houdt over het begrip ‘werkgever’ onder meer in:
“De uitbreiding van het begrip werkgever is in artikel 1, tweede lid, van het wetsontwerp gezocht in een zeer algemene formule, verband houdende met het feit, dat het hier gaat om het bevorderen van gunstige omstandigheden overal waar mensen arbeid verrichten in afhankelijkheid van een ander. Volgens die formule wordt onder werkgever mede verstaan: «degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten».
In de memorie van toelichting is erop gewezen, dat deze bepaling onder andere van belang is voor leerlingen en stagiairs. Het feitelijk onder zijn gezag een ander arbeid doen verrichten brengt de aansprakelijkheid voor de veiligheid enz. mee, ongeacht de rechtsverhouding tussen degene die het gezag uitoefent en degene die de arbeid verricht, behoudens dat hier niet bedoeld worden de werkgever en de werknemer in de zin van de arbeidsovereenkomst of de publiekrechtelijke aanstelling.
(...)
Verschillende fracties hebben vragen gesteld over het feit dat in het wetsontwerp niet alleen de werkgever verantwoordelijk wordt gesteld voor de naleving van de krachtens artikel 21 gestelde voorschriften maar in bepaalde gevallen (...) tevens een derde. (...) Aldus voorziet het wetsontwerp in een stelsel volgens hetwelk de normen zich uitsluitend richten tot degene die het meest in staat is het doel van de normen te verwezenlijken.”
(Kamerstukken II 1978/79, 14497, nr. 5, p. 48-49, 71 en 72.)
3.4
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Arbeidsomstandighedenwet 1998 houdt over het begrip ‘werkgever’ als bedoeld in artikel 1 lid 1 en 2 (oud) Arbeidsomstandighedenwet – waarvan de definitie in de huidige bepaling is overgenomen – onder meer in:
“De werkingssfeer van de wet wordt bepaald door de inhoud die aan de begrippen werkgever en werknemer wordt gegeven.
Werkgever is degene ten opzichte van wie een ander (de werknemer) verplicht is arbeid te verrichten. Deze verplichting vloeit voort uit een arbeidsovereenkomst of uit een publiekrechtelijke aanstelling. Dit is bepaald in het eerste lid. Daarin is tevens bepaald dat niet de «uitlener» van arbeidskrachten (het uitzendbureau) werkgever in de zin van de wet is, maar de «inlener» van de arbeidskrachten.
In het tweede lid wordt bepaald dat – ook al is er geen arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling – er dan toch sprake kan zijn van een werkgever-werknemerrelatie in de zin van de wet, indien arbeid onder gezag wordt verricht. Denk hierbij aan stagiaires en aan mensen die vrijwilligerswerk verrichten.”
(Kamerstukken II 1997/98, 25879, nr. 3, p. 35-36.)
3.5
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet zeevarenden (oud) houdt over de rechten en de verplichtingen van de scheepsbeheerder onder meer in:
“Hoofdstuk 1 van het wetsvoorstel bevat de definities en de werkingssfeer van de wet. De definities van deze wet wijken hier en daar iets af van de tot op heden gebruikelijke. Zo wordt niet de eigenaar (de «reder» in het Burgerlijk Wetboek) of rompbevrachter maar de scheepsbeheerder als drager van rechten en verplichtingen aangewezen. Deze scheepsbeheerder is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die – vanuit een vestiging in Nederland van een zeescheepvaartonderneming – is belast met de dagelijkse leiding over het beheer van een Nederlands schip.”
4. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte noch de [medeverdachte] kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet.
4.2
Het cassatiemiddel klaagt allereerst over de begrijpelijkheid van de door het hof gedane vaststellingen dat (i) [B] (hierna: [B] ) scheepsbeheerder is van het schip m.s. [A] , en dat (ii) [slachtoffer] ter beschikking was gesteld aan die [B] .
4.3
Anders dan deze klachten tot uitgangspunt nemen, heeft het hof de gevolgtrekking dat de werkzaamheden onder toezicht en leiding van [B] werden verricht, niet alleen gebaseerd op de genoemde vaststellingen. In de toelichting op deze klachten in de cassatieschriftuur wordt bovendien een beroep gedaan op feiten en omstandigheden waarvan niet blijkt dat deze in hoger beroep door het openbaar ministerie zijn aangevoerd. Nu deze feiten en omstandigheden in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden onderzocht, kunnen deze niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht. Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
4.4
Het cassatiemiddel klaagt verder over het oordeel van het hof dat, in het licht van de zee-arbeidsovereenkomst die gold tussen de verdachte en [slachtoffer] , de verdachte noch de [medeverdachte] kon worden aangemerkt als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet.
4.5.1
De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op artikel 32 in samenhang met artikel 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘werkgever’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepalingen.
4.5.2
Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader volgt dat artikel 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet een uitputtende opsomming bevat van de (rechts)personen die als ‘werkgever’ en ‘werknemer’, zoals bedoeld in die wet kunnen worden aangemerkt. Daaruit volgt verder dat uitgangspunt van die wet is dat de normen van de Arbeidsomstandighedenwet zich “richten tot degene die het meest in staat is het doel van de normen te verwezenlijken”. In het licht van dit uitgangspunt en gelet op wat onder 3.4 en 3.5 is overwogen over de taken en verantwoordelijkheden en het gezag van de scheepsbeheerder, moet worden aangenomen dat in geval van een zee-arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:694 BW in het algemeen de scheepsbeheerder is aan te merken als de werkgever van een zeevarende die op het betreffende schip werkt.
4.6.1
Het hof heeft vastgesteld dat [B] de scheepsbeheerder van de m.s. [A] is. Het hof heeft verder vastgesteld dat de tussen de verdachte en [slachtoffer] gesloten zeearbeidsovereenkomst kan worden beschouwd als uitzendovereenkomst op basis waarvan [slachtoffer] aan boord van m.s. [A] werkzaamheden diende te verrichten en dat [slachtoffer] ten tijde van het ongeval ook daadwerkelijk aan boord van m.s. [A] werkzaam was. Het hof heeft geoordeeld dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat [slachtoffer] ten tijde van het ongeval door de verdachte ter beschikking was gesteld aan [B] om krachtens een door deze aan de verdachte verstrekte opdracht arbeid te verrichten aan boord van de m.s. [A] onder toezicht en leiding (gezag) van de scheepsbeheerder [B] .
4.6.2
Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat noch de verdachte noch de [medeverdachte] kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet getuigt, in het licht van wat is overwogen onder 4.5.2, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt ook in zoverre.
5. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door de verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging (het tenlastegelegde medeplegen van de overtreding van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet) op grond van de enkele omstandigheid dat niet de verdachte of de [medeverdachte] , maar [B] , de werkgever was van [slachtoffer] .
5.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft het openbaar ministerie daar onder meer aangevoerd:
“De rechtbank heeft geoordeeld dat [medeverdachte] en [verdachte] gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het tenlastegelegde feit. Ik sluit mij daarbij aan. Dat er mogelijk ook anderen verantwoordelijk waren voor de gang van zaken ontslaat de B.V.’s niet van hun verantwoordelijkheid in deze.
(...)
[verdachte] had [slachtoffer] in dienst; er was alleen een arbeidsovereenkomst met [verdachte] . [medeverdachte] staat weliswaar niet als werkgever te boek, maar voor het medeplegen van het tenlastegelegde is niet vereist dat door beide rechtspersonen aan alle bestanddelen van de tenlastelegging wordt voldaan. Ik zie geen reden om het anders te doen dan de rechtbank en vorder integrale bevestiging van het vonnis waarvan beroep.”
5.3
Artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet is gericht tot de ‘werkgever’. Voor het medeplegen van een kwaliteitsdelict is niet vereist dat een verdachte over de betreffende kwaliteit, in dit geval die van werkgever, beschikt. (Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9096). Het oordeel van het hof dat voor een veroordeling van het medeplegen van overtreding van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet is vereist dat de verdachte dan wel een betrokken medepleger kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet, is juist.
5.4
Het hof heeft overwogen dat noch de verdachte noch de [medeverdachte] kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ en dat de verdachte daarom moet worden vrijgesproken van het medeplegen van overtreding van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet. Het hof heeft in dat verband de onder 2.1 weergegeven tenlastelegging kennelijk zo opgevat dat deze het verwijt inhoudt dat de verdachte tezamen en in vereniging met de [medeverdachte] de betreffende overtreding heeft begaan. Deze aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de tenlastelegging is niet onverenigbaar met de bewoordingen ervan en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Gelet hierop getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van overtreding van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet ook in zoverre niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
5.5
Het cassatiemiddel faalt.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 1 en 32 Arbowet. Dodelijk ongeval op schip bij laden containers. Vrijspraak van medeplegen van overtreding Arbowet. OM-cassatie. M1: Klachten over oordeel hof dat verdachte en andere rechtspersoon niet zijn aan te merken als 'werkgever' in zin van art. 1 Arbowet. M2: Klachten over vrijspraak van medeplegen. AG: gelet op niet onbegrijpelijke vaststellingen hof faalt M1. M2 slaagt. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/02333 E.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02332 E
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 2 juni 20231.vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. Verder heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/02333 E. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.2.
1.3
Namens het openbaar ministerie heeft G.K. Schoep, plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft N. Gonzalez Bos, advocaat in ’s-Hertogenbosch, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
1.4
Beide middelen van het openbaar ministerie richten zich tegen de motivering door het hof van de beslissing tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Het eerste middel klaagt over het oordeel dat noch de verdachte, noch de medeverdachte kan worden aangemerkt als ‘werkgever’ in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Het tweede middel klaagt over het oordeel dat geen sprake is van medeplegen.
1.5
Ik geef eerst de relevante delen van de processtukken weer. Daarna bespreek ik de cassatiemiddelen.
2. De relevante delen van de processtukken
2.1
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“zij op of omstreeks 18 mei 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als werkgever al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar zij en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers te weten [slachtoffer] ontstond of te verwachten was, immers
- heeft zij en/of haar mededader(s) bij het laden van het schip [naam] in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het gevaar dat die werknemer werd getroffen of geraakt door een container of het gevaar dat hij bekneld raakte tussen containers niet voorkomen of - indien dat niet mogelijk was - zoveel mogelijk beperkt en/of
- heeft zij en/of haar mededader(s) in strijd met artikel 7.18 lid 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit geen doeltreffende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat die werknemer zich niet ophield onder hangende lasten, te weten containers en/of
- heeft zij en/of haar mededader(s) in strijd met artikel 7.18a lid 7, 8 en/of 9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl niet geleide lasten, te weten containers, met de hand werden vast- of losgemaakt, die werkzaamheden niet zodanig georganiseerd dat de werknemer deze handelingen veilig kon verrichten en hierover direct of indirect controle behield en/of niet alle handelingen voor het hijsen of heffen van die containers correct gepland teneinde de veiligheid van de werknemers te garanderen en/of die handelingen niet onder doeltreffend toezicht uitgevoerd.”
2.2
De raadsman heeft op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2023 een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Daarin staat vermeld (zonder voetnoten):
“V. DE ROL VAN [betrokkene 1]
28. Dan, voor wat betreft de rol van [betrokkene 1] het volgende. [betrokkene 1] is de eigenaar (de reder) en de scheepsbeheerder van de [naam] .
29. Met de scheepsbeheerder wordt volgens artikel 1 lid 1 sub l van de Wet zeevarenden bedoeld:
‘scheepsbeheerder: de eigenaar of de rompbevrachter van een schip, of een vennootschap als bedoeld in artikel 311, derde lid, van het Wetboek van Koophandel aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgedragen, (...);’
30. In de Memorie van Toelichting bij de implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag (‘MAV’) wordt het begrip scheepsbeheerder als volgt nader toegelicht:
“Het cursieve gedeelte geeft de kern van de definitie weer: het betreft de partij die de verantwoordelijkheid heeft over de exploitatie van het schip. Als verantwoordelijke voor de naleving van de regels ter implementatie van het MAV zal steeds deze partij moeten worden benoemd. Op grond van artikel 311 WvK en artikel 3 Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting kunnen drie entiteiten een schip in commerciële vaart laten registreren als Nederlands schip:
1. de eigenaar van het schip (de reder of de kapitein-eigenaar, art. 311, eerste en tweede lid WvK); 2. de rompbevrachter (art.3 Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting);
3. de scheepsmanager (art. 311, derde lid WvK).
Afhankelijk van de registratie van een schip zal één van deze drie entiteiten - gelet op de omschrijving van het begrip reder in het MAV - verantwoordelijk zijn voor de naleving van dit verdrag en daarop voor de zeevarenden aan boord van het desbetreffende schip aanspreekbaar moeten kunnen zijn':
(onderstreping raadsman)
31. De [naam] was niet in rompbevrachting gegeven, zodat geen sprake was van een rompbevrachter, terwijl de (in Nederland gevestigde) reder - [betrokkene 1] - de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip evenmin had overgedragen aan een derde partij. Als dat laatste het geval was geweest dan had [betrokkene 1] dit moeten aangeven bij het aanvragen van de zeebrief bij de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (‘ILenT’) (zie de memorie van toelichting en zie de e-mail van [betrokkene 2] van ILenT aan [betrokkene 3] van de Koninklijke Vereniging van Reders (KVNR) van 18 maart 2021 (zie bijlage 2). Dit is echter niet gebeurd.
32. Kortom, [betrokkene 1] had als scheepsbeheerder het gezag over de kapitein en de bemanning (waaronder [slachtoffer] ) en dient naast het hiervoor besproken artikel 1 lid 1 onder a van de Arbowet mede op basis van het zojuist genoemde artikel 1 lid 1 sub I van de Wet zeevarenden, alsook de Memorie van Toelichting bij het MAV te worden beschouwd als de inlener van de bemanning ten opzichte van de formele werkgevers ( [verdachte] en de hiervoor genoemde maritieme uitzendbureaus). Daarmee is [betrokkene 1] , als opgemerkt, de werkgever als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a onder 2° Arbowet waarop de tenlastelegging het oog heeft.”
2.3
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2023 houdt in:
“De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir:
Ik verwijs naar de inhoud van het door de officier van justitie in eerste aanleg op schrift gestelde requisitoir alsmede naar diens repliek, zoals opgenomen op pagina 10 van het proces-verbaal van de zitting van 5 november 2019. De rechtbank heeft geoordeeld dat [medeverdachte] en [verdachte] gezamenlijk verantwoordelijk dragen voor het tenlastegelegde feit. Ik sluit mij daarbij aan. Dat er mogelijk ook anderen verantwoordelijk waren voor de gang van zaken ontslaat de BV’s niet van hun verantwoordelijkheid in deze.
[…] [verdachte] heeft verklaard dat het toezicht aan boord van een schip maar beperkt is uit te oefenen en dat dat vanuit [vestigingsplaats] , waar de kantoren van de rechtspersonen zich bevinden, lastig is. Het systeem van de Arbowet gaat er echter van uit dat het toezicht wel goed geregeld is. De verdediging zal stellen dat de BV's niet verantwoordelijk waren voor het ongeval waarbij [slachtoffer] kwam te overlijden en dat deze bij de kapitein en CCT lag. Als CCT niet aan boord van een schip werkt, kunnen zij niet verantwoordelijk zijn voor hetgeen daar aan boord gebeurd. [naam] C.V. heeft de verantwoordelijkheid niet willen hebben en heeft daarom de beide BV's met het beheer belast. Op basis van de documenten in het dossier moet worden vastgesteld dat de verantwoordelijkheden rond de veiligheid aan [medeverdachte] zijn overgedragen. Deze BV lijkt zich ook verantwoordelijk te voelen getuige de verklaring van [verdachte] dat na het incident veiligheidssessies hebben plaatsgevonden met alle schepen onder hun beheer.
[…]
Mr. [betrokkene 4] pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
In aanvulling op zijn pleitnota voert de raadsman aan:
Punt 32: De advocaat-generaal lijkt te menen dat de verantwoordelijkheid die uit het werkgeverschap van scheepsbeheerder [betrokkene 1] voortvloeit, overgedragen kan worden aan een ander zoals bijvoorbeeld [medeverdachte] B.V en/of [verdachte] B.V., maar dat is niet zo. De verantwoordelijkheid als werkgever berust exclusief bij scheepsbeheerder [betrokkene 1] en kan niet worden overgedragen. Ik zit daar formeel juridisch strakker in dan de advocaat-generaal, maar ik meen dat dat wel de juiste benadering is.
De advocaat-generaal voert andermaal het woord:
Van het werkgeverschap van [medeverdachte] B.V. is een apart proces-verbaal opgemaakt door het onderzoeksteam bestaande uit deskundigen op het terrein van de arbeidsomstandighedenwet en de Schepenwet, te weten bijlage B 16, pagina 95 van het procesdossier. Bijlage B16 heeft een aantal bijlagen waarin de documenten die aan boord aanwezig moeten zijn, worden benoemd. In deze documenten in het kader van de betreffende regelgeving wordt [medeverdachte] B.V. steeds als eigenaar genoemd. Uit het gevoerde pleidooi blijkt ook dat [medeverdachte] B.V. het bedrijf is dat werk maakte van de instructies en het geven van bijscholing en dat dat ook een invulling is van de verantwoordelijkheid die men als zodanig heeft.”
2.4
Het arrest van het hof bevat de volgende overwegingen (de voetnoot laat ik weg):
“Door de verdediging is – op de gronden zoals neergelegd in de pleitnota – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte op basis van de arbeidsovereenkomst tussen de verdachte en het [slachtoffer] , heeft geconcludeerd dat verdachte als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet kan worden aangemerkt daar niet was gebleken dat [slachtoffer] jegens een ander dan verdachte gehouden was tot het verrichten van arbeid. Gelet hierop is de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring gekomen van het tenlastegelegde kwaliteitsdelict.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde feit, en voor zover hier van belang, luidt:
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
'a. werkgever:
1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten, van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten:
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.
Het is de werkgever in de zin van artikel 1, onder a, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) ingevolge artikel 3.2 van die wet verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met die wet of de daarop berustende bepalingen (in casu zoals tenlastegelegd de artikelen 3.17, 7.18, lid 7, en 7.18a, leden 7, 8 en/of 9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit) indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.
Het hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
Blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel richt verdachte zich met name op werkzaamheden bestaande uit:
Het zowel voor eigen rekening, als voor rekening van derden exploiteren van schepen en andere vaartuigen, het optreden als boekhouder van rederijen en het verlenen van andere diensten aan ondernemingen, werkzaam op het gebied van de scheepvaart.
Uit hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte en de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep hebben aangevoerd, begrijpt het hof dat verdachte zich voornamelijk bezighoudt met het uitlenen van bemanningen.
Voorts staat vast dat er op het moment van het tenlastegelegde feit tussen [slachtoffer] en de verdachte, een zogenaamde zee-arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:694, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) gold.
Artikel 7:694, eerste lid BW luidt:
De zee-arbeidsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, waarbij de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten.
Artikel 7:690 BW definieert de uitzendovereenkomst als volgt:
De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
Artikel 2 van de tussen [slachtoffer] en [verdachte] B.V. afgesloten zee-arbeidsovereenkomst d.d. 3 mei 2016, vermeldt: "During the period of this Individual Working Contract the Rating (hof: [slachtoffer] ) shall be employed in the capacity of an o.s. (hof: ordinary seaman) on board the [naam] .”
Het gaat hier aldus om een zee-arbeidsovereenkomst die beschouwd kan worden als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW, nu daarin wordt bepaald dat [slachtoffer] door verdachte te werk zal worden gesteld aan boord van het zeeschip “ [naam] ”, hetgeen op 18 mei 2016 ook daadwerkelijk het geval was. Destijds, zo blijkt uit het dossier, was scheepvaartonderneming [betrokkene 1] , de scheepsbeheerder (c.q. de eigenaar van het schip).
[slachtoffer] was niet rechtstreeks in dienst van de scheepsbeheerder, hetgeen betekent dat het niet anders kan zijn dan dat [slachtoffer] door middel van terbeschikkingstelling – door [verdachte] B.V. aan de scheepsbeheerder – aan boord van de “ [naam] ” werkzaam was en gehouden was aldaar de voor hem gebruikelijke werkzaamheden als matroos te verrichten. In dit geval was [slachtoffer] samen met de andere matrozen belast met het plaatsen, corrigeren en verwijderen van zogenoemde ‘twistlocks’ ten behoeve van het laden van de containers op het schip door stuwadoorsbedrijf CCT.
Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande voldoende komen vast te staan dat [slachtoffer] ten tijde van het incident aan boord van de “ [naam] ” op 18 mei 2016 door verdachte ter beschikking was gesteld aan scheepsbeheerder [betrokkene 1] om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de scheepsbeheerder [betrokkene 1] .
Het hof is met de raadsman van oordeel dat dit tot de conclusie moet leiden dat [verdachte] B.V. in dezen niet als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Arbowet kan worden aangemerkt.
Het zijn van ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, onder a, juncto artikel 32 van de Arbowet vormt een constitutief bestanddeel van het aan de verdachte gemaakte verwijt, inhoudende een kwaliteitsdelict, op grond waarvan enkel degene met de kwaliteit van ‘werkgever’ strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Volgens bestendige jurisprudentie is het mogelijk om kwaliteitsdelicten mede te plegen zonder de vereiste kwaliteit te hebben. Dan geldt echter wel dat in ieder geval één van de betrokken medeplegers de voor een bewezenverklaring vereiste kwalitatieve hoedanigheid heeft, in dit geval het zijn van ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, onder a, juncto artikel 32 van de Arbowet. Nu de verdachte en [medeverdachte] B.V. geen van beiden als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, wordt niet voldaan aan een constitutief bestanddeel van de deIictsomschrijving. Gelet hierop zaI het hof de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit.”
3. Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat noch de verdachte, noch de medeverdachte de in art. 1 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) omschreven kwaliteit van werkgever bezit.
Juridisch kader
3.2
“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. werkgever:1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:a. werkgever:1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.”
3.3
De werkingssfeer van de Arbowet wordt bepaald door de inhoud die aan de begrippen werkgever en werknemer wordt gegeven.4.Dat is geregeld in art. 1 lid 1 en 2 van de Arbowet. Normaal gesproken kan aan de hand van het bestaan van een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling worden bepaald wie werkgever (en werknemer) is. Er zijn dan twee mogelijkheden, die worden onderscheiden in art. 1 lid 1 onder a, sub 1° en 2°, Arbowet. Uitgangspunt is dat als werkgever wordt beschouwd: hij tegen wie de werknemer op grond van een arbeidsovereenkomst volgens het Burgerlijk Wetboek (BW) of uit hoofde van een publiekrechtelijke aanstelling verplicht is arbeid te verrichten. Een van de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst is dat de ene partij, de werknemer, zich verbindt om “in dienst” van de ander, de werkgever, te werken. Dat impliceert een zekere gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer en daarmee een instructiebevoegdheid voor de werkgever.5.
3.4
Een uitzondering daarop is mogelijk in de situatie dat een werknemer door de partij met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft, aan een andere partij wordt uitgeleend voor het verrichten van arbeid. Dan is de inlenende partij werkgever, en niet de partij met wie de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.6.In dat geval ligt het gezag over, en daarmee de verantwoordelijkheid voor, de werknemer immers bij de inlenende partij. De wet spreekt in dat verband van het ter beschikking stellen van de werknemer voor het verrichten van arbeid. Van zo’n constructie is onder meer sprake wanneer op basis van een uitzendovereenkomst wordt gewerkt.7.Art. 1 lid 2 van de Arbowet brengt verder nog bepaalde situaties onder de werkingssfeer van de wet, waar geen sprake is van een arbeidsovereenkomst of aanstelling, maar wel van een relevante werknemer-werkgever relatie.8.Art. 1 lid 1 en lid 2 Arbowet geven dus een uitputtende opsomming van verschillende definities van de termen ‘werkgever’ en ‘werknemer’, zoals bedoeld in die wet. De wet wil zo regelen dat de normen van de Arbowet zich uitsluitend richten tot de partij die het best in staat is de naleving daarvan te verzekeren.9.
3.5
Art. 7:694 BW bepaalt: “De zee-arbeidsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, waarbij de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten.”10.Waar sprake is van een zee-arbeidsovereenkomst, speelt de ‘scheepsbeheerder’ een belangrijke rol.11.Volgens art. 1 (oud) van de Wet zeevarenden12.is de scheepsbeheerder (i) de eigenaar van het schip, (ii) de rompbevrachter of (iii) de scheepsmanager. De scheepsbeheerder is de (rechts)persoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het schip en die belast is met de dagelijkse leiding over het beheer van het schip.13.Dat is in beginsel de eigenaar, maar de eigenaar kan die verantwoordelijkheid overdragen aan de rompbevrachter of scheepsmanager.14.Hieruit volgt dat de scheepsbeheerder normaal gesproken is aan te merken als de werkgever in de zin van de Arbowet van een zeevarende die op het betreffende schip werkt. Dat geldt ook als de scheepsbeheerder niet de werkgever van de zeevarende is in de zin van het Burgerlijk Wetboek, bijvoorbeeld als sprake is van een uitzendovereenkomst.15.
Bespreking van het middel
3.6
Het middel klaagt ten eerste dat het hof een onjuiste uitleg aan het begrip ‘werkgever’ heeft gegeven, omdat het hof heeft miskend dat voor het bepalen van het werkgeverschap van doorslaggevend belang is wie daadwerkelijk gezag over de werknemer uitoefent, terwijl het enkele feit dat een werknemer werkzaamheden ten behoeve van een derde verricht, op zichzelf nog niet maakt dat deze werknemer daarmee ook “ter beschikking is gesteld” aan die derde. Ten tweede bevat het middel de klacht dat het oordeel van het hof dat het slachtoffer door de verdachte aan [betrokkene 1] ter beschikking is gesteld (als bedoeld in art. 1 lid 1 Arbowet) en dat de werkzaamheden plaatsvonden onder toezicht en leiding van [betrokkene 1] niet zonder meer begrijpelijk is. De steller van het middel bestrijdt niet dat de verdachte het slachtoffer ter beschikking heeft gesteld, maar vindt dat onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd dat deze terbeschikkingstelling aan [betrokkene 1] (en niet aan [medeverdachte] B.V.) plaatsvond.
3.7
De slotsom van het hof houdt in dat (het niet anders kan dan dat) het slachtoffer door de verdachte ter beschikking was gesteld aan [betrokkene 1] en dus krachtens door [betrokkene 1] aan de verdachte verstrekte opdracht werkte onder toezicht en leiding van [betrokkene 1] . Dat is in lijn met de mogelijkheden van art. 1 lid 1 sub 1 en 2 Arbowet. Anders dan de steller van het middel meent, trekt het hof die conclusie niet alleen op basis van het feit dat het slachtoffer werkzaamheden ten behoeve van [betrokkene 1] verrichtte. Het hof baseert dat oordeel ook op de vaststellingen dat het slachtoffer volgens de arbeidsovereenkomst met de verdachte, die zich voornamelijk bezighield met het uitlenen van bemanningen, zou werken op zeeschip [naam] en dat [betrokkene 1] de eigenaar en scheepsbeheerder was van dat schip. Tegen die achtergrond kan niet worden gezegd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘werkgever’. De eerste deelklacht faalt daarmee.
3.8
Het hof is kennelijk van oordeel dat [betrokkene 1] als scheepsbeheerder verantwoordelijk was voor de exploitatie van het schip en belast was met de dagelijkse leiding over het beheer van het schip en daarom moet worden aangemerkt als werkgever van het slachtoffer. Dit oordeel is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat de advocaat van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat [betrokkene 1] de scheepsbeheerder van zeeschip de [naam] en dus de werkgever van het slachtoffer was, terwijl de advocaat-generaal niet uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat niet [betrokkene 1] , maar [medeverdachte] B.V. de ‘scheepsbeheerder’ en (dus) werkgever zou zijn geweest.16.Bij die stand van zaken was het hof niet verplicht zijn oordeel nader te motiveren.17.Daarom faalt ook de tweede deelklacht.
3.9
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen omdat zowel de verdachte als de medeverdachte niet de werkgever van het slachtoffer waren ten tijde van het feit. In dit verband klaagt de steller van het middel ten eerste over grondslagverlating doordat het hof kennelijk is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘medeplegen’. Ten tweede bevat het middel de klacht dat de vrijspraak van het medeplegen niet begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Juridisch kader
4.2
Art. 32 Arbowet luidt:
“Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.”
4.3
Art. 32 Arbowet omschrijft een kwaliteitsdelict: het daarin opgenomen verbod richt zich tegen de werkgever. In verband met het medeplegen van kwaliteitsdelicten is het volgende van belang. Van medeplegen is sprake bij een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.18.Voor medeplegen is niet vereist dat elke deelnemer alle delictsbestanddelen vervult. De bestanddelen kunnen zijn verdeeld over de verschillende deelnemers.19.De verdachte kan daarom deelnemen aan een kwaliteitsdelict zonder zelf over de vereiste kwaliteit te beschikken. Dan moet wel vaststaan dat het opzet van de verdachte gericht was op het aanwezig zijn van de betreffende kwaliteit bij een van de andere deelnemers.20.
Bespreking van het middel
4.4
Zoals opgemerkt stelt het hof vast dat niet de verdachte of de medeverdachte, maar [betrokkene 1] de werkgever was van de verdachte. Het hof overweegt vervolgens dat het ‘werkgever zijn’ in de zin van art. 1 aanhef en onder a in samenhang met art. 32 van de Arbowet een constitutief bestanddeel van het tenlastegelegde kwaliteitsdelict vormt. Strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van dit artikel is dan ook voorbehouden aan degene die die hoedanigheid bezit. Hoewel het volgens vaste jurisprudentie mogelijk is een kwaliteitsdelict mede te plegen zonder zelf de vereiste kwaliteit te bezitten, geldt daarbij als voorwaarde dat ten minste één van de medeplegers wél over die kwaliteit beschikt, volgens het hof. Nu in deze zaak zowel de verdachte als de medeverdachte niet als ‘werkgever’ in de zin van de Arbowet kunnen worden aangemerkt, ontbreekt het vereiste constitutieve bestanddeel. Daarom komt het hof tot de conclusie dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
4.5
Het hof oordeelt in zijn overwegingen dat het gegeven dat de verdachte en de medeverdachte beiden niet zijn aan te merken als ‘werkgever’, betekent dat zij niet kunnen worden veroordeeld voor medeplegen van de in art. 32 Arbowet neergelegde verbodsbepaling die zich tot de werkgever richt. Daarbij betrekt het hof niet de vraag of de verdachte het feit eventueel in vereniging met de (medeverdachte en de) werkgever van het slachtoffer heeft gepleegd, terwijl de tenlastelegging die mogelijkheid wel omvat. Zo bezien kan uit de overwegingen van het hof worden afgeleid dat het hof van een te beperkte uitleg van het begrip medeplegen is uitgegaan, bijvoorbeeld dat een veroordeling van medeplegen van een kwaliteitsdelict alleen mogelijk is als degene die over de vereiste kwaliteit beschikt ook strafrechtelijk wordt vervolgd, zoals de steller van het middel oppert. Een veroordeling voor het medeplegen van een kwaliteitsdelict is immers al mogelijk als de rechter in de strafzaak van de verdachte kan vaststellen dat één van de andere deelnemers de vereiste kwaliteit bezit, en het opzet van de verdachte mede op die omstandigheid is gericht.21.Bij deze uitleg van de overwegingen van het hof, kan worden gesteld dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, en slaagt het middel om die reden.
4.6
De overwegingen van het hof zouden ook kunnen betekenen dat het hof van oordeel was dat de verdachte het feit niet in vereniging met de (medeverdachte en de) werkgever heeft gepleegd. Dan is het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, maar heeft het zijn oordeel naar mijn mening ontoereikend gemotiveerd. Het hof onderbouwt dat oordeel namelijk slechts door op te merken dat zowel de verdachte als de medeverdachte niet als werkgever in de zin van art. 32 Arbowet kunnen worden gekwalificeerd. Wat mij betreft was een nadere motivering vereist over (het ontbreken van) een eventuele samenwerking met de werkgever. Zonder deze nadere motivering is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.22.Als het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, slaagt het middel dus om die reden.
4.7
Het middel slaagt.
5. Slotsom
5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 16 juni 2023 beroep in cassatie is ingesteld. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM geschonden. Dit tijdsverloop kan na terugwijzing bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof voor wat betreft de beslissing over het onder 1 tenlastegelegde en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, zodat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
Die conclusie is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2025:949.
Art. 1 Arbowet is aangepast met de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2024, houdende wijziging van enkele wetten van met name het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met verscheidene technische en kleine beleidsmatige wijzigingen (Verzamelwet SZW 2025) op 1 januari 2025, Stb. 2024, 410.
Kamerstukken II 1997/98, 25 879, nr. 3, p. 35-36. Dit is de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot invoering van de (huidige) Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stb. 1999, 184), die de Arbeidsomstandighedenwet 1980 (Stb. 1980, 664) verving.
Zie art. 7:610 BW. Zie E. Verhulp in: T&C BW, art. 7:610 BW, aant. 2e. (actueel t/m 1-3-2025).
Zie Kamerstukken II 1978/79, 14 497, nr. 3, p. 20.
Vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25 879, nr. 3, p. 35-36. Art 7:690 BW geeft een definitie van de uitzendovereenkomst. Daarin geldt als voorwaarde dat de werknemer door de partij met wie hij de arbeidsovereenkomst sluit (de werkgever in de zin van het BW), ter beschikking wordt gesteld van een derde om arbeid te verrichten “onder toezicht en leiding” van die derde. Die voorwaarde impliceert een gezagsverhouding. De vraag of sprake is van een gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever bij een normale arbeidsovereenkomst of tussen een werknemer en de derde partij bij een uitzendovereenkomst, moet aan de hand van dezelfde maatstaven worden beantwoord (HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2356, NJ 2017/370 m.nt. E. Verhulp (Care4Care), r.o. 3.5).
Vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:411, r.o. 2.5.1. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 87, nr. 3, p. 35-36.
Vgl. Kamerstukken II 1978/79, 14 497, nr. 5, p. 72: aldus voorziet het wetsontwerp in een stelsel volgens hetwelk de normen zich uitsluitend richten tot degene die het meest in staat is het doel van de normen te verwezenlijken. Zie ook de conclusie van AG Meijers bij HR 13 maart 1991, NJ 1992/122, onder 8.
De scheepsbeheerder heeft bepaalde verantwoordelijkheden ten opzichte van de zeevarende, ook als deze niet als werkgever (in de zin van het Burgerlijk Wetboek) is aan te merken, zie art. 7:738 BW.
Tegenwoordig is deze definitie neergelegd in art. 1 van de Wet bemanning zeeschepen, dat de Wet zeevarenden (ook wel: de Zeevaartbemanningswet) heeft vervangen per 1 juli 2025 2025, 145).
Kamerstukken II 1996/97, 25 23, nr. 3, p. 8. Dit is de memorie van toelichting bij de Zeevaartbemanningswet. 1997, 757), de voorloper van de Wet bemanning zeeschepen (Stb.2025, 9).
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 534, nr. 3, p. 8. Dit is de memorie van toelichting bij de wet tot Implementatie van het op 23 februari 2006 te Geneve tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag.
Zie p. 20 van de nota van toelichting bij het Besluit aanspraken zeevarenden, arbeidsbemiddeling én terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in de zeevaart, waarnaar de advocaat van de verdachte heeft verwijzen bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. 2012, 397).
Dat de advocaat-generaal verwijst naar een proces-verbaal in het dossier waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [medeverdachte] B.V. de scheepsbeheerder van de [naam] was, is daarvoor niet voldoende.
Vgl. over een cassatieberoep van het openbaar ministerie dat is gericht tegen een vrijspraak: HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:609, r.o. 2.8.2 en HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9410.
Zie het overzichtsarrest over medeplegen: HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P. Mevis. r.o. 3.1.
Het is overigens ook niet uitgesloten dat een andere betrokkene een (deel van de) bestanddelen vervuld. Zie HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606, NJ 2012/30 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.3. Zie uitgebreid over dit arrest F.C.W. de Graaf en E.M. Moerman, ‘Kennismaken met de ‘onbekende derde’ als medepleger’, NTS 2012/5,
Vgl. HR 21 juni 1926, NJ 1926, p. 955 en HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1299, NJ 2015/268 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.7. Indien verder wel aan de vereisten van medeplegen is voldaan, hoeft overigens ook niet te worden vastgesteld dat de normadressaat van het kwaliteitsdelict strafbaar heeft gehandeld, zie HR 10 april 1973, NJ 1973/468 m.nt. Van Veen.
Zie HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246, r.o. 4.5.: “Voorzover het middel blijkens de toelichting daarop op de opvatting berust dat de enkele omstandigheid dat de medeverdachte [betrokkene 2] in zijn zaak is vrijgesproken van het ook aan hem tenlastegelegde medeplegen van oplichting, uitsluit dat in de zaak van de verdachte medeplegen van dat misdrijf bewezen wordt verklaard, is het ondeugdelijk omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Het hangt immers af van de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van het bewijsmateriaal in de zaak van de verdachte of en zo ja welk tenlastegelegd feit bewezen kan worden verklaard.”
Mijn voormalig ambtgenoot Hofstee merkte in zijn conclusie van 21 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1038, onder 30, het volgende op over de begrijpelijkheidstoets bij een OM-cassatie tegen een vrijspraak: “Daarbij stel ik voorop dat ik mij er terdege van bewust ben dat de begrijpelijkheid van een vrijspraak in cassatie met de nodige terughoudendheid door de Hoge Raad wordt getoetst in verband de (vele) aspecten van feitelijke aard. Met voormalig ambtgenoot Knigge meen ik niettemin dat, zolang het accent niet ligt op de waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, maar op de juridische conclusie die de rechter uit de door hem in de bestreden uitspraak vastgestelde feiten heeft getrokken, er wel enige ruimte is voor een toets op begrijpelijkheid.”
Beroepschrift 27‑09‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Parketnummer: 20-003767-19
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 juni 2023, waarbij het hof in de strafzaak tegen:
[verdachte] B.V.
verdachte heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde, voor zover in hoger beroep nog aan de orde.
Rekwirant kan zich met deze vrijspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom twee middelen van cassatie voor.
Inleiding
1.
Deze zaak heeft betrekking op een dodelijk incident dat op 18 mei 2016 heeft plaatsgevonden aan boord van het containerschip [A]. Tijdens het laden van het schip is bemanningslid [slachtoffer] klem geraakt tussen twee containers, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.
2.
Naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] is een onderzoek gestart. Op basis daarvan is een verdenking ontstaan dat ten tijde van het ongeval de veiligheidsvoorschriften aan boord van [A] onvoldoende werden nageleefd. Dit heeft geleid tot de vervolging van de ondernemingen [D] B.V. (hierna: [D] B.V.) en [verdachte] B.V. (hierna: [verdachte] B.V.). Zij worden verdacht van het medeplegen van (al dan niet) opzettelijk handelen in strijd met art. 32 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna ‘Arbowet’). Deze bepaling verbiedt de werkgever handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.
3.
Het gaat in deze zaak om de vraag of één van de vervolgde ondernemingen heeft te gelden als werkgever in de zin van art. 32 Arbowet. Ook gaat het om de vraag of, indien geen van beide vervolgde ondernemingen als zodanig kunnen worden aangemerkt, desalniettemin bewezenverklaring van- en kwalificatie als medepleger kan volgen voor één of beide ondernemingen. In dat verband is het volgende van belang.
Het schip waarop het ongeval plaatsvond, de [A], is eigendom van [B] C.V. (hierna ‘[B] C.V.’). Het beheer van het schip is door [B] C.V. uitbesteed aan [D] B.V. De voor het varen vereiste (veiligheids)certificaten en documenten waren overgedragen aan [D] B.V. en stonden op naam van [D] B.V. Het slachtoffer [slachtoffer] was, evenals al het andere personeel op het schip ten tijde van het incident, in dienst van [verdachte] B.V… [D] B.V. is de enig aandeelhouder en bestuurder van [verdachte] B.V. Het personeel stond op de loonlijst bij [verdachte] B.V. en de kosten voor de werkzaamheden werden gefactureerd aan [B] C.V.
4.
Bij arrest van 2 juni 2023 zijn zowel [D] B.V. als [verdachte] B.V. vrijgesproken van het tenlastegelegde1..
Ten aanzien van [verdachte] B.V. overwoog het hof:
‘Blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel richt verdachte zich met name op werkzaamheden bestaande uit:
Het zowel voor eigen rekening, als voor rekening van derden exploiteren van schepen en andere vaartuigen, het optreden als boekhouder van rederijen en het verlenen van andere diensten aan ondernemingen, werkzaam op het gebied van de scheepvaart.
Uit hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte en de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep hebben aangevoerd, begrijpt het hof dat verdachte zich voornamelijk bezighoudt met het uitlenen van bemanningen.
Voorts staat vast dat er op het moment van het tenlastegelegde feit tussen [slachtoffer] en de verdachte, een zogenaamde zee-arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:694, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) gold.
Artikel 7:694, eerste lid BW luidt:
De zee-arbeidsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, waarbij de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten.
Artikel 7:690 BW definieert de uitzendovereenkomst als volgt:
De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
Artikel 2 van de tussen [slachtoffer] en [verdachte] B.V. afgesloten zeearbeidsovereenkomst d.d. 3 mei 2016, vermeldt: ‘During the period of this Individual Working Contract the Rating (hof: [slachtoffer]) shall be employed in the capacity of an o.s. (hof: ordinary seaman) on board the m.v. (hof: motor vessel) [A].’
Het gaat hier aldus om een zee-arbeidsovereenkomst die beschouwd kan worden als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW, nu daarin wordt bepaald dat [slachtoffer] door verdachte te werk zal worden gesteld aan boord van het zeeschip ‘[A]’, hetgeen op 18 mei 2016 ook daadwerkelijk het geval was. Destijds, zo blijkt uit het dossier, was scheepvaartonderneming S.O. [B], de scheepsbeheerder (c.q. de eigenaar van het schip).
[slachtoffer] was niet rechtstreeks in dienst van de scheepsbeheerder, hetgeen betekent dat het niet anders kan zijn dan dat [slachtoffer] door middel van terbeschikkingstelling — door [verdachte] B.V. aan de scheepsbeheerder — aan boord van de ‘[A]’ werkzaam was en gehouden was aldaar de voor hem gebruikelijke werkzaamheden als matroos te verrichten. In dit geval was [slachtoffer] samen met de andere matrozen belast met het plaatsen, corrigeren en verwijderen van zogenoemde ‘twistlocks’ ten behoeve van het laden van de containers op het schip door stuwadoorsbedrijf CCT.
Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande voldoende komen vast te staan dat [slachtoffer] ten tijde van het incident aan boord van de ‘[A]’ op 18 mei 2016 door verdachte ter beschikking was gesteld aan scheepsbeheerder S.O. [B] om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de scheepsbeheerder S.O. [B].
Het hof is met de raadsman van oordeel dat dit tot de conclusie moet leiden dat [verdachte] B.V. in dezen niet als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Arbowet kan worden aangemerkt.
Het zijn van ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, onder a, juncto artikel 32 van de Arbowet vormt een constitutief bestanddeel van het aan de verdachte gemaakte verwijt, inhoudende een kwaliteitsdelict, op grond waarvan enkel degene met de kwaliteit van ‘werkgever’ strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Volgens bestendige jurisprudentie is het mogelijk om kwaliteitsdelicten mede te plegen zonder de vereiste kwaliteit te hebben. Dan geldt echter wel dat in ieder geval één van de betrokken medeplegers de voor een bewezenverklaring vereiste kwalitatieve hoedanigheid heeft, in dit geval het zijn van ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, onder a, juncto artikel 32 van de Arbowet. Nu de verdachte en medeverdachte [D] B.V. geen van beiden als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, wordt niet voldaan aan een constitutief bestanddeel van de delictsomschrijving. Gelet hierop zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van [D] B.V. overwoog het hof als volgt:
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1, onder a, van de Arbowet kan worden aangemerkt. Het slachtoffer, [slachtoffer], was niet in dienst van de verdachte en [slachtoffer] is door [verdachte] B.V. ook niet uitgeleend aan de verdachte, maar aan S.O. [B] de scheepsbeheerder van het schip alwaar het ongeval heeft plaatsgevonden. Het hof is in de strafzaak tegen medeverdachte [verdachte] B.V… (ressortsparketnummer 20-003767-19) tot het oordeel gekomen dat [verdachte] B.V. evenmin als ‘werkgever’ van [slachtoffer] in de zin van de Arbowet kan worden gekwalificeerd.
Volgens bestendige jurisprudentie is het mogelijk om kwaliteitsdelicten mede te plegen zonder de vereiste kwaliteit te hebben. Dan geldt echter wel dat in ieder geval één van de betrokken medeplegers de voor een bewezenverklaring vereiste kwalitatieve hoedanigheid heeft, in dit geval het zijn van werkgever in de zin van artikel 1, onder a, juncto artikel 32 van de Arbowet. Nu de verdachte en medeverdachte [verdachte] B.V. geen van beiden als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, wordt niet voldaan aan een constitutief bestanddeel van de delictsomschrijving. Gelet hierop zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 32 en art. 1 lid 1 sub a Arbowet, doordat het hof, zoals hieronder nader zal worden toegelicht, met het oordeel dat noch [verdachte] B.V., noch [D] B.V. de in artikel 1 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet omschreven kwaliteit van werkgever bezit en zij daarom beide vrijgesproken dienen te worden van medeplegen van overtreding van art. 32 Arbowet, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘werkgever’. Door aldus te oordelen heeft het hof, met verlating van de grondslag van de tenlastelegging, verdachte vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd. In ieder geval is het oordeel van het hof dat [D] B.V. dan wel [verdachte] B.V. niet de kwaliteit van werkgever bezit niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
1.
Artikel 1 van de Arbowet luidt2., voor zover hier van belang:
- ‘1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
werkgever:
- 1°.
degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
- 2°.
degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;
- b.
werknemer: de ander, bedoeld onder a’
2.1
Waar het hof een formele benadering van het begrip werkgever lijkt toe te passen door op basis van de overeenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] B.V. te oordelen dat noch [verdachte] B.V. noch [D] B.V. als werkgever kunnen worden aangemerkt, volgt uit wetsgeschiedenis en jurisprudentie een meer materiele benadering van dit begrip, waarbij de omstandigheden van het geval van belang zijn en waarbij met name wordt gekeken naar wie gezag over de werkgever kan uitoefenen en wie het meest in staat is om het doel van de normen genoemd in de Arbowet te verwezenlijken.
2.2
Deze materiele invulling van het begrip werkgever blijkt onder andere uit het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 1991 (NJ 1992, 122). In die zaak brak een hijskraan van de gemeente [plaats] bij het overhevelen van zand vanuit een binnenvaartschip naar een vultrechter. Deze vultrechter behoorde toe aan de firma [naam 1]. De kraanmachinist die het werk uitvoerde was op dat moment in dienst van de gemeente [plaats]. De gemeente werd vervolgd in verband met overtreding van artikel 26 Arbowet. Zij stelde zich op het standpunt dat zij de kraanmachinist aan de firma [naam 1] ‘ter beschikking had gesteld’ in de zin van de Arbowet en dat de gemeente daarom niet kon worden beschouwd als werkgever in de zin van de Arbowet.
De Hoge Raad overwoog:
‘5.1
Met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer heeft het hof het navolgende overwogen en beslist:
‘Overwegende, dat de raadsman van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep — zakelijk weergegeven — heeft aangevoerd dat de gem. [plaats], verdachte, op 9 april 1986 niet als werkgever in de zin van art. 1 eerste lid sub a onder 1e Arbowet, van de kraanmachinist [naam 2] optrad en evenmin [naam 2] op genoemde datum onder haar gezag arbeid heeft doen verrichten, doch dat zij [naam 2] voornoemd ter beschikking had gesteld aan een derde, te weten Zand- en Grindhandel [naam 1] BV te [plaats], voor het verrichten van arbeid, welke die firma gewoonlijk doet verrichten;
Overwegende dienaangaande dat uit de tot bewijs gebezigde verklaringen van [naam 2], [naam 3] en de gemachtigde van verdachte, [naam 4], volgt dat de kraanmachinist [naam 2] op 9 april 1986 ambtenaar in dienst van de gem. [plaats] was, dat zijn salaris door die gemeente werd betaald en dat hij op die datum onder leiding van en in opdracht van de havenopzichter [naam 3], eveneens gemeenteambtenaar, arbeid, met de in de telastelegging bedoelde en aan verdachte toebehorende kraan ten behoeve van de Zand- en Grindhandel verrichtte;
Overwegende, dat nu verdachte op 9 april 1986, de bij haar in dienst zijnde kraanmachinist [naam 2] ten behoeve van die [naam 1] BV arbeid heeft laten verrichten onder haar — verdachtes — gezag, verdachte — de gem. [plaats] — dus in de zin van art. 1 eerste lid sub a onder 1e Arbo-wet als werkgever van de kraanmachinist [naam 2] dient te worden aangemerkt en derhalve het namens verdachte gevoerde verweer dient te worden verworpen.’
5.2
Het in de hiervoor onder 5.1 weergegeven overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat de bij de verdachte in dienst zijnde kraanmachinist [naam 2] niet aan [naam 1] BV ter beschikking was gesteld voor het verrichten van arbeid, in de zin van art. 1 eerste lid Arbo-wet, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in voormelde wetsbepaling en is niet onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de in voormelde overwegingen genoemde verklaringen.
2.3
A-G Meijers merkt in de conclusie bij dit arrest nog het volgende op:
- ‘8.
Het in de MvT bij de Arbo-wet bedoelde geval van uitlening door de werkgever van een werknemer aan een andere werkgever (kamerstuk 14 497, nr. 3, p. 20), in welk geval eerstbedoelde werkgever niet als werkgever in de zin van art. 1 lid 1 sub a onder 1e Arbo-wet kan worden aangemerkt, doet zich derhalve naar het kennelijke oordeel van het hof ten aanzien van de gemeente als werkgever, de kraanmachinist als werknemer en de Zand- en Grindhandel [naam 1] BV als andere werkgever niet voor. De gemeente heeft [naam 2] niet uitgeleend. De gemeente is dus, aldus het hof, werkgever in de zin van art. 26 lid 1 Arbo-wet. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk. Vgl. MvA, kamerstuk 14 497, nr. 5, p. 72 met het uitgangspunt dat 'de normen zich uitsluitend richten tot degene die het meest in staat is het doel van de normen te verwezenlijken’. Het hof heeft in zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in de door het hof vastgestelde omstandigheden de gemeente het in haar macht had zorg te dragen voor de naleving van de voorschriften van de Arbo-wet. Het hof behoefde in zijn overwegingen niet — nog eens — met zoveel woorden uiteen te zetten, waarom van een ‘leenconstructie’ als in het verweer bedoeld geen sprake was.
2.4
Rekwirant leidt uit het voorgaande af dat voor de beantwoording van de vraag wie als werkgever in de zin van de Arbowet heeft te gelden, van doorslaggevend belang is onder wiens gezag arbeid wordt verricht, waarbij voorop wordt gesteld dat de normen van de Arbowet zich uitsluitend richten op degene die het meest in staat is te zorgen voor naleving daarvan. Het enkele feit dat een werknemer werkzaamheden ten behoeve van een derde verricht, maakt bovendien op zichzelf nog niet dat deze werknemer daarmee ‘ter beschikking is gesteld’ aan een derde en dat deze derde daarmee als werkgever in zin van de Arbowet heeft te gelden.
2.5
In zijn noot bij dit arrest lijkt ook Corstens deze zienswijze te volgen. Het feit dat de firma [naam 1] de kosten voor het werk van de gemeente betaalde, maakte dat niet anders. Corstens schrijft hierover:
- ‘3.
De gemeente stelde in het eerste cassatiemiddel dat niet zij, maar de fa. [naam 1] werkgeefster was. Het hof had dit verweer verworpen, omdat de kraanmachinist in dienst was van de gemeente die zijn salaris betaalde en dat hij onder leiding van en in opdracht van de havenopzichter, eveneens gemeenteambtenaar, werkte ten behoeve van de fa. [naam 1]. Volgens het eerste middel was dit een kwestie van uitlenen, zodat niet de gemeente, maar de fa. [naam 1] werkgeefster was in de zin van art. 1 Arbo-wet. De Hoge Raad vindt dat het hof dit verweer voldoende heeft beantwoord. Dat ligt alleszins voor de hand, omdat de loswerkzaamheden onder leiding van en in opdracht van de gemeentelijke havenopzichter plaatsvonden. Het begrip werkgever zou flink worden opgerekt, indien in deze situatie waarin onder gezag van de gemeente op terrein van de gemeente en met gemeentelijk materiaal dat (volgens een van de bewijsmiddelen) door de gemeente werd onderhouden, de gemeente niet, maar de fa. [naam 1] wel als werkgever zou worden aangemerkt. Die firma betaalde overigens tarieven waardoor de door de gemeente betaalde huur en kosten werden gedekt. De zaak zou wellicht anders hebben gelegen, indien het onderhoud van de kraan aan de fa. [naam 1] zou zijn toevertrouwd. Dan zou zij de meest gerede partij zijn geweest om de doeleinden van de arbeidsomstandighedenwetgeving i.c. te dienen.
2.6
In zaken als onderhavige is bij de daadwerkelijke invulling van het begrip ‘werkgever’ in de zin van de Arbowet dus de feitelijke situatie doorslaggevend. Het gaat daarbij in het bijzonder om degene die daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om gezag uit te oefenen. Die benadering is niet enkel voorbehouden aan de Arbowet, maar past ook in het bredere verband van de systematiek van de scheeps- en zeeregelgeving.
Zo bepaalt art. 1 lid 3 Schepenwet dat onder ‘eigenaar’ van een schip wordt verstaan ‘de persoon die het beheer over het schip heeft, hetzij hij eigenaar of boekhouder van de rederij van het schip is, hetzij hem het schip in gebruik is gegeven’.
Art. 1 lid 1 onder L van de wet zeevarenden verstaat onder ‘scheepsbeheerder’ onder meer ‘de eigenaar of de rompbevrachter van een schip, of een vennootschap als bedoeld in artikel 311, derde lid, van het Wetboek van Koophandel aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgedragen(…)’.
Het overgrote deel van de verantwoordelijkheden voor het schip, wordt in die wet vervolgens ook bij die scheepsbeheerder neergelegd, zoals zorg voor de bemanning, zorgen dat de bemanning voldoende bekwaam voor en bekend met hun werkzaamheden is en dat arbeids- en rusttijden in acht worden genomen.
Ook in deze regelingen staat degene die daadwerkelijk macht/gezag over het schip uit kan oefenen centraal. Dit is gelet op het doel van die regelgeving ook volstrekt begrijpelijk. Alleen degene die daadwerkelijk controle heeft over een vaartuig kan genoeg invloed uitoefenen om ervoor te zorgen dat wettelijke bepalingen worden nageleefd.
3.1
Het hof heeft geoordeeld dat noch [D] B.V., noch [verdachte] B.V. als werkgever in de zin van de Arbowet kunnen gelden. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat [slachtoffer] door [verdachte] B.V. op grond van een zee-arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:694 lid 1 BW, die beschouwd kan worden als een uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW, te werk is gesteld op het schip [A]. De eigenaar van dit schip was [B] C.V. Omdat [slachtoffer] daar niet rechtstreeks bij in dienst was, kan het volgens het hof niet anders zijn dan dat hij aan [B] C.V. ‘ter beschikking was gesteld’ in de zin van de Arbowet, om onder leiding en toezicht van [B] C.V. werkzaamheden te verrichten.
3.2
Gelet op het hiervoor onder 2.1 t/m 2.4 genoemde juridisch kader, getuigt deze gevolgtrekking van een onjuiste rechtsopvatting. Uit dat kader volgt immers dat voor het bepalen van werkgeverschap in de zin van de Arbowet van doorslaggevend belang is wie daadwerkelijk gezag over de werknemer uitoefent, terwijl het enkele feit dat een werknemer werkzaamheden ten behoeve van een derde verricht, op zichzelf nog niet maakt dat deze werknemer daarmee ook ‘ter beschikking is gesteld’ aan een derde en dat deze derde daarmee als werkgever in zin van de Arbowet heeft te gelden.
3.4
Voor zover het hof bij dit oordeel wel het juiste kader voor ogen heeft gehad, is dit niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft weliswaar overwogen dat [slachtoffer] aan [B] C.V. ter beschikking was gesteld om ‘arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de scheepsbeheerder S.O. [B]’, maar het heeft niets overwogen waaruit blijkt dat [B] C.V. ook daadwerkelijk in staat was om gezag over [slachtoffer] uit te oefenen.
3.4.1
Dat volgens het hof sprake is van een zee-arbeidsovereenkomst die beschouwd kan worden als een uitzendovereenkomst, maakt dit niet anders. Ook niet indien zou worden aangenomen dat de overeenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] B.V. als een dergelijke overeenkomst moet worden aangemerkt.
Art. 7:690 BW vereist voor een uitzendovereenkomst, onder meer, dat de werknemer ([slachtoffer]) door de werkgever ([verdachte] B.V.) ter beschikking wordt gesteld aan een derde (volgens het hof: [B] C.V.), om krachtens een door deze derde verstrekte opdracht arbeid onder toezicht en leiding van deze derde te verrichten.
Het hof heeft vastgesteld dat sprake was van een overeenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] B.V. die inhield dat [slachtoffer] zou komen te werken op het schip [A], om daar arbeid te verrichten. Dit gegeven in combinatie met het feit dat [slachtoffer] tijdens het ongeval ook daadwerkelijk op dat schip werkzaam was en niet rechtstreeks in dienst van [B] C.V. was, maakt volgens het hof dat het niet anders kan dan dat [slachtoffer] aan [B] C.V. ter beschikking was gesteld voor het verrichten van arbeid. Die gevolgtrekking is echter niet zonder meer begrijpelijk. Rekwirant verwijst daarbij nogmaals naar het onder 2.1 aangehaalde arrest. Het enkele feit dat een werknemer werkzaamheden ten behoeve van een derde verricht, maakt op zichzelf nog niet dat die werknemer daarmee ook ter beschikking is gesteld aan de derde. Ook uit het feit dat de werknemer aan het werk is op een plek die eigendom is van een derde, kan bezwaarlijk de conclusie worden verbonden dat de werknemer daarmee ter beschikking is gesteld aan een derde en dat die derde daarmee als werkgever heeft te gelden. Een andersluidende opvatting zou met zich meebrengen dat indien bijvoorbeeld een bedrijf een monteur naar het huis van een klant stuurt om herstelwerkzaamheden te verrichten, het bedrijf de monteur daarmee ‘ter beschikking stelt’ aan de klant en dat de klant daarmee werkgever is geworden. Dit is een onhoudbare opvatting. Dit voorbeeld onderstreept nogmaals wat bij de weergave van het juridisch kader al is overwogen: het gaat erom wie het gezag over de werknemer uitoefent.
3.4.2
Het oordeel dat [slachtoffer] ter beschikking was gesteld aan [B] C.V. in de zin van artikel 1 Arbowet is ook niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat hieromtrent door het Openbaar Ministerie naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft ter zitting bij het hof verwezen naar het schriftelijke requisitoir ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg3.. Hierin is onder meer het volgende naar voren gebracht:
‘Kijken naar het dossier kan worden vastgesteld dat [B] CV eigenaar is van de [A]. Deze CV heeft het beheer van de [A] uitbesteed aan [D] BV. [D] BV leent vervolgens personeel in bij [verdachte] BV De kosten voor dit personeel worden gefactureerd aan [B] CV. Op die manier fungeert [verdachte] BV in feite als een soort uitzendbureau. Echter, in casu gaat het iets verder dan alleen dat, aangezien zij een hele crew leveren met ook de voor de klus benodigde kwaliteit, waaronder een kapitein en een eerste en/of tweede stuurman.
We zien dat [D] BV beschikt over de vereiste papieren zoals het Certificaat Maritieme Arbeid (CMA). Ook is het Safety Management Certificate voor het [A] afgegeven aan [D] BV. [D] BV kan derhalve als scheepsbeheerder worden aangemerkt en heeft van daar uit verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden. [verdachte] BV heeft het personeel in dienst en ‘leent’ ze uit aan [D]. Het personeel staat wel bij [verdachte] op de loonlijst. In de Arbowet gaat het bij het bepalen van de vraag wie werkgever is om de vraag wie tot het uitoefenen van gezag op de arbeid. Gezag is niet gedefinieerd, maar er wordt doorgaans onder verstaan dat de werknemer aanwijzingen en/ of opdrachten van de werkgever moet opvolgen en/of uitvoeren. Die aanwijzingen en/of opdrachten moeten wel binnen de functieomschrijving vallen of binnen de inhoud van de functie, die beide partijen bij het aangaan van de dienstbetrekking hebben afgesproken. Voor het bestaan van een gezagsverhouding is overigens niet vereist dat er daadwerkelijk aanwijzingen en/of instructies omtrent de vervulling van de functie gegeven worden, voldoende is dat dergelijke aanwijzingen en/ of instructies kunnen worden gegeven.
(…)
[D] BV was hoofdverantwoordelijke voor de situatie aan boord. Zij hadden de middelen en de mogelijkheden om het zo veilig mogelijk te maken. Zij waren verantwoordelijk voor het VMS en konden ook de benodigde middelen van het VMS verschaffen, zoals bijvoorbeeld het aantal manbakken, de juiste veiligheidsgordels en valbeveiligingen (fall-arresters). Ook waren zij mede verantwoordelijk voor de opleiding en het mede familiariseren van bemanningsleden. Tenslotte waren zij ook verantwoordelijk voor het toezicht op het daadwerkelijk naleven van de veiligheidsinstructies4..’
Uit bovenstaande kan worden afgeleid dat niet [B] C.V. maar [D] B.V. het volledige beheer over [A] had én dat [D] B.V. het personeel had ingehuurd.
Ook indien het hof terecht zou hebben geoordeeld ten aanzien van [slachtoffer] sprake was van een zee-arbeidsovereenkomst die beschouwd kan worden als een uitzendovereenkomst, is gelet op al het bovenstaande zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het personeel ‘ter beschikking is gesteld’ aan [B] C.V. en dat de werkzaamheden plaatsvonden onder ‘toezicht en leiding’ van [B] C.V.
3.4.3
Daarnaast heeft het hof in de kern geoordeeld dat [slachtoffer] door [verdachte] B.V. aan [B] C.V. ter beschikking was gesteld om ‘krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht’ arbeid te verrichten. Het hof heeft echter niets vastgesteld waaruit blijkt dat sprake was van een door [B] C.V. verstrekte opdracht aan [verdachte] B.V. Dit kan in ieder geval niet worden afgeleid uit de door het hof aangehaalde overeenkomst tussen [verdachte] B.V. en [slachtoffer], nu [B] C.V. geen partij was bij deze overeenkomst en deze overeenkomst enkel inhoudt waar [slachtoffer] komt te werken. In elk geval blijkt uit het voorgaande niet wie de opdracht tot het ‘ter beschikking stellen’ van [slachtoffer] heeft gegeven.
3.4.4
Dit oordeel is ook niet zonder meer begrijpelijk gezien het hiervoor onder punt 3.4.2 aangehaalde requisitoir, waaruit blijkt dat het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat het personeel werd ingehuurd door [D] B.V. en dat enkel de kosten werden gefactureerd aan [B] C.V. De overwegingen van het hof laten dus de mogelijkheid open dat de opdracht door [D] B.V., in het kader van het beheer van het schip M.S. [B], is verstrekt aan [verdachte] B.V. Het kennelijke oordeel van het hof dat [B] C.V. deze opdracht heeft verstrekt, is daarom niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
3.4.5
In andere woorden, ook indien wordt aangenomen dat sprake was van een zeearbeidsovereenkomst die beschouwd kan worden als een uitzendovereenkomst, zoals het hof heeft overwogen, dan zou daaruit hoogstens kunnen worden afgeleid dat [verdachte] B.V. geen werkgever meer was in de zin van de Arbowet. Uit de overwegingen van het hof kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat in dat geval [B] C.V. als werkgever heeft te gelden of dat [D] B.V. in elk geval niet als werkgever aangemerkt kan worden.
3.5
Naar het oordeel van rekwirant dient bovenstaande in zowel onderhavige zaak als in de zaak tegen [D] B.V. tot vernietiging van het arrest te leiden. De vraag of [verdachte] B.V. dan wel [D] B.V. als werkgever heeft te gelden, vergt immers gelet op het onder 2.1 t/m 2.4 geschetste juridisch kader een onderzoek van feitelijke aard.
Denkbaar is dat het hof op basis van dit onderzoek zal beslissen dat het slachtoffer in dienst was bij [verdachte] B.V., nog altijd gehouden was aanwijzingen van [verdachte] B.V. en gezagdragers in dienst bij [verdachte] B.V. op te volgen en dat dit bedrijf daarom als werkgever heeft te gelden. Dit in lijn met de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg.
Denkbaar is echter ook dat het hof zal oordelen dat [verdachte] B.V. [slachtoffer] ‘ter beschikking heeft gesteld’ aan [D] B.V., teneinde arbeid te verrichten op het door [D] B.V. beheerde schip [A]. Daarmee zou [D] B.V. werkgever in de zin van de Arbowet zijn.
In beide gevallen komt medeplegen dan ook al snel in beeld. Dit mede gelet op de zeer grote samenhang tussen de bedrijven, waarbij [D] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder is van [verdachte] B.V. en dus enkel sprake lijkt te zijn van een gecreëerde scheiding van verantwoordelijkheden voor technisch beheer en personeelsbeheer. Deze bedrijven kunnen daarom niet geheel los van elkaar worden gezien.
Gelet op al het bovenstaande kunnen beide arresten van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 juni 2023 niet in stand blijven.
Tweede middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 47 lid 1 ahf/ond 1 Sr, doordat het hof, zoals hieronder nader zal worden toegelicht, met het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat [B] C.V. de kwaliteit van werkgever als bedoeld in art. 1 lid 1 van de Arbowet bezit en dat [verdachte] B.V. en [D] B.V. daarom dienen te worden vrijgesproken van medeplegen van overtreding van art. 32 van de Arbowet, blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot medeplegen van een kwaliteitsdelict, dan wel dat dit oordeel onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is.
1.
Indien het oordeel van het hof in onderhavige zaak omtrent het begrip ‘werkgever’ in de zin van artikel 1 Arbowet volgens de Hoge Raad niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of het hof dit genoegzaam heeft gemotiveerd, dan stelt rekwirant het hierboven weergegeven tweede middel van cassatie voor en geldt het volgende.
2.
Het oordeel van het hof kan niet anders worden begrepen dan dat het van oordeel is dat in onderhavige zaak [B] C.V. werkgever is in de zin van de Arbowet.
Uit de in de inleiding onder punt 4 weergegeven motivering van het hof blijkt dat het hof aan de vrijspraak mede ten grondslag heeft gelegd dat ten aanzien van [verdachte] B.V. en [D] B.V. sprake is van een verdenking van medeplegen van een kwaliteitsdelict. In dat geval is vereist dat één van de medeplegers de voor het kwaliteitsdelict vereiste kwaliteit heeft. Nu noch [verdachte] B.V., noch [D] B.V. over deze kwaliteit beschikken, dienen zij te worden vrijgesproken van dit kwaliteitsdelict, aldus het hof.
3.
Het hof heeft terecht vooropgesteld dat voor medeplegen van een kwaliteitsdelict niet vereist is dat alle deelnemers de vereiste kwaliteit hebben. Voldoende is dat één van hen deze bezit en dat de overige deelnemers met deze hoedanigheid bekend waren (zie onder meer HR 21 juni 1926, NJ 1926, p. 955 en HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9096).
4.1
In het oordeel van het hof ligt echter ten onrechte de opvatting besloten dat is vereist dat degene die wel over de vereiste kwaliteit beschikt strafrechtelijk wordt vervolgd of veroordeeld. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Uit Hoge Raad 10 april 1973 (NJ 1973, 468) volgt eerder het tegendeel. De Hoge Raad overwoog in dat arrest:
‘(…) dat toch deze, blijkens de gegeven toelichting, berust op de misvatting, dat van een door req. tezamen met een schipper medeplegen van overtreding van art. 473 Sr. jo. art. 39, lid 5, Binnenaanvaringsreglement geen sprake zou kunnen zijn, indien de schipper te dier zake wegens het ontbreken van alle schuld niet zou kunnen worden gestraft.’
Het feit dat degene die de vereiste kwaliteit bezit niet strafbaar is, staat dus niet aan een veroordeling van eventuele medeplegers in de weg. Niet valt in te zien waarom dit dan wel zou gelden voor de situatie waarin degene met de vereiste kwaliteit, om welke reden dan ook, (nog) niet wordt vervolgd. Dit (kennelijke) oordeel getuigt om die reden van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2
In elk geval is de door het hof gegeven vrijspraak van het medeplegen van het onderhavige kwaliteitsdelict niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is het volgende van belang.
4.2.1
Aan de verdachte is, voor zover in dit verband van belang, tenlastegelegd dat zij op of omstreeks 18 mei 2016 te Moerdijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als werkgever al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop berustende bepalingen. De tenlastelegging houdt dus niet in dat [D] B.V. en [verdachte] B.V. enkel met elkaar het tenlastegelegde feit zouden hebben gepleegd. Ook indien zou worden aangenomen dat [B] C.V. als werkgever heeft te gelden, zouden [D] B.V. en [verdachte] B.V. nog steeds als medeplegers kunnen worden aangemerkt, indien zij een voldoende substantieel aandeel in de tenlastegelegde handelingen hadden.
4.2.2
Rekwirant stelt vast dat de hierboven voorgestelde bewijsconstructie niet zonder meer volgt uit hetgeen namens het openbaar ministerie ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep is aangevoerd. Het stond het hof evenwel vrij de tenlastelegging als zodanig op te vatten, zo volgt uit HR 3 november 1998, NJ 1999/124. Nu het oordeel van het hof niet anders kan worden begrepen dan dat het van oordeel is dat in onderhavige zaak [B] C.V. werkgever is in de zin van de Arbowet, behoorde het dat ook te doen.
4.2.3
Het hof heeft echter geen vaststellingen gedaan met betrekking tot, het aandeel van [verdachte] B.V. en [D] B.V. in het tot stand komen van het dodelijke ongeval in verband met een medeplegen met [B] C.V, waarbij [B] C.V. dan de voor het kwaliteitsdelict vereiste kwaliteit beschikt.
Mede gelet op hetgeen door het Openbaar Ministerie naar voren is gebracht, maakt dit nalaten het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Rekwirant verwijst daarbij onder meer naar hetgeen in het schriftelijke requisitoir ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg, waar de advocaat-generaal in hoger beroep naar heeft verwezen, naar voren is gebracht. Naast hetgeen rekwirant reeds heeft geciteerd bij de behandeling van het eerste middel, punt 3.4.2, wijst rekwirant daarbij ook nog op de volgende passages:
[verdachte] BV was de werkgever van de crew, kapitein, eerste en tweede stuurman, kok en matrozen. Zij leveren het personeel aan [D] BV, wetende dat in dit geval de matrozen ook bij het laden en lossen zullen worden ingezet. Zij hebben zeggenschap over hun personeel en gaan ook over de opleiding en kwaliteit van hun personeel. Derhalve hebben zijn zij op zijn minst medeverantwoordelijk geweest. Zij droegen echter niet de eindverantwoordelijkheid, want zij waren er niet bij als de werkzaamheden op de schepen plaatsvonden. Wel hadden zij zich er van moeten vergewissen hoe er werd gewerkt en of er veilig werd gewerkt. Het zijn immers jouw mensen.
(…)
Daarnaast was er gezien de verklaringen een sfeer te zijn ontstaan aan boord die de veiligheid niet bepaald ten goede kwam en waarbij de regels niet meer altijd even goed werden nageleefd. De veiligheidsmiddelen die beschikbaar waren werden niet gebruikt en er was niet voldoende toezicht om dit in de gaten te houden. Hierdoor heeft de situatie kunnen ontstaan dat de veiligheidsregels niet goed meer werden nageleefd en zoals reeds eerder opgemerkt, het is gevaarlijk werk en als mensen regelmatig worden blootgesteld aan gevaarlijk werk word je op den duur minder voorzichtig. En juist dan is goed toezicht onontbeerlijk en daar ontbrak het ten ene male aan!
Op grond hiervan acht ik de feiten toerekenbaar aan zowel [D] BV al aan [verdachte] BV. Immers, beide werkgevers wist dat in deze situatie de matrozen betrokken werden bij het laden en lossen, daar waar dit normaal door stuwadoors van het havenbedrijf wordt gedaan. Daar bestaat op zich geen bezwaar tegen, maar het brengt wel extra risico's met zich mee die niet alleen goed in kaart gebracht dienen te worden, maar het vergt ook meer coördinatie én inspanning. En met name op dat punt ging het mis5..
Gelet op het bovenstaande is het kennelijke oordeel van het hof dat [verdachte] B.V. en [D] B.V. niet als medeplegers van het tenlastegelegde feit kunnen worden aangemerkt niet zonder meer begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
5.2
Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat [B] C.V. weliswaar als werkgever van [slachtoffer] heeft te gelden, maar in onderhavig geval niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor overtreding van de Arbowet, omdat het beheer over het schip [A] door [B] C.V. geheel over was gedragen aan [D] B.V. en dat [B] C.V. dus geen (rechtstreekse) invloed op het incident van 18 mei 2016 kon uitoefenen, geldt dat dit op grond van hierboven genoemde arrest Hoge Raad 10 april 1973, NJ 1973/468 niet aan medeplegen in de weg behoeft te staan. De Hoge Raad overwoog in dat arrest immers ook:
‘Dat de gezagvoerder bewust de bevelvoering op de [naam 5], voor wat de aan te houden snelheid betreft, heeft overgelaten aan de tweede req. en zich van ingrijpen heeft onthouden, en dat de tweede req. van zijn kant zich ook bewust moet zijn geweest dat op dit stuk de bevelvoering hem door de schipper-gezagvoerder geheel was toevertrouwd en deze laatste zich ten deze van elk ingrijpen zou onthouden;
dat uit de gebezigde bewijsmiddelen verder kan worden afgeleid, dat, voor wat de aan te houden snelheid betreft, de bevelvoering in feite alleen is gevoerd door de tweede req. en dat als gevolg van de wijze waarop deze dit heeft gedaan en van het niet ingrijpen van de gezagvoerder de vaart van de [naam 5] niet tijdig en niet voldoende is verminderd;
dat op grond van een en ander de Ktr. en de Rb. tot de gevolgtrekking konden komen, dat het in het middel bedoelde niet tijdig en niet voldoende vaart laten verminderen het gevolg was van een bewuste samenwerking tussen de tweede req. en de gezagvoerder van de [naam 5], zodat de eerste grief faalt.’
Ook zo bezien is het oordeel van het hof in dat geval niet zonder meer begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
6.
Ook indien wordt aangenomen dat [B] C.V. de kwaliteit van werkgever als bedoeld in de Arbowet bezit, getuigt gezien het bovenstaande het oordeel van het hof dat [verdachte] B.V. en [D] B.V. van medeplegen van overtreding van art. 32 van de Arbowet dienen te worden vrijgesproken van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit oordeel onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Indien één of beide cassatiemiddelen doel treffen, zal het bestreden arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 juni 2023 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 27 september 2024
mr. G.K. Schoep
plv. advocaat-generaal bij het Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑09‑2024
In de zaak tegen [D] B.V. is door het Openbaar Ministerie eveneens cassatie ingesteld, HR nummer 23/02333 E. In die zaak wordt gelijktijdig met de zaak tegen [verdachte] B.V. een schriftuur ingediend.
Sinds de pleegdatum hebben meerdere wijzigingen van de arbeidsomstandighedenwet plaatsgevonden, maar die hebben niet geleid tot wijzigingen in de geciteerde bepalingen.
Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 26 april 2023, p. 12.
Schriftelijk requisitoir ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg, p. 8–9
Schriftelijk requisitoir ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg, p. 9–10