Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.2.1
3.2.1 Het materiële recht
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS493659:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
IR 19 mei 1967, NJ 1967/261 (Saladin/HBU).
Hijma 2010a, nr. 2: bedingen waarin door eigen opzet toegebrachte schade werd uitgesloten werden door nietigheid getroffen. Een boetebeding dat 'hei bedrag van de hoofdsom belangrijk zou kunnen overschrijden' werd echter niet i.s.m. de goede zeden geacht: HR 17 oktober 1969, NJ 1970/146.
Hierbij ging het in eerste instantie om exoneratiebedingen, de meest voorkomende bedingen in algemene voorwaarden. I.h.k.v. de anticipatie op het NBW zijn steeds meer typen bedingen op deze wijze aangepakt: HR 20 april 1990, NJ 1990/526(OTOS/Jonkman) betrof een vervalbeding.
Om. 'de zwaarte van de schuld', 'de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen', 'de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt', 'de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen', 'de wijze waarop het beding tot stand is gekomen' en 'de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest'.
HR 20 november 1981, NJ 1982/517(Holleman/De Klerk). In Ktr. Eindhoven 2 juni 1983, Prg. 1984/2160 werd gebruikgemaakt van zowel de derogerende werking van de objectieve goede trouw als de wilsvertrouwensleer.
Jongeneel 2010b, p. 134. Teneinde de gebondenheid vast te stellen werd ook naar de inhoud van het beding gekeken: Ktr. Nijmegen 3 januari 1986, Prg. 1986/2524.
HR 28 april 1989, NJ 1990/583(Liszkay/Harman); Ktr. Rotterdam 16 juli 1985, Prg 1985/2357.
Wanneer niet anders vermeld behoren de in dit hoofdstuk aangehaalde artikelen tot het BW.
Jongeneel 2010b, p. 147. Er wordt na de invoering van het NBW gesproken over een Wee-fasen-benadering': Loos 2001, nr. 102 ex.
Jongeneel 2010b, p. 134.
Wessels en Wissink 2010, p. 4.
HR 25 april 1986, NJ 1986/714(Van der Meer/Smilde); HR 23 maart 1990, NJ 1991/214(Botman/Van Haaster). Zie echter HR 16 januari 1987, NJ 1987/553 (Hooijen/De Tilburgse). Het was overigens de bedoeling dat de Wet op de standaardvoorwaarden eerder dan het NBW zou worden ingevoerd: Hondius 1978, nr. 84. Dat is niet gebeurd.
86. Het tijdperk voorafgaand aan de omzetting van de Richtlijn OB is onderverdeeld in twee periodes: die van het oude en die van het nieuwe Burgerlijk Wetboek dat op 1 januari 1992 in werking trad. Onder het regime van het oude BW kan een onderscheid worden gemaakt tussen de periode voorafgaand aan het Saladin/HBU-arrest1 en de periode daarna. Tot aan 1967 konden onereuze bedingen via het vereiste van de ongeoorloofde oorzaak (art. 1373 jo. 1371 BW (oud)), op grond van strijd met de openbare orde en/of de goede zeden nietig worden verklaard.2 Deze geldigheidstoetsing heeft veel van haar betekenis verloren door de opkomst van de derogerende werking van de objectieve goede trouw.
Onder het oude BW speelde art. 1374 lid 3 vanaf 1967 de hoofdrol bij de bestrijding van contractsbedingen.3 In 1967 werd in het Saladin/HBU-arrest voor het eerst de vraag gesteld of een beroep op een exoneratiebeding in strijd was met de goede trouw. In dit arrest heeft de Hoge Raad een catalogus van omstandigheden opgesteld aan de hand waarvan de toetsing van het beroep op het exoneratiebeding aan de goede trouw diende plaats te vinden.4 De toetsing van een beroep op een beding aan de objectieve goede trouw vormt een uitoefeningstoets die zeer ruim en feitelijk van aard is.
Daarnaast werden nadelige bedingen onder het regime van het oude BW aan de hand van de wilsvertrouwensleer (art. 1356 lid 1) aangepakt.5 In het Holleman/De Klerk-arrest werd overwogen dat het feit dat algemene voorwaarden zijn aanvaard niet uitsluit 'dat er zich onder die voorwaarden bepalingen bevinden van een zodanige inhoud dat de toestemming van de wederpartij niet kan worden geacht op toepasselijkverklaring ook daarvan gericht te zijn geweest. Of dit het geval is, is een kwestie van uitleg van de overeenkomst'. Deze toets vormt eigenlijk een `verkapte' en 'oneigenlijke' inhoudstoets.6 Tot slot was er de mogelijkheid tot een uitleg contra proferentem.7
Er bestond onder het oude BW geen wettelijke grondslag voor de inhoudelijke toetsing van oneerlijke bedingen. Bovengenoemde methoden — uitleg en uitoefeningstoets — waren naar hun aard weinig rechtszeker. De nieuwe afdeling 6.5.3 BW moest een inhoudelijke toetsing mogelijk maken en de rechtszekerheid dienen.8
87. Sinds 1 januari 1992 is het nieuwe BW en hiermee afdeling 6.5.3 van kracht. De onredelijk bezwarendheidstoets uit art. 6:233 onder a9 kan worden beschouwd als een van de objectieve goede trouw afgeleide norm, toegesneden op de inhoud van bedingen uit algemene voorwaarden:
`Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij'
De open norm wordt in afdeling 6.5.3 vergezeld door een grijze en een zwarte lijst van bedingen: resp. art. 6:236 en 6:237. Art. 6:240-6:243 beschrijven het collectieve controlemechanisme. De uitoefeningstoets blijft ook onder het nieuwe BW mogelijk en blijkt van onverminderd belang.10 De inhoudstoets gaat vooraf aan de uitoefeningstoets ex art. 6:248 lid 2. De Holleman/De Klerk-formule — de toetsing van de toestemming van de consument-wederpartij in het licht van de wilsvertrouwensleer — past echter niet langer in de systematiek van het NBW en van afdeling 6.5.3 in het bijzonder.11 Het nieuwe art. 6:232 — waarin de aanvaarding van de voorwaarden 'als complex' wordt geregeld — staat een beroep op deze formule in de weg. Deze regel is dan ook in onbruik geraakt.
De nieuwe open norm was een jaar oud toen de richtlijn tot stand kwam. Afdeling 6.5.3 heeft een lange totstandkomingsgeschiedenis waarin de richtlijn geen rol heeft gespeeld. De Wet algemene voorwaarden haalde reeds in 1987 het Staatsblad.12 In de rechtspraak is voor haar invoering al regelmatig op deze afdeling geanticipeerd.13