Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.7.2
17.7.2 Een aantal ongelukkige uitspraken uit feitelijke instanties
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372585:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Amsterdam 19 juli 1995, NJ 1996, 543.
BR 4 juni 2004, NJ 2004, 603.
BR 1 december 2000, NJ 2001, 46.
BR 25 januari 2002, NJ 2002, 169.
BR 24 november 2006, NJ 2006, 642,
Met uitzondering van Rechtbank Amsterdam 19 juli 1995, NJ 1996, 543; voor zover mij bekend werd daar geen hoger beroep ingesteld.
Overigens zijn er natuurlijk ook vele juiste beslissingen. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 30 juli 2002, NJ2003, 546: 'Stegers heeft aangevoerd dat de bij repliek overgelegde brieven geen stuitingshandelingen als bedoeld in artikel 3:317 BW behelzen, omdat er sprake is van een verzoek en niet van een aanmaning en voorts omdat de gemeente slechts spreekt van invordering door middel van een dwangbevel en niet van een dagvaarding. Deze stelling wordt verworpen. Uit voormelde brieven vloeit voort dat de gemeente de verbeurde dwangsommen wenst te incasseren. Dat is volstrekt helder. De omstandigheid dat de gemeente rept van het uitvaardigen van een dwangbevel en niet van het uitbrengen van een dagvaarding indien de dwangsommen niet voldaan worden, ontneemt deze brieven niet het karakter van een stuitingshandeling.' Zie ook Hof Amsterdam 8 januari 2004, NJF 2004, 284, waarin werd overwogen: 'Waar meergenoemde brief van 9 augustus 1999 door de procureur van Mohamed Ali is geschreven, aan Wennink in persoon is gericht en er blijkens de daarin gebruikte bewoordingen toe strekte het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht 'alvast ter kennisneming' aan hem te doen toekomen en voorts op bladzijde 2, in 2., van dat verzoek met zoveel woorden wordt gesteld dat Mohamed-Ali 'overweegt een civielrechtelijke schadevergoedingsvordering in te stellen' tegen Wennink, is deze naar het oordeel van het hof voldoende door Mohamed Ali gewaarschuwd om zijn processuele positie met het oog op een geding als het onderhavige veilig te kunnen stellen. (...) Dit betekent dat Mohamed Ali zich terecht op het standpunt stelt dat de verjaringstermijn met de brief van haar procureur van 9 augustus 1999 en het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht is gestuit. (...)'
In feitelijke instanties is het met de interpretatie van art. 3:317 BW soms anders gesteld. Met zekere regelmaat verschijnen vonnissen en arresten die met de rechtspraak van de Hoge Raad onverenigbaar zijn, in de zin dat in die uitspraken art. 3:317 BW aanzienlijk enger en formalistischer wordt uitgelegd. Laat ik een aantal voorbeelden geven. Volgens de feitenrechters vormden geen schriftelijke mededeling in de zin van art. 3:317 BW de volgende uitingen:
"Het aansprakelijk houden, het verzoek het standpunt alsnog te willen bezien en het verzoek een standpuntwijziging tot stand te willen brengen (samenvatting van de citaten uit de brieven van de FNV zoals hierboven onder (...) vermeld), wijzen eerder op een onderhandelingssituatie dan op een ondubbelzinnig voorbehoud op een recht tot nakoming."1
"Wellicht is het u bekend, dat mijn man sinds medio 1997 van de één op de andere dag is geconfronteerd met een enorme salaristerugval. Hij ontvangt nu bruto een bedrag wat hij voorheen netto heeft ontvangen. Gezien het feit, dat hij 987,75 uur tegoed heeft, conform bijgaande urenspecificatie, verzoek ik u deze uren x f 38 49 bruto per uur in 1997 nog uit te betalen."2
"(...) Alhoewel ik op 30 december 1992 al heb geschreven dat cliënt nakoming wenst van de openstaande facturen, doe ik u thans andermaal kopieën van de onderhavige facturen toekomen. V.w.b. de facturen 757 en 763 loopt thans een Kantongerechtsprocedure. Het onderhavige schrijven zal u ook per aangetekende post worden aangeboden?"3
"Onze incassopogingen hebben geen resultaat opgeleverd. (...) Alvorens nu onze advokaat opdracht te geven beslag te leggen op Uw salaris geven wij U nog een keer de gelegenheid om ons schrijven te beantwoorden?"4
"(...) Naar mijn mening valt aan de aansprakelijkheid van de bestuurder van de bij U verzekerde motorfiets niet te tornen en staat ook vast, dat de klachten van mijn cliënte afkomstig zijn van het ongeval. Ik verzoek U vriendelijk thans met enige spoed het nodige te doen om tot regeling van deze schade over te kunnen gaan. U zou bijvoorbeeld een schaderegelaar in kunnen schakelen.(…)”.5
Steeds6 kwam de Hoge Raad, begrijpelijkerwijze, tot het andersluidende oordeel dat wél sprake was van een stuitende mededeling in de zin van art. 3:317 BW.7