Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.4
2.4 Voorrecht op loon
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS297501:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Deze regels vinden hun oorsprong in het Romeinse recht en het latere Franse executierecht, uitgebreid hierover: Erasmus 1976, p. 16 e.v.
Erasmus 1976, p. 15. Dit beginsel is thans vastgelegd in artikel 3:277 lid 1 BW.
Met de wijziging in de Nederlandse wetgeving van de term 'privilege' in 'voorrecht', die uiteindelijk in 1992 haar beslag kreeg, is geen materiële verandering beoogd. Het was meer een taalkundige correctie, 'een kwestie van taalzuivering', aldus Erasmus 1976, p. 26.
Voorrechten ontstaan alleen uit de wet, aldus artikel 3:278 lid 2, zie ook HR 19 september 1958, NJ 1959, 113 en HR 11 april 2014, JAR 2014/144, m.nt. Van der Pijl. Voorrechten rusten op bepaalde goederen of op alle tot een vermogen behorende goederen.
Dit verdrag dateert uit 1949 en is door Nederland in 1952 geratificeerd; in par. 3.5 wordt hier op teruggekomen.
Zie Fesevur 2017, p. 1-16, die onder meer ook verwijst naar het preadvies van p. A. Stein, Preadvies NJV (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1986, waarin op p. 77 wordt voorgesteld dit voorrecht af te schaffen.
Op het moment van invoering van de Faillissementswet en de Wet op de arbeidsovereenkomst bestonden er al regels voor de wijze waarop en volgorde waarin schuldeisers zich op het vermogen van een schuldenaar kunnen verhalen.1 Het gelijkheidsbeginsel (paritas creditorum) is daarbij steeds het primaire uitgangspunt: in beginsel hebben alle schuldeisers gelijke aanspraken op het vermogen van hun debiteur, waarbij vanzelfsprekend de grootte van ieders vordering grondslag voor de verdeling naar rato vormt.2 Uitzondering daarop vormt het zgn. voorrecht (aanvankelijk ook wel aangeduid met de in het Franse recht gehanteerde term privilege3), dat bepaalde schuldeisers voorrang verleent boven andere crediteuren.4 Ook voor de werknemer bestaat van meet af aan een voorrecht op voldoening van zijn loon en wat daarmee samenhangt. Van dit voorrecht kan voorts worden gezegd dat het mede zijn basis vindt in een verdragsbepaling; in artikel 11 van het ILO-verdrag met nr. 95 is dit voorrecht opgenomen.5
Het bestaan van bevoorrechte vorderingen is overigens al decennia lang onderwerp van discussie.6 Een voorrecht voor de ene schuldeiser gaat immers per definitie ten koste van de andere schuldeiser(s). Ter illustratie: bij de herziening van het Burgerlijk Wetboek in 1992 is het aantal voorrechten aanzienlijk beperkt. Het voorrecht van de werknemer is echter blijven bestaan. Reden: niet alleen de nog altijd als sociaal zwakker aangemerkte positie van de werknemer, maar ook het feit dat een werknemer minder vrijheid zou hebben in de keuze van zijn schuldenaar c.q. werkgever dan andere schuldeisers en bovendien in de regel met slechts één schuldeiser heeft te maken, hetgeen de afhankelijkheid vergroot. Afschaffing van het civielrechtelijke voorrecht op loon is in een rapport uit 1974 van de toentertijd door de regering ingestelde Commissie-Houwing (dat ten grondslag lag aan de genoemde herziening van de voorrechten in 1992) niettemin nadrukkelijk overwogen, omdat het volgens de commissie meer voor de hand zou liggen tot een publiekrechtelijke regeling te komen ten laste van de gemeenschap (de loongarantieregeling) dan een voorrecht te creëren dat ten koste gaat van een willekeurig samengestelde groep van andere schuldeisers. Het verlenen van preferentie aan de loonvordering gaat in faillissement immers rechtstreeks ten koste van de andere schuldeisers. Uiteindelijk werd de toentertijd betrekkelijk jonge loongarantieregeling (uit 1968, meer hierover in paragraaf 2.7) qua reikwijdte en werkingssfeer echter nog als te mager aangemerkt om het voorrecht op loon al geheel en al af te kunnen schaffen. De aanvullende bescherming die hiermee uiteindelijk aan werknemers werd en ook nu nog altijd wordt geboden vormt in principieel opzicht een belangwekkende (en nader in dit boek te bespreken) ontwikkeling, nu daarmee een nuancering, om niet te zeggen: aantasting van het beginsel van de paritas creditorum in het leven is geroepen, ten behoeve van een specifieke, veelal omvangrijke groep schuldeisers: de werknemers.