Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.5.a:7.5.a Recht op beroep
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.5.a
7.5.a Recht op beroep
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609532:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2 Zevende Protocol EVRM is voor de meeste beroepen in cassatie niet van belang. Beide verdragsbepalingen garanderen immers slechts eenmalig beroep tegen een veroordeling, terwijl aan een beroep in cassatie in Nederland in de meeste gevallen hoger beroep voorafgaat. Dit is anders indien rechtstreeks tegen een rechtbankvonnis cassatie wordt ingesteld en indien na een vrijspraak in eerste aanleg voor het eerst in hoger beroep een veroordeling wordt uitgesproken.1 In deze gevallen fungeert de Hoge Raad immers als eerste beroepsinstantie tegen een veroordeling en volgens artikel 14 lid 5 IVBPR moet tegen elke eerste veroordeling openstaan, ongeacht in welke instantie deze is gegeven. Er zijn dus gevallen – behoudens bagatellen – waarin de beoordeling van het cassatieberoep volledig moet voldoen aan het verdragsrecht op beroep.
Artikel 2P7 EVRM laat zo veel ruimte voor inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling, dat bij de huidige stand van de rechtspraak 80a-afdoening daarmee niet in strijd zal zijn. Voor artikel 14 lid 5 IVBPR valt deze toetsing waarschijnlijk anders uit, nogmaals: indien van toepassing. Volgens vaste jurisprudentie van het CRM kan een verlofstelsel namelijk worden beschouwd als een modaliteit van review en dient verlofbeoordeling daarom binnen het reguliere toetsingskader voor rechtsmiddelen te worden beoordeeld. Binnen dat kader moet ook verloftoetsing een full review inhouden, dus betrekking hebben op zowel feitelijke als juridische kwesties en ruimte laten voor grondige beoordeling van de aard van de zaak, aldus het CRM.2 Een verlofstelsel in beroep is dus toegelaten, mits inhoudelijke toegangsbeoordeling plaatsvindt. Bovendien blijkt uit Noorse zaken dat het inhoudelijke karakter van de toegangsbeoordeling duidelijk in de motivering van het toegangsoordeel of anderszins zichtbaar moet worden gemaakt.3
Artikel 80a RO laat daarentegen ten eerste vrije toegangsbeoordeling toe, zij het dat die vrije toegangsbeoordeling tot nog toe aan de inhoud van het beroep is gerelateerd. Dat wil zeggen dat de Hoge Raad weliswaar beroepen niet-ontvankelijk verklaart in gevallen waarin gewoonlijk werd vernietigd, maar alleen als naar het oordeel van de Hoge Raad in wezen niet voldoende belang bestaat bij vernietiging en nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Materieel is de vrije toegangsbeoordeling dus nog steeds verbonden aan de validiteit van de bestreden uitspraak, maar die binding is losser dan strikte toetsing van de cassatiegronden. Onder artikel 80a RO lijkt vernietiging en terugwijzing voorts subsidiair en proportioneel te moeten zijn, terwijl eveneens bijvoorbeeld een Schutznorm-vereiste lijkt te worden gesteld.4 De jurisprudentie van het CRM maakt niet duidelijk of dit soort ‘inhoudelijke-toegangsbeoordeling-met-speling’ is toegelaten, maar juist daarom bestaat voor Nederland het risico dat het CRM dit als vrije toegangsbeoordeling betitelt en daarom niet als volwaardige review kwalificeert.
Ten tweede laat de praktijk zien dat 80a-beslissingen in veel gevallen alleen met een standaardformulering worden gemotiveerd. Als zich dus een geval voordoet waarin artikel 14 lid 5 IVBPR van toepassing is op het beroep in cassatie, dan bestaat zeker de mogelijkheid dat het CRM met de gebruikelijke summier gemotiveerde 80a-beoordeling geen vrede heeft. Ik schrijf ‘gebruikelijke’, omdat de Hoge Raad juist in de bijzondere gevallen waarin artikel 14 lid 5 IVBPR wel op cassatie van toepassing is artikel 80a RO buiten toepassing kan laten of in elk geval (inhoudelijke) toegangsweigering op grond van die bepaling uitgebreid kan motiveren. Strijdigheid van artikel 80a RO met artikel 14 lid 5 IVBPR, kan de Hoge Raad dus zelf voorkomen.
Van belang is verder dat het CRM op grond van artikel 14 lid 5 IVBPR vereist dat de toegang tot een beroepsinstantie na het eerste beroep “effective” moet zijn.5 In zoverre is het verdragsrecht op beroep toch algemeen op cassatie van toepassing. Zeer onduidelijk is echter wat het vereiste van effectieve toegang volgens het CRM betekent, maar dit open criterium vormt intussen wel een aanknopingspunt voor klachten over het verlofstelsel van artikel 80a RO.