De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/2.1:2.1 De hoofdstukindeling van het onderzoek
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/2.1
2.1 De hoofdstukindeling van het onderzoek
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS387516:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderhavig onderzoek is als volgt opgezet. Ieder hoofdstuk vangt aan met een inleiding en wordt afgesloten met een beknopte samenvatting en een conclusie. De hoofdstukken 3 en 4 vormen de algemene hoofdstukken van het onderzoek. In hoofdstuk 3 staat de ontbinding van een ‘lege BV’ centraal. Het hoofdstuk begint met een korte beschrijving van de mogelijke wettelijke ontbindingsvormen van een BV. Beschreven wordt de ontbinding door een besluit van de algemene vergadering, de ontbinding bij het intreden van een gebeurtenis, de ontbinding na faillietverklaring, de rechterlijke ontbinding en de ontbinding door de Kamer van Koophandel. Alvorens uitgebreid in te gaan op de ontbinding van ‘lege BV’s’, zal de vraag wat onder een ‘lege BV’ dient te worden verstaan, worden beantwoord. In hoofdstuk 4 wordt de turboliquidatie als ontbindingswijze zonder vereffening beschreven. Er wordt kort ingegaan op de wetshistorie van de turboliquidatie, waarna
de verschillende soorten turboliquidaties aan bod komen. Vervolgens wordt het onderscheid tussen de mogelijke wettelijke ontbindingsvormen beschreven alsmede de vereffeningsprocedure.
Hoofdstuk 5 schetst de turboliquidatie als drieledig stappenplan: 1) het ontbreken van baten ten tijde van ontbinding, 2) het ontbreken van schulden ten tijde van ontbinding en 3) de melding aan de Kamer van Koophandel.
In hoofdstuk 6 wordt een antwoord gezocht op de vraag welk orgaan constateringsbevoegd is inzake de beslissing tot turboliquidatie van een BV. Hierbij wordt allereerst ingegaan op de grondslag van de bevoegdheid. Vervolgens wordt onderzoek verricht naar de rol van de verhouding tussen de aandeelhouders en het bestuur inzake het vraagstuk omtrent het constateringsbevoegde orgaan alsook naar de mate
waarin de bescherming van schuldeisers gewaarborgd is. Ook de rol van de Kamer van Koophandel – en daarmee het handelsregister – wordt beschreven.
Hoofdstuk 7 heeft betrekking op de voorwaarde die wordt gesteld aan de turboliquidatie van een BV: het ontbreken van baten ten tijde van ontbinding. Er wordt met name ingegaan op twee curieuze ‘baten’: het nominaal aandelenkapitaal en de latente belastingteruggaven. Beargumenteerd wordt dat de in de jurisprudentie gehanteerde opvatting dat het nominaal aandelenkapitaal een bate is, onjuist is, omdat het nominaal aandelenkapitaal niet als schuld van de BV kan worden aangemerkt. Bovendien wordt gesteld dat een latente belastingteruggave niet als bate kan worden beschouwd, omdat dit een voorwaardelijke vordering betreft.
In hoofdstuk 8 wordt de herleving van een turbogeliquideerde BV behandeld. Ingegaan wordt op de heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c lid 1 BW, waarbij het vereiste van het bestaan van baten en de stelplicht en bewijslast worden beschreven.
De focus van dit hoofdstuk ligt op vier merkwaardigheden in enerzijds de wettekst en anderzijds de jurisprudentie van de Hoge Raad. De betekenis van het herlevingsfenomeen, de verhouding tussen het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 en artikel 2:23c lid 1 BW, de verhouding tussen het vierde en vijfde lid van artikel 2:19 BW en de faillissementsaanvraag als grond voor herleving van een turbogeliquideerde BV zullen in dit hoofdstuk centraal staan.
In hoofdstuk 9 worden de gevolgen van de herleving van een turbogeliquideerde BV buiten faillissement besproken. Hierbij wordt ingegaan op het risico van bestuurdersaansprakelijkheid, zowel intern (op grond van artikel 2:9 en 2:216 BW), extern (op grond van artikel 6:162 BW), fiscaal (op grond van artikel 36 IW) als in concernverhouding.
Hoofdstuk 10 behandelt de gevolgen van de herleving van de turbogeliquideerde BV in faillissement. Besproken wordt de faillissementspauliana alsmede de bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW, waarbij ten aanzien van de bestuursaansprakelijkheid de bijzondere rol van artikel 2:248 BW, de bewijsvermoedens van het tweede lid en de driejaarstermijn van het zesde lid bijzondere aandacht verdienen.
De inhoudelijke hoofdstukken worden afgesloten met hoofdstuk 11, waarin BV-fraude centraal staat. Onderzocht wordt wat de term BV-fraude omvat, op welke wijze BV-fraude wordt bestreden door middel van antimisbruikwetgeving en hoe wettelijke misbruikbestrijding er in de toekomst zal uitzien. Tot slot wordt beschreven hoe de turboliquidatie als ontbindingswijze van BV’s in relatie staat tot BV-fraude.
De afsluiting van onderhavig onderzoek vormen de hoofdstukken 12 tot en met 15. In hoofdstuk 12 wordt een samenvatting gegeven en in hoofdstuk 13 wordt de conclusie geformuleerd. In hoofdstuk 14 wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor de rechtspraktijk. Bovendien wordt een aantal aanbevelingen tot wijziging van de wet gedaan. In hoofdstuk 15 worden tot slot de Engelstalige samenvatting, conclusie en aanbevelingen opgenomen.