Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/1.5:1.5 Te behandelen vragen; hoofdstukindeling
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/1.5
1.5 Te behandelen vragen; hoofdstukindeling
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430534:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er bestaat een zekere wisselwerking tussen enerzijds de open bevoegdheidsnormen forum non conveniens, forum conveniens en forum necessitatis en anderzijds de gronden waarop de Nederlandse rechter zijn rechtsmacht baseert. Naarmate de bevoegdheidsgronden een nauwere band tussen het geschil en het forum garanderen, neemt de behoefte aan een forum non conveniens-correctie af. Zijn de bevoegdheidsgronden daarentegen te eng geformuleerd, dan neemt de behoefte aan rechtsmacht-scheppende fora zoals het forum conveniens en het forum necessitatis juist toe. De behandeling van de drie flexibiliteitsmechanismen zal in het vervolg daarom steeds in een breder bevoegdheidsrechtelijk kader worden geplaatst; steeds zal de bevoegdheidsregeling kort uiteengezet worden om vervolgens te kunnen bepalen of de desbetreffende regeling aanleiding geeft voor een beperking van de rechtsmacht in de vorm van een forum non conveniens-correctie en/of voor een uitbreiding van de rechtsmacht in de vorm van een forum conveniens- en forum necessitatis-aanvulling.
Het onderzoek voltrekt zich op twee niveaus. Om te beginnen op het nationale commune niveau, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het 'oude' en 'nieuwe' burgerlijk procesrecht. In hoofdstuk 2 komt het forum non conveniens zoals dit was neergelegd in art. 429c Rv oud aan bod. Ingevolge art. 429c Rv oud achtte de Nederlandse rechter zich forum non conveniens indien het verzoek onvoldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland had. Deze forum non conveniensdiscretie strekte zich in beginsel uit tot alle verzoekschriftprocedures. Aan de hand van de parlementaire geschiedenis zal worden onderzocht wat destijds de beweegreden van de wetgever is geweest om forum non conveniens in het Nederlandse recht te introduceren. Rechtspraak illustreert de toepassing van art. 429c Rv oud door Nederlandse gerechten. Met de inwerkingtreding van art. 1-14 Rv op 1 januari 2002 is art. 429c Rv oud komen te vervallen. De toepassing van forum non conveniens beperkt zich thans tot het in art. 4 lid 3 sub b Rv genoemde geval, te weten het nevenverzoek tot gezag en omgang met betrekking tot kinderen in het kader van een bij de Nederlandse rechter aanhangige echtscheidingsprocedure. De Nederlandse rechter verklaart zich forum non conveniens indien hij zich 'wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.' In hoofdstuk 3 komt de vraag aan de orde of deze beperking van forum non conveniens is gerechtvaardigd in het licht van de in de nieuwe rechtsmachtregeling gehanteerde rechtsmachtgronden. De volgende vragen komen aan bod. Waarom is de algemene forum non conveniens-regel voor verzoek-schriftprocedures komen te vervallen? En wat is de reden om forum non conveniens wel te handhaven voor het nevenverzoek tot gezag en omgang? Hoe moet dit in art. 4 lid 3 sub b Rv neergelegde forum non conveniens worden uitgelegd? Wanneer verklaart de Nederlandse rechter zich forum non conveniens? Welke factoren spelen hierbij een rol?
Op het nationale commune niveau wordt verder aandacht besteed aan de twee andere open bevoegdheidsnormen, te weten het forum conveniens en het forum necessitatis. Deze rechtsmachtscheppende fora hebben beide een plaats gekregen in de nieuwe regeling inzake de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter (art. 1-14 Rv). Hoofdstuk 4 handelt over de algemene voor verzoekschriftprocedures geldende forum conveniens-regel (art. 3 sub c Rv), maar ook de speciale forum conveniens-regel voor zelfstandige zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid (art. 5 Rv) komt aan bod. De vraag wordt aan de orde gesteld wanneer precies sprake is van 'voldoende verbondenheid met de rechtssfeer van Nederland'. In welke gevallen verklaart de Nederlandse rechter zich forum conveniens? Welke factoren spelen hierbij een rol? In hoofdstuk 5 wordt uitgebreid aandacht besteed aan de noodbevoegdheid van de Nederlandse rechter, ook wel forum necessitatis genoemd. Uit de rechtspraak blijkt dat deze bevoegdheidsgrond te pas en te onpas wordt ingeroepen, in de hoop in Nederland een bevoegde rechter te vinden. Hoe reageert de Nederlandse rechter daarop? En wat is de verhouding van het forum necessitatis tot de overige bepalingen uit de commune rechtsmachtregeling (art. 1-14 Rv)? Wanneer verklaart de Nederlandse rechter zich als forum necessitatis bevoegd? Welke factoren spelen hierbij zoal een rol? Tot slot rijst in de hoofdstukken 4 en 5 de vraag of de ruime discretionaire vrijheid die de Nederlandse rechter op grond van forum conveniens en forum necessitatis bezit, niet op een al te gespannen voet staat met het beginsel van rechtszekerheid.
Na behandeling van forum (non) conveniens en forum necessitatis in het Nederlandse commune recht wordt het onderzoek in de twee volgende hoofdstukken 6 en 7 voortgezet op het terrein van het Europese IPR-bevoegdheidsrecht. Nagegaan wordt wat de beweegredenen zijn geweest om wel een forum non conveniens-discretie op te nemen in de Verordening Brussel Ilbis, maar niet in de EEX-Verordening. Hoofdstuk 6 handelt over de Verordening Brussel IIbis, en in het bijzonder over het in art. 15 opgenomen Europese forum non conveniens-mechanisme dat geldt in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van art. 15 kan het ten gronde bevoegde gerecht van een lidstaat de zaak verwijzen naar het gerecht van een lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft en dat beter in staat is om het belang van het kind te beoordelen. Wat heeft de Brusselse wetgever ertoe gebracht om deze specifieke vorm van forum non conveniens mogelijk te maken? In hoofdstuk 6 volgt een gedetailleerde uiteenzetting van het verloop van de verwijzingsprocedure, om vervolgens de balans op te maken: is art. 15 Verordening Brussel lIbis een aanwinst voor de rechtspraktijk? In hoofdstuk 7 besteed ik aandacht aan de controversiële vraag naar de compatibiliteit van het forum non conveniens-leerstuk met het EEX-Verdrag1 resp. de EEX-Verordening. In de internationale literatuur wordt hierover verschillend gedacht, met name als de zaak binding heeft met één lidstaat en een niet-lidstaat en het geschikter bevonden alternatief forum in een niet-lidstaat is gelegen. Deze vraag is actueel geworden met een prejudiciële beslissing van het HvJ EG van 1 maart 2005.2 Welke gevolgen heeft deze prejudiciële beslissing voor de discussie? Is het doek voor het forum non conveniens-leerstuk in EEX-verband definitief gevallen?
In hoofdstuk 8 staat de Amerikaanse forum non conveniens-leer centraal. Het doel van dit hoofdstuk is tweeërlei. In de eerste plaats beoogt het enig inzicht te verschaffen in de Amerikaanse forum non conveniens-praktijk. Welke factoren neemt de Amerikaanse rechter in acht bij de forum non conveniens-vraag en in welke gevallen verklaart hij zich forum non conveniens? Wat zijn de gevolgen van een forum non conveniens-beslissing? In de tweede plaats komt aan de orde welke overeenkomsten en verschillen er bestaan tussen enerzijds de Amerikaanse forum non conveniens-leer en anderzijds de forum non conveniens-varianten uit het Nederlandse commune recht en de Verordening Brussel IIbis. In het laatste hoofdstuk 9 volgt een samenvatting van het onderzoek en wordt een aantal conclusies genomen.