Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.3.2.3
4.3.2.3 Geen terugwerkende kracht
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480524:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
TM en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 248 en 250; VC II Inv, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1252. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/146; Snijders & Rank-Berenschot 2012/406; en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/660. De terugwerkende kracht van bekrachtiging van een rechtshandeling verricht door een onbevoegde vertegenwoordiger volgt daarentegen wel met zoveel woorden uit de wettekst. Zie art. 3:69 lid 1 BW.
Overigens is de positie van de verkrijger op grond van een bekrachtigde overdracht niet beter dan de verkrijger aan wie bij voorbaat is geleverd in het geval de vervreemder tussentijds is gefailleerd. De terugwerkende kracht van de bekrachtiging gaat namelijk niet zover dat de verkrijger eraan kan voorbijgaan dat het goed in de tussentijd voorwerp is geworden van een faillissementsbeslag. Zie nr. 64.
Zie ook nr. 64.
Zie nr. 171.
Vgl. art. 3:38 lid 1, 6:21 en 6:22 BW. Zie ook TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 185.
157. Uit het karakter van de levering bij voorbaat volgt dat aan de uiteindelijke overdracht geen terugwerkende kracht wordt toegekend.1 Hierin verschilt zij van een op onmiddellijke overgang gerichte levering door een beschikkingsonbevoegde die op later moment alsnog bevoegd wordt. De overdracht kan in dat geval door bekrachtiging (of zo men wil: convalescentie) met terugwerkende kracht worden geheeld op de voet van art. 3:58 BW. Hoewel dit in de wettekst niet tot uitdrukking komt, heeft bekrachtiging terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop de nietige rechtshandeling werd verricht.2 In het voorbeeld van een levering door een beschikkingsonbevoegde heeft bekrachtiging van deze overdracht tot gevolg dat zij wordt geacht steeds geldig te zijn geweest. De verkrijger heeft het goed – achteraf bezien – ten tijde van de levering verkregen.3 De terugwerkende kracht spoort met het kennelijke verwachtingspatroon van de betrokkenen. De gedachte is dat het geen goede zin meer heeft om het verleden overhoop te halen, indien het ontbrekende vereiste alsnog is vervuld.4
Het verwachtingspatroon van de betrokkenen bij een levering bij voorbaat van een toekomstig goed is een geheel andere. De vervreemder en verkrijger nemen namelijk welbewust een voorschot op het toekomstig vermogen van de vervreemder. De verkrijger weet dat hij het geleverde goed pas kan verkrijgen zodra de vervreemder het zelf verwerft.5 Er is in dat geval geen aanleiding om aan de verkrijging terugwerkende kracht te verlenen. Dat geldt des te sterker in het licht van de algemene notie dat in het huidige vermogensrecht terughoudendheid wordt betracht met de constructie van terugwerkende kracht. De werking van de levering bij voorbaat in de zin dat zij tot overdracht kan leiden, is eenvoudigweg uitgesteld tot het tijdstip waarop het goed door de vervreemder wordt verkregen. De levering bij voorbaat vertoont op dit punt verwantschap met een onder opschortende voorwaarde verrichte rechtshandeling.6 De bij voorbaat verrichte levering heeft immers ook pas volledig gevolg met het plaatsvinden van de toekomstige onzekere gebeurtenis, namelijk dat de vervreemder het geleverde goed verwerft.7 Ten aanzien van de voorwaardelijke rechtshandeling geldt uitdrukkelijk dat aan de vervulling van de voorwaarde geen terugwerkende kracht is verbonden (art. 3:38 lid 2 BW).