Vgl. HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985.
HR, 31-01-2020, nr. 19/02444
19/02444
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-01-2020
- Zaaknummer
19/02444
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:173, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2019:3693
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2020
- Vindplaatsen
NLF 2020/0369 met annotatie van Sara Verkaik
Belastingblad 2020/111 met annotatie van R.A. Eskes
FED 2020/71 met annotatie van E. POELMANN
NTFR 2020/421 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
FutD 2020-0321
Viditax (FutD) 2020013109
Uitspraak 31‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Art. 8:75a Awb, instellen beroep uitsluitend te wijten aan handelwijze belanghebbende? Proceskostenvergoeding.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02444
Datum 31 januari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 april 2019, nrs. BK-18/00659 en BK-18/00669, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 17/3717 en ROT 17/3718) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft zijn auto tweemaal geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting verschuldigd was. De parkeerbelasting moest worden voldaan bij een automaat, waarbij tevens het kenteken van de auto moest worden ingetoetst. Belanghebbende heeft de belasting voldaan en daarvoor betaalbewijzen ontvangen. In plaats van het kenteken heeft hij de letters ‘HR’ ingetoetst. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in verband met dat parkeren opgelegde naheffingsaanslagen. Hij heeft, ondanks diverse verzoeken van de heffingsambtenaar, dat bezwaar niet gemotiveerd maar volstaan met het toezenden van de betaalbewijzen.
2.1.2
Nadat de bezwaren waren afgewezen, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarna heeft hij in een e-mail aan de heffingsambtenaar verklaard dat en waarom hij ter zake van de betalingen de letters ‘HR’ had ingevoerd in plaats van het kenteken. De heffingsambtenaar heeft vervolgens de naheffingsaanslagen vernietigd.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht had op een vergoeding van proceskosten voor rechtskundige bijstand ter zake van het beroep bij de Rechtbank. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende daarop geen recht heeft.
2.2.2
Het tweede middel betoogt onder meer dat de uitspraak van het Hof onjuist is, omdat niet kan worden gesteld dat het instellen van beroep uitsluitend aan belanghebbende is te wijten.
2.2.3
Het Hof heeft in zijn uitspraak onder meer overwogen dat de heffingsambtenaar meermaals belanghebbende heeft gevraagd zijn bezwaren te motiveren, dat belanghebbende bij e-mail van 17 maart 2017 de betalingsbewijzen zonder enige toelichting heeft toegezonden en pas na uitspraken op bezwaar een toelichting heeft gegeven (bij brieven van 18 juli 2017), naar aanleiding waarvan de naheffingsaanslagen zijn vernietigd.Aldus heeft het Hof feitelijk vastgesteld dat belanghebbende de informatie uit de brieven van 18 juli 2017 al in de bezwaarfase aan de heffingsambtenaar had kunnen verstrekken, hetgeen tot gegrondverklaring van de bezwaren zou hebben geleid. In deze vaststellingen ligt het oordeel besloten dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Het Hof kon hierin aanleiding zien de heffingsambtenaar niet te veroordelen in de proceskosten voor het beroep omdat geen sprake is van kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.1.Het middel faalt in zoverre.
2.2.4
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑01‑2020
Beroepschrift 31‑01‑2020
Cassatieschriftuur
Inzake
[X]
tegen
De heffingsambtenaar van gemeente Rotterdam
zetelende te Rotterdam
verweerder
gemachtigde: niet bekend
Geeft eerbiedig te kennen:
Voorafgaande feiten
1.
De heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, hierna: ‘de heffingsambtenaar’ heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd van ter hoogte van € 61,67 (vorderingsnummer: [001] en vorderingsnummer [002])
2.
Op 31 december 2016 heeft belanghebbende pro-forma bezwaar gemaakt tegen beide aanslagen, middels de website van de gemeente Rotterdam. Het uploaden van de betalingsbewijzen was niet mogelijk vanwege een storing. Tot op heden is er sprake van een storing althans van het feit dat de website niet naar behoren werkt. Belanghebbende verwijst naar productie 1
3.
Op 13 maart 2017 is er namens de heffingsambtenaar het navolgende mailbericht aan belanghebbende verzonden:
Geachte heer/ mevrouw,
Naar aanleiding van uw brief verzonden op 31 december 2016 waarin werd verzocht om uw bezwaar nader te motiveren is tot op heden nog geen reactie ontvangen.
Omdat wij geen reactie van u hebben ontvangen, verzoeken wij u nogmaals uw argumenten binnen vijf dagen na dagtekening van deze mail op te sturen of mailen.
Het is in uw eigen belang dat u deze naar ons opstuurt, zodat wij uw bezwaar naar behoren kunnen afhandelen. Een bezwaarschrift dat niet goed is onderbouwd, voldoet niet aan de eisen die aan een bezwaarschrift worden gesteld.
Als de indiener na een verzoek en herinnering de gevraagde aanvulling(en) (verzuim zoals genoemd in artikel 6:6 Algemene Wet bestuursrecht) kan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard.
Afwachtend op uw reactie tegemoet.
Met vriendelijke groet,
[C]
Medewerker Gemeentebelastingen
Gemeente Rotterdam
4.
Op 17 maart 2017 heeft belanghebbende als volgt gereageerd:
Geachte [C],
Bijgaand (in de bijlage van deze mail) zend ik u de betalingsbewijzen. Deze zijn al in de maand januari 2017 afgegeven bij de balie van Gemeentebelastingen.
Hierbij stuur ik ze nog een keer toe.
[002]: Betalingsbewijs 19 november 2016
[001]: Betalingsbewijs 26 november 2016
Kunt u ontvangst van deze mail en de bijlage bevestigen ?
Met vriendelijke groet,
[X]
5.
Op 20 maart 2017 is er namens de heffingsambtenaar als volgt gereageerd:
Geachte [X],
We hebben uw mail en de bijlage in goede ontvangst genomen.
Hoop uw voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
[C]
6.
Bij uitspraak op bezwaar (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.
7.
Namens eiser zijn er bij rechtbank Rotterdam tegen de besluiten beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft enkele dagen voor de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam aan belanghebbende alsnog medegedeeld dat hij de naheffingsaanslagen alsnog zal vernietigen. De heffingsambtenaar echter heeft niet aangeboden om de inmiddels gemaakte proceskosten te vergoeden.
8.
Bij brief van 23 februari 2018 is namens belanghebbende aan de heffingsambtenaar kenbaar gemaakt dat hij het beroep niet intrekt omdat de vernietiging niet juist is, althans onvolledig is gemotiveerd en omdat de heffingsambtenaar weigert de inmiddels gemaakte proceskosten te vergoeden.
9.
De rechtbank Rotterdam stelt dat belanghebbende door vernietiging van de naheffingsaanslag geen schade heeft geleden en dat er geen procesbelang kan zijn gelegen in veroordeling tot de proceskosten, omdat ook toepassing kan worden gegeven aan de artikelen 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder dat het beroep gegrond wordt verklaard.
Artikel 8:74 Awb luidt:
- 1.
Indien de bestuursrechter bet beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.
- 2.
In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Artikel 8:75 Awb luidt:
- 1.
De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
- 2.
In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de bestuursrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.
10.
Tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam heeft de advocaat van belanghebbende hoger beroep ingesteld.
11.
Het gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de Rechtbank Rotterdam terecht en op goede gronden belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard in beide beroepsprocedures en hij heeft geen reden gezien om de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende verzochte vergoeding van de gemaakte kosten, te weten de kosten van de advocaat-gemachtigde in de beroepsfase en de gestelde verletkosten.
De door belanghebbende ingebrachte grieven leiden volgens het Hof niet tot een ander oordeel.
Volgens het hof is de gehele procedure tot dusverre het gevolg van het bewust optreden van belanghebbende zelf.
Jurisprudentie
12.
Op 11 november 2015 (ECLI:NL:PHR:2015:2303) heeft advocaat-generaal IJzerman geconcludeerd dat aangifte niet beslissend is voor de uitleg van het begrip ‘betalen’, en daarmee de voldoening.
De advocaat-generaal verwijst naar jurisprudentie waarin is beslist dat wanneer bij overmaking van verschuldigde belasting door de belastingplichtige een onjuist aanslagnummer is vermeld, dit niet aan betaling in de weg behoeft te staan (o.a. HR 13 augustus 2010, nr. 09/03340, BNB 2011/55).
13.
Immers achteraf kan ook blijken welke bedoelingen de belastingplichtige heeft gehad met welke betalingen. Het ligt volgens de advocaat-generaal in de rede die jurisprudentie door te trekken naar het geval dat bij de aangifte parkeerbelasting een onjuist kenteken is ingevoerd, als nadien, in bezwaar door de belastingplichtige uitgelegd.
Het komt de advocaat-generaal voor dat, er gemeten naar maatstaven van burgerlijk recht, naar aanleiding van een gedane betaling ook achteraf ruimte is voor uitleg en toerekening van de betaling van de kant van de betaler.
14.
Noch in de belastingwetgeving noch in de fiscale jurisprudentie komt een eigen begrip ‘betalen’ voor. Voor uitleg en omschrijving van het begrip ‘betaling’ zal dus elders moeten worden gezocht, met name in het civiele recht. Het bestuursrecht haakt hier in principe aan bij het civiele recht.
15.
De Hoge Raad heeft onder meer het volgende eerder overwogen (ECLI:NL:HR:2016:316):
2.3.1.
De middelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, komen op tegen 's Hofs oordeel met het betoog dat het Hof heeft miskend dat het arrest BNB 1997/68 niet van toepassing is op de onderhavige situatie omdat belanghebbende, anders dan in dat arrest het geval was, geen parkeerbelasting voor de geparkeerde auto, de Honda, heeft voldaan.
2.3.2.
De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet met toepassing van de AWR en de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen, behoudens voor zover een afwijkende regeling is getroffen. In de Gemeentewet is toepassing van artikel 20 AWR niet uitgesloten. Ook is geen van artikel 20 AWR afwijkende regeling getroffen met het oog op de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben.
In artikel 234, lid 2, van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of, indien niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, maar de verschuldigde belasting wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in de Gemeentewet geen afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 AWR (zie het arrest BNB 1997/68).
2.3.3.
Aangezien vaststaat dat belanghebbende de voor het parkeren van de Honda verschuldigde belasting heeft betaald, brengt de toepassing van artikel 20 AWR mee dat naheffing niet mogelijk is. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2. is overwogen, doet daaraan niet af dat belanghebbende niet op de voorgeschreven wijze aangifte heeft gedaan doordat zij een ander kenteken heeft vermeld dan het kenteken van het geparkeerde voertuig. De middelen, die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen derhalve.
Cassatiemiddel I.
16.
Volgens belanghebbende heeft het hof zijn uitspraak ontoereikend althans onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft in hoger beroep namelijk diverse grieven aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
17.
Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende in hoger beroep diverse argumenten heeft aangevoerd. Het Hof heeft hieromtrent niets geoordeeld. Indien die stellingen juist zouden zijn kunnen zij tot een andere beslissing van het geschil leiden. Het Hof heeft feitelijk geen enkel argument behandeld, van die welke door belanghebbende in hoger beroep zijn aangevoeld.
Belanghebbende verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:786.
Cassatiemiddel II
18.
De uitspraak van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dit is het geval omdat het Hof ervan is uitgegaan dat het invoeren van het kenteken verplicht is. Dit terwijl uw Edelgrootachtbaar College hierover in het arrest van 26 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:316) heeft geoordeeld dat het invoeren van een kenteken niet verplicht is.
19.
In artikel 234, lid 2, van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of, indien niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, maar de verschuldigde belasting wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in de Gemeentewet geen afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 AWR.
20.
Het Hof heeft miskend dat in bezwaarfase belanghebbende de betalingsbewijzen naar de gemeente Rotterdam heeft verzonden maar dat die aldaar, door een administratieve fout, niet in de bezwaardossiers zijn gevoegd. In de uitspraak op bezwaar is geen rekening gehouden met de betalingsbewijzen waardoor deze beslissing evident onjuist is, met als gevolg, dat de zaak moest worden aangebracht bij de rechtbank.
Dit dient daardoor voor rekening en risico van de heffingsambtenaar te komen. Het kan niet zo zijn dat de gevolgen van de omissie op belanghebbende worden afgewenteld.
21.
Wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk moet worden gesteld, komen als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 (of 8:75a) Awb in aanmerking. Van deze regel kan worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende.
De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende is voor afwijking van de regel derhalve niet voldoende.1.
22.
Hoewel het niet voor de hand ligt dat in een dergelijk geval direct beroep bij de rechtbank wordt ingesteld, kan niet worden gezegd dat het instellen van beroep uitsluitend aan belanghebbende is te wijten. Gelet daarop had de rechtbank over dienen te gaan tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.2.
23.
Het staat een belanghebbende vrij tegen een zijn inziens onjuiste uitspraak het daarvoor opengestelde rechtsmiddel van beroep, althans hoger beroep in te stellen. Dat is niet anders indien de mogelijkheid bestaat een evidente fout in een uitspraak op andere wijze te laten corrigeren.3.
24.
In haar uitspraak schrijft het Hof dat de beroepen bij de rechtbank door belanghebbende zijn ingediend. Dit is onjuist; de beroepen zijn ingediend door zijn gemachtigde.
Hiernaast stelt het Hof dat pas op 18 juli 2017 een verklaring is gegeven voor gebruik van de letters HR (dit betreft een verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad omtrent kenteken-parkeren). Uit het proces-verbaal van het Hof blijkt dat de heffingsambtenaar op de hoogte is van de invoer van de letters HR door belanghebbende. Volgens de heffingsambtenaar gebeurt dit zes keer per jaar.
25.
Belanghebbende voert vanwege privacy-overwegingen zijn kenteken niet in.
Uit het proces-verbaal blijkt ook dat de heffingsambtenaar ter zitting heeft erkend dat er een fout is gemaakt. De gemachtigde van de heffingsambtenaar verklaart: ‘Het beroepschrift is niet goed gelezen door ons.’ (2e pagina van het proces-verbaal).
26.
Voorts stelt het Hof dat belanghebbende, waar het gaat om de gestelde gemaakte verletkosten, er het zwijgen toe heeft gedaan. Dit terwijl namens belanghebbende in het appelschriftuur uitvoerig wordt ingegaan op de verletkosten. Belanghebbende verwijst naar randnummer 20 t/m 23 van het appelschriftuur, zowel schriftelijk als mondeling heeft belanghebbende uitleg gegeven omtrent de verletkosten.
Cassatiemiddel III:
27.
Het Hof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigt en hierdoor miskend dat belanghebbende belang heeft bij een beoordeling door de belastingrechter van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
28.
De rechtbank Rotterdam heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep, wegens het ontbreken van belang daarbij. Die beoordeling zou immers kunnen leiden tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten, de heffingsambtenaar heeft immers niet aangeboden om de proceskosten te vergoeden. Evenmin heeft de heffingsambtenaar tot op heden de griffierechten vergoed.
29.
De uitspraak van het Hof en die van de rechtbank Rotterdam kunnen reeds hierom niet in stand blijven. Belanghebbende verwijst naar rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 2000.4. Het Hof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd en heeft hierdoor miskend dat belanghebbende belang heeft bij een beoordeling door de belastingrechter van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
30.
Het Hof heeft aldus miskend dat belanghebbende ook in ander opzicht voldoende belang heeft bij een beoordeling door de belastingrechter van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Die beoordeling zou immers kunnen leiden tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten en verletkosten.
Redenen waarom belanghebbende uw Edelhoogachtbaar college verzoekt om de uitspraak van gerechtshof Den Haag en die van Rechtbank Rotterdam te vernietigen, de zaak door te verwijzen naar gerechtshof Amsterdam zodat het verwijzingshof kan beoordelen of belanghebbende voor de (proces)kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof en Rechtbank in aanmerking komt en er verletkosten dienen te worden toegekend, met veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten van alle gedingen.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑01‑2020
Hoge Raad 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985.
Gerechtshof Amsterdam, 13 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:920
Gerechtshof Amsterdam, 12 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2707
Hoge Raad, 20 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7151.