Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.4.4
2.3.4.4 Toekenning van bevoegdheden (I): 'technische bevoegdheden', 'beheersbevoegdheid' en 'bestuur'
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588287:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Komt een einde aan de toekenning van bevoegdheden (de 'zeggenschap') van de derde, dan herleven de bevoegdheden bij de rechthebbende, voorzover hij die bevoegdheden tijdens de zeggenschap van de derde ontbeerde.
Enkele regelingen, zoals lastgeving, volmacht en zaakwaarneming, vormen daarop een uitzondering. Wettelijke regelingen staan veelal toe dat in een akte van vestiging, de statu ten, een laatste wilsbeschikking of een rechterlijke uitspraak de aan de derde toegekende bevoegdheden worden uitgebreid of ingeperkt. Vgl. voor beperkte rechten o.a. Struycken 2007; voor testamentair bewind, art. 4:171 BW; en voor executele B.M.E.M. Schols 2007.
Zie voor het begrip 'technische' bevoegdheid o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 581; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1161.
Dat sommige van deze bevoegdheden, zoals de beschikkingsbevoegdheid en de inningsbevoegdheid, verder kunnen worden onderverdeeld in andere bevoegdheden doet daar in beginsel niet aan af.
Zie art. 3:170 lid 2 BW; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588.
Vgl. Hartkamp 2005, nr. 19; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1160; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 352,423 en 516; B.M.E.M. Schols 2007, p. 235 e.v. Voor de invulling van het begrip wordt veelal aangesloten bij de omschrijving in art. 3:170 lid 2 BW.
Zie o.a. Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1161; Asser/Perrick 4* 2009, nr. 554; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 422; B.M.E.M. Schols 2007, p. 236. In de literatuur worden de beheersbevoegdheid en de beschikkingsbevoegdheid soms (ten onrechte) tegenover elkaar geplaatst. Zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 138 en 140 in het kader van art. 3:170 lid 2 en lid 3 BW; Van Es 2009; Christiaans & Van Wechem 1995, p. 590, die de privatieve last (art. 7:423 BW) wei mogelijk achten voor het beheer van goederen, maar niet voor het beschikken over goederen (waartegen Leijten 1996, p. 423); en Rank 1993, p. 100 in het kader van de uitoefening van een gemeenschappelijk zekerheidsrecht. Vgl. voor het oude recht, Vander Ploeg 1945, nr. 142.
Vgl. J.J.A. de Groot 1995, p. 316.
Zie o.a. O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 509; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 492 e.v.; T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 581; en art. 3:170 BW, waaruit volgt dat de beheersbevoegdheid inhoudt de bevoegdheid om 'handelingen [te verrichten] dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een goed' (waaronder het stuiten van de verjaring) (lid 1) en het verrichten van ''handelingen die voor normale exploitatie van een goed dienstig kunnen zijn, en het aannemen van verschuldigde prestaties' (lid 2). Vgl. ook art. 4:166 BW.
Zie hierna nr. 764-766.
Vgl. over het begrip bestuur Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 390 e.v.; Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 290-291.
In beginsel, want bij rechtspersonen mogelijk beperkt door de statuten.
Zie M.v.A II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 492-493. Vgl. ook art. 1:431 lid 1 tweede zin BW en daarover Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1136.
Vgl. Hartkamp 2005, nr. 19. Zie ook art.1:90 lid 2 BW dat bepaalt dat het bestuur van een echtgenoot over een goed de uitoefening om vat, met uitsluiting van de andere echtgenoot, van de daaraan verbonden bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid tot beschikking en de bevoegdheid om ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten (onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen).
In de literatuur wordt het bewind soms op een lijn gesteld met het beheer of het bestuur. Zie bijvoorbeeld Hartkamp 2005, nr. 19; en Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 82. Dit is ten onrechte. Het begrip bewind wordt (net als het begrip bewaargeving) gebruikt om een rechtsfiguur aan te duiden, maar niet de omvang van de bevoegdheden van de bewindvoerder. Zie V.V. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 491; en M.v.A., Parl. Gesch. Boek 3, p. 492.
40. De derde die andermans recht uitoefent, kan in beginsel niet meer bevoegdheden uitoefenen dan de rechthebbende. Meestal oefent hij ook niet dezelfde bevoegdheden als de rechthebbende uit, maar minder bevoegdheden. De aan hem toegekende bevoegdheden kunnen in theorie variëren van een bevoegdheid tot alle bevoegdheden die de rechthebbende ook zou kunnen hebben uitoefenen. De bevoegdheden die bij de rechthebbende blijven, kunnen in theorie variëren van geen bevoegdheid total zijn bevoegdheden.1
In de diverse wettelijke regelingen is per rechtsfiguur vastgelegd welke bevoegdheden aan de derde toekomen en welke bevoegdheden aan de rechthebbende.2 Een eenvormige regeling bestaat niet. De bevoegdheden die worden toegekend aan de derde en de rechthebbende verschillen per rechtsfiguur. De verschillende rechtsfiguren zijn niet eenvoudig te vergelijken. In de wettelijke regelingen worden per rechtsfiguur verschillende accenten gelegd; in de ene regeling wordt een bepaalde bevoegdheid met naam en toenaam toegekend, terwijl in de andere regeling over de toekenning van deze bevoegdheid met geen woord wordt gerept.
41. De bevoegdheden die aan een derde kunnen worden toegekend worden in de parlementaire geschiedenis aangeduid als 'technische' of 'juridische' bevoegdheden.3 Hierbij moet worden gedacht aan de inningsbevoegdheid, de bevoegdheid om een vordering vervroegd opeisbaar te maken, de beschikkingsbevoegdheid, de bevoegdheid tot ontbinding of opschorting, de bevoegdheid om een overeenkomst aan te gaan enz. De uitoefening van deze bevoegdheden kan in beginsel steeds gelijk worden gesteld met het verrichten van een bepaalde rechtshandeling. De uitoefening van een bevoegdheid correspondeert steeds met een bepaald rechtsgevolg.4
Het zou voor een wetgever ondoenlijk zijn om alle bevoegdheden die aan de derde worden toegekend afzonderlijk, per bevoegdheid wettelijk vast te leggen. Door de wetgever is dit probleem ondervangen door het gebruik van twee begrippen, de 'beheersbevoegdheid' en het 'bestuur'. Met de toekenning van de beheersbevoegdheid dan wel het bestuur wordt aan de derde een scala aan technische bevoegdheden toegekend. De beheersbevoegdheid en het bestuur zijn derhalve opgebouwd uit verschillende 'technische' bevoegdheden. De beheersbevoegdheid en het bestuur kunnen de inningsbevoegdheid, de beschikkingsbevoegdheid, de bevoegdheid tot ontbinding en allerlei andere bevoegdheden omvatten. Om de precieze inhoud van de beheersbevoegdheid en het bestuur te bepalen, moeten de beheersbevoegdheid en het bestuur tot technische bevoegdheden worden herleid.
42. De beheersbevoegde persoon is in economische zin bevoegd tot het beheer van het goed. Onder het beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn.5 Op grond van zijn beheersbevoegdheid is de beheersbevoegde persoon bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen ten aanzien van het goed als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van dat goed. Is aan dit criterium voldaan, dan is de derde bevoegd de desbetreffende rechtshandeling te verrichten. De technische bevoegdheden die onderdeel uitmaken van de beheersbevoegdheid verschillen derhalve afhankelijk van de omstandigheden van het geval.6
De beheersbevoegdheid kan in het bijzonder ook de beschikkingsbevoegdheid omvatten. Dat is het geval als het beschikken over het goed dienstig kan zijn aan een goed beheer van het goed. Er is geen sprake van een tegenstelling tussen de beheersbevoegdheid en de beschikkingsbevoegdheid.7 Ook beschikkingshandelingen kunnen dienstig zijn aan een goed beheer van het goed. De beheersbevoegde is tot beschikken bevoegd voor zover dit dienstig kan zijn aan een goed beheer.8 Is een beschikkingshandeling niet dienstig aan een goed beheer, dan is de beheersbevoegde persoon hiertoe ook niet bevoegd, tenzij de bevoegdheid aan hem afzonderlijk als 'technische' bevoegdheid is toegekend (zie bijvoorbeeld art. 3:212 BW). In de parlementaire geschiedenis wordt opgemerkt:
"Als daden van beheer worden ook beschouwd die daden van beschikking, die door een normale exploitatie van het goed worden gevorderd. Het beheer van een fabriek of een ander bedrijf omvat dus ook de verkoop van de in die fabriek of in dat bedrijf voorgebrachte goederen, evenzo de verkoop van bedrijfsmiddelen, die door nieuwe moeten worden vervangen. Beheer en beschikking zijn dientengevolge begrippen die geen zuivere tegenstelling vormen. Een beschikking is een technisch begrip; steeds wanneer goederen worden vervreemd of met enig recht bezwaard, wordt over dat goed beschikt. Beheren daarentegen ziet meer op een economische werkzaamheid: alles wat nodig is voor het op normale wijze exploiteren van goederen en om deze rentedragend te maken, is als beheer aan te merken."9
Als aan een derde de beheersbevoegdheid is toegekend, kan hij de 'technische' bevoegdheden uitoefenen die voor de behoorlijke uitoefening van het beheer (in economische zin) nodig zijn. Het is in dat geval niet nodig dat die bevoegdheden aan hem afzonderlijk in de wet worden toegekend. De toekenning van de beheersbevoegdheid kan de bevoegdheden van een derde derhalve aanzienlijk verruimen.10
Welke technische bevoegdheden mogelijk onder de beheersbevoegdheid kunnen vallen, wordt in de wet of in de parlementaire geschiedenis nergens precies vermeld. In diverse wettelijke regelingen en de parlementaire geschiedenis zijn wei voorbeelden te vinden. Een van de doelstellingen van deze studie is om de inhoud van de beheersbevoegdheid met betrekking tot vorderingen nader te duiden.11
43. Naast het toekennen van technische bevoegdheden en de beheersbevoegdheid, kan ook aan een derde 'het bestuur' worden toegekend.12 Net als de beheersbevoegdheid is het bestuur een verzamelbegrip voor verschillende bevoegdheden. De omvang van de bevoegdheden die aan een derde op grond van het bestuur toekomen, is groter dan die aan een derde toekomen op grond van de beheersbevoegdheid. Het bestuur geeft de derde in beginsel13volledige zeggenschap ten aanzien van het goed. In de parlementaire geschiedenis wordt opgemerkt dat het bestuur in beginsel "de vrije beschikkingsmacht" geeft.14 De bevoegdheden van de derde verschillen daarmee niet van de bevoegdheden die een rechthebbende heeft ten aanzien van zijn goed.15 Anders dan bij de beheersbevoegdheid is het bij het bestuur om die reden niet nodig om nog (aanvullend) 'technische' bevoegdheden toe te kennen. Toekenning van het bestuur aan een derde betekent derhalve dat weinig of geen vragen bestaan over de omvang van de bevoegdheden van de derde.16