De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.3:5.3 Is de 403-aansprakelijkheid gerelateerd aan het verrichten van de rechtshandeling of het opeisbaar worden van de schuld?
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.3
5.3 Is de 403-aansprakelijkheid gerelateerd aan het verrichten van de rechtshandeling of het opeisbaar worden van de schuld?
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250367:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1983/84, 16551, 11, p. 15 (NnavhEV).
Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 16 april 2009, JOR 2009/161, m.nt. Van der Zanden (BosGijze/Jones Lang LaSalle), r.o. 5.5.1-5.5.2.
Van Achterberg 1989, p. 229, Bartman 2002, p. 24-25, Van Wijngaarden 2006a, p. 619, Zwemmer 2012, p. 238-239, Beckman – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2019, art. 2:404 BW, aant. C.1, Van Zoest 2019, p. 32-33, E.C.A. Nass 2019, p. 141 en 231 en Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 226-227.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 2:403 lid 1 sub f BW moet een moedermaatschappij zich door middel van een 403-verklaring aansprakelijk stellen voor ‘de uit rechtshandelingen van de [403-maatschappij] voortvloeiende schulden’. Uit deze formulering is niet duidelijk op te maken welk moment bepalend is bij de beoordeling of een schuld van de 403-maatschappij al of niet onder de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt. Enerzijds kan deze bepaling zo worden gelezen dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor alle schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij in een bepaalde periode heeft verricht. In dat geval is het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de desbetreffende schuld is voortgevloeid bepalend – de eerste drie standpunten die ik in paragraaf 5.2 heb onderscheiden. Aan de andere kant kan art. 2:403 lid 1 sub f BW zo worden uitgelegd dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de schulden van de 403-maatschappij die in een bepaald periode opeisbaar worden, onafhankelijk van het moment waarop de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid. In dat geval is het moment dat de schuld opeisbaar is geworden bepalend – het vierde en vijfde standpunt uit paragraaf 5.2. Het is dus de vraag of bij de beoordeling of een schuld onder de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt, moet worden aangesloten bij het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid of het moment dat de schuld opeisbaar is geworden.
De sleutel voor het antwoord op bovenstaande vraag is mijns inziens te vinden in art. 2:404 lid 2 BW. Op grond van deze bepaling is een moedermaatschappij na de intrekking van de 403-verklaring aansprakelijk ‘voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen welke zijn verricht voordat jegens de schuldeiser een beroep op de intrekking kan worden gedaan’.1 Uit art. 2:404 lid 2 BW blijkt duidelijk dat voor de beoordeling of een schuld van de 403-maatschappij onder de temporele reikwijdte van deze zogenoemde overblijvende aansprakelijkheid valt, wordt aangesloten bij het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid. De minister heeft dit ook bevestigd door bij de introductie van art. 2:404 BW op te merken dat de overblijvende aansprakelijkheid ook de schulden omvat die nadien voortvloeien uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht voordat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking.2 Ook in de jurisprudentie3 en de literatuur4 wordt dit standpunt eensgezind onderschreven.
De overblijvende aansprakelijkheid van een moedermaatschappij na het intrekken van de 403-verklaring, ligt in het verlengde van de aansprakelijkheid op grond van de 403-verklaring zelf. De vraag of een moedermaatschappij aansprakelijk is voor een bepaalde schuld van de 403-maatschappij, moet mijns inziens daarom op dezelfde manier worden beantwoord. Hoewel uit art. 2:403 lid 1 sub f BW dus niet duidelijk is op te maken of hiervoor moet worden aangesloten bij het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid of het moment dat de schuld opeisbaar is geworden, blijkt volgens mij uit art. 2:404 lid 2 BW dat het eerste moment bepalend is.
Dat voor de beoordeling of een schuld onder de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt, moet worden aangesloten bij het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid, betekent dat het vierde en vijfde standpunt uit paragraaf 5.2 moeten worden afgewezen. Ik laat deze twee standpunten daarom verder rusten.
In onderstaande paragrafen ga ik nader in op de drie overige standpunten ten aanzien van de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid – de eerste drie standpunten die ik in paragraaf 5.2 heb onderscheiden. Ik onderzoek op welke periode de 403-aansprakelijkheid betrekking heeft. Daarbij behandel ik de standpunten in de volgorde van de minste tot de meeste aansprakelijkheid voor de moedermaatschappij.