Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/10.4.4
10.4.4 Geen afwijking van absolute bevoegdheidsgrenzen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366054:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. art. 2:20, 2:21, 2:110 en 2:294-299 BW. Afwijken van de bevoegdheden van de Kamer van Koophandel (zie bijv. art. 2:19a BW) is ook niet mogelijk, maar niet goed voorstelbaar is dat er aanleiding zou zijn om daarvan af te wijken bij wijze van onmiddellijke voorziening.
Zie ook Hof Amsterdam (OK) 23 oktober 2008, JOR 2008/334 (Schuitema), waarin de ondernemingskamer oordeelde niet bevoegd te zijn om te oordelen over een bezwaar tegen (het bepaalde in) art. 5:80b Wft als zodanig.
Zie Hof Amsterdam (OK) 14 november 2006, JOR 2007/10 (TCA), r.o. 3.7; Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, ARO 2008/2 (e-Traction), r.o. 3.9; en Hof Amsterdam (OK) 5 augustus 2008, ARO 2008/134 (Omniversum), r.o. 3.16. Inzake TCA ging het om een verzoek om de statuten van een STAK te wijzigen. Inzake e-Traction en Omniversum ging een verbod aan een (indirecte) aandeelhouder de spankracht van art. 2:349a BW te buiten, te weten: een verbod om de door de ondernemingskamer benoemde bestuurder aansprakelijk te stellen, respectievelijk een verbod om aandelen in de vennootschap die voorwerp was van de enquête te vervreemden.
HR 14 september 2007, NJ 2007/611, m.nt. J.M.M. Maeijer (Versatel II) en HR 25 februari 2011, JOR 2011/115, m.nt. Doorman (Inter Acces).
HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maeijer (ATR Leasing).
Zoals het geval was in de beschikking Hof Amsterdam 3 oktober 2011, JOR 2012/9 m.nt. Olden (Middle Europe Investments).
Art. 438 en 705 Rv. Zie ook Hof Amsterdam (OK) 7 december 2010, JOR 2011/45 (Corporate Express), r.o. 3.25.
Art. 215 respectievelijk 73 Fw.
HR 18 november 2005, NJ 2006/173 (Unilever) jo. HR 14 december 2007, NJ 2008/105 (DSM). Zie ook Hof Amsterdam (OK) 16 juli 2010, ARO 2010/112 (Boon), r.o. 3.6.
Vgl. HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 m.nt. Maeijer, JOR 2007/112 m.nt. Van Veen en Van Wechem (Tuin Beheer). Daaruit valt op te maken dat art. 2:8 BW wel kan doorwerken in contractuele verhoudingen. Aldus zou art. 2:8 lid 2 BW kunnen doorwerken in de contractuele pendant van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Op deze kwestie wordt teruggekomen in hoofdstuk 11.
Om de in par. 10.4.3 genoemde reden biedt art. 2:8 lid 2 BW geen grondslag voor het afwijken van regels van dwingend recht ten aanzien van de bevoegdheden van de (voorzieningenrechter van de) rechtbank, het Openbaar Ministerie1 en de ondernemingskamer zelf. Wat betreft de regels die voor de ondernemingskamer zelf gelden, kan onder meer2 worden gedacht aan de ‘spankracht’ van het bepaalde in art. 2:249a lid 2 BW,3 het voorschrift dat onmiddellijke voorzieningen tijdelijk van aard dienen te zijn,4 het verbod om verrassingsbeslissingen te nemen5 en regels met betrekking tot absolute bevoegdheid. De ondernemingskamer kan dus niet bij wijze van onmiddellijke voorziening een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb schorsen,6 indien een dergelijk besluit (mede) heeft veroorzaakt dat de toestand van de rechtspersoon een onmiddellijke voorziening vereist.7
Om dezelfde reden kan de ondernemingskamer ook niet afwijken van de in het civiele recht geldende absolute bevoegdheidsregels. Duidelijk is dat de ondernemingskamer niet kan optreden als de executierechter,8 geen surséance van betaling kan verlenen en ook niet (tijdelijk) faillissementscuratoren kan benoemen of schorsen.9 Ook kan de ondernemingskamer geen (onmiddellijke) voorzieningen treffen voor zover het verzoek daartoe niets inhoudt dat op de doeleinden van het enquêterecht betrekking heeft maar puur vermogensrechtelijk van aard is.10
Een andere absolute bevoegdheidsgrens waarop art. 2:8 lid 2 BW afstuit, volgt uit het feit dat tekst daarvan geen melding maakt van het buiten toepassing blijven van regels uit hoofde van (aandeelhouders)overeenkomsten.11