Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.5:3.2.5 Preadviezen Nederlandse Juristen Vereeniging (1871)
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.5
3.2.5 Preadviezen Nederlandse Juristen Vereeniging (1871)
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192648:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Pols 1871, p. 41-46.
Van Nierop 1871, p. 74.
Vgl. de voorgeschreven meerderheid in de verworpen tweede titel van het Wetboek van Koophandel in de voorgaande paragraaf.
Van Nierop 1871, p. 74-78.
Handelingen NJV 1871/II, p. 173.
Handelingen NJV 1871, p. 137-138.
Handelingen NJV 1871, p. 169-170.
Handelingen NJV 1871, p. 151.
Handelingen NJV 1871, p. 155.
Handelingen NJV 1871, p. 156.
Van Manen 1871.
Levy 1872.
Zie daarover de volgende paragraaf.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
44. Op vrijdag 25 augustus 1871 werd door de Nederlandse Juristen Vereniging vergaderd over de vraag of de mogelijkheid van gerechtelijke bekrachtiging van een onderhands akkoord buiten faillissement in het faillietenrecht zou moeten worden opgenomen. Pols en Van Nierop schreven een preadvies over dit onderwerp.
Pols onderkent dat het ontbreken van de mogelijkheid een akkoord buiten faillissement te laten homologeren door de rechter, soms een obstakel is voor een onderhands akkoord. Omdat een wettelijke regeling ontbreekt bestaat er voor de schuldenaar echter een prikkel om een voor de schuldeisers zo voordelig mogelijk akkoord aan te bieden, om hen allen te overtuigen vóór het akkoord te stemmen. Pols pleitte dan ook tegen de invoering van een dwangakkoord buiten insolventie.1
Van Nierop schrijft in zijn praktijk al meermalen getuige te zijn geweest van een onderhands akkoord dat stukliep op de tegenstand van enkele schuldeisers. Het daarop volgend faillissement leidt tot schade, ook voor crediteuren, aldus Van Nierop.2 Hij schetst in zijn preadvies een met waarborgen omklede procedure voor een dwangakkoord buiten faillissement, die evenwel minder ‘zwaar’ is dan de door de wetgever in 1836 voorgestelde procedure. Zo hoefde de schuldenaar in het voorstel van Van Nierop niet langs de Hoge Raad om het akkoord verbindend te laten verklaren en zou er slechts een verificatieprocedure plaatsvinden wanneer er vorderingen betwist zouden worden. Bovendien bevatte zijn regeling een streng meerderheidsvereiste.3 Om het akkoord ter homologatie aan de rechtbank voor te kunnen leggen moest 5/6 van de concurrente schuldeisers vertegenwoordigende 7/8 deel van de concurrente vorderingen, of 7/8 van de concurrente schuldeisers, vertegenwoordigende 5/6 der vorderingen vóór het voorstel stemmen.4
Tijdens de vergadering werd over de volgende vraag gestemd:
“Is het wenschelijk de gelegenheid te openen voor gerechtelijke bekrachtiging van een onderhandsch accoord buiten faillissement?”
Uiteindelijk stemden 63 aanwezigen vóór, 41 van hen stemden tegen.5 In de discussie ter vergadering werd door de tegenstanders van het pre-insolventieakkoord onder meer gewezen op het belang van een deugdelijke verificatieprocedure en op het mogelijke misbruik van de procedure.6 Van Manen bestempelde het dwangakkoord buiten insolventie tijdens de vergadering als ‘onrecht’ en ‘onteigening’.7 Voorstanders wezen evenwel op het feit dat in de praktijk met enige regelmaat akkoorden sneuvelden omdat één of enkele schuldeisers tegen het akkoordvoorstel stemden, terwijl een meerderheid van de crediteuren bereid was met minder dan volledige betaling van hun vordering genoegen te nemen. Levy vond het een gruwel dat een schuldeiser die 3 gulden te vorderen had van de schuldenaar een voorstemmende schuldeiser met een vordering van 100.000,- kon dwarsbomen.8 Van Nierop kaartte aan dat de dwarsliggende schuldeisers met enige regelmaat volledig werden betaald, om op die wijze een faillissement te voorkomen. Hij achtte een wettelijke regeling voor een dwangakkoord buiten faillissement dan ook een middel om deze “immoreele sluipaccoorden” te voorkomen.9 Ook stelde Van Nierop dat de enkele dreiging die uit zou gaan van het bestaan van een wettelijke mogelijkheid van een dwangakkoord de totstandkoming van vrijwillige akkoorden zou bespoedigen, waardoor het middel slechts zeer zelden zou hoeven worden toegepast.10
Kort na de vergadering beschreef Van Manen in een artikel uitvoerig waarom hij het dwangakkoord “verderfelijk” achtte. Een wettelijke regeling zou volgens hem in strijd zijn met de grondwettelijke bescherming van eigendom omdat er sprake is van onteigening zonder daaraan voorafgaande schadeloosstelling. Daarnaast zou het dwangakkoord onzekerheid in de hand werken, onbillijk zijn en ten slotte niet beantwoorden aan de verwachting.11 Levy reageerde in 1872 in het Weekblad van het Regt op de stelling van Van Manen dat elk dwangakkoord grondwetsschennis zou betekenen.12 Levy was fervent voorstander van een wettelijke grondslag voor het pre-insolventieakkoord. Ruim twintig jaar later zou hij als Kamerlid een lans breken voor zo’n wettelijke regeling.13