NJB 2025/1859:Zwak ne bis in idem-beginsel en nieuwe bezwaren, art. 255 Sv: deze bepaling strekt tot waarborg dat de verdachte, van wiens verdere vervolging eerder is afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren opnieuw onderwerp wordt van opsporingsonderzoek of lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. De Hoge Raad zet kader uiteen waarbinnen naar aanleiding van nieuwe bezwaren een opsporingsonderzoek kan worden ingesteld. Als een verdachte voor hetzelfde feit opnieuw in rechte is betrokken, moet de rechter die over de strafzaak oordeelt – mede op basis van de resultaten van het ingestelde opsporingsonderzoek – de vraag beantwoorden of er van nieuwe bezwaren als bedoeld in art. 255 Sv is gebleken op grond waarvan de verdachte opnieuw kan worden vervolgd. Bij een ontkennende beantwoording van die laatste vraag moet het openbaar ministerie nietontvankelijk worden verklaard in de vervolging. Toepassing volwassenenstrafrecht tegen jongvolwassene en art. 77c lid 1 Sr: in casu heeft het hof in de in deze bepaling genoemde ‘persoonlijkheid van de dader’ en ‘omstandigheden waaronder het feit is begaan’ geen grond gevonden om af te wijken van de hoofdregel dat in de zaak tegen deze verdachte het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. Bij dit oordeel kon het hof betrekken dat sprake is van een ernstig feit en dat het hof, gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de berechting, ook het doel van toepassing van het jeugdstrafrecht niet aan de orde achtte. Beginpunt redelijke termijn, art. 6 lid 1 EVRM: als zodanig geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daarover valt niet te geven. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als zo’n handeling worden aangemerkt. In casu heeft het hof dit miskend.