Hof ’s-Hertogenbosch, 12 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3701 (parketnummer 20-001135-20). Er bestaat samenhang met de zaak 22/03508 tegen de hierna te noemen medeverdachte. In deze zaak heeft de Hoge Raad op 14 januari 2025 uitspraak gedaan (geen middelen ingediend, verdachte niet-ontvankelijk).
HR, 17-06-2025, nr. 22/03507
ECLI:NL:HR:2025:888
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-06-2025
- Zaaknummer
22/03507
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Jeugdstrafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:888, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:414
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3701
ECLI:NL:PHR:2025:414, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:888
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑03‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0213
NJ 2026/104 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 17‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen poging tot diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr). 1. Nieuwe bezwaren na kennisgeving niet verdere vervolging. Is sprake van nieuwe bezwaren a.b.i. art. 255 Sv op grond waarvan verdachte opnieuw kan worden vervolgd? 2. Toepasselijkheid jeugdstrafrecht, art. 77c Sr. Kon hof bij oordeel om jeugdstrafrecht niet toe te passen “ernst van feit” en leeftijd verdachte t.t.v. berechting betrekken? 3. Beginpunt van redelijke termijn in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat niet datum van inverzekeringstelling van verdachte maar betekening van dagvaarding in e.a. heeft te gelden als beginpunt van redelijke termijn? Ad 1. Art. 255 Sv strekt tot waarborg dat verdachte, van wiens verdere vervolging eerder is afgezien, niet lichtvaardig o.g.v. nieuwe bezwaren opnieuw onderwerp wordt van opsporingsonderzoek of lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. Daarom moet eerst RC een machtiging verlenen om naar nieuwe bezwaren een opsporingsonderzoek in te stellen. OvJ moet die machtiging vorderen als hij beschikt over nieuwe gegevens a.b.i. art. 255.2 Sv op grond waarvan hij opsporing met het oog op vervolging tegen verdachte wil hervatten. Art. 255 Sv staat niet eraan in de weg dat voorafgaand aan vorderen door OvJ van zo’n machtiging enig onderzoek wordt verricht om RC in gelegenheid te stellen betekenis en gewicht van bekend geworden nieuwe gegevens te kunnen beoordelen in relatie tot gronden waarop eerder tegen verdachte gerezen verdenking berustte. Als verdachte voor hetzelfde feit opnieuw in rechte is betrokken, moet rechter die over strafzaak oordeelt (mede o.b.v. resultaten van ingesteld opsporingsonderzoek) vraag beantwoorden of er van nieuwe bezwaren a.b.i. art. 255 Sv is gebleken op grond waarvan verdachte opnieuw kan worden vervolgd. Bij ontkennende beantwoording van die laatste vraag moet OM n-o worden verklaard in vervolging (vgl. HR:2002:AE3543). Hof heeft geoordeeld dat stukken waarop RC zijn beslissing tot het verlenen van machtiging tot instellen van nieuw opsporingsonderzoek heeft gebaseerd, stukken betreffen “a.b.i. art. 255.2 Sv die basis kunnen vormen voor vaststelling dat er sprake is van nieuwe bezwaren a.b.i. art. 255.1 Sv”. Daarmee heeft hof hiervoor bedoelde vraag bevestigend beantwoord. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. V.zv. middel klaagt dat voorafgaand aan de door RC verleende machtiging niet mocht worden overgegaan tot opsporingsonderzoek dat heeft geleid tot de in ‘s hofs overwegingen genoemde p-v’s van bevindingen, miskent het wat hiervoor is overwogen over onderzoek dat mag worden verricht voorafgaand aan het vorderen door OvJ van machtiging van RC. Omstandigheid dat nadat machtiging door RC was verleend “gelet op het voorhanden zijnde onderzoeksmateriaal door OM nader onderzoek kennelijk niet nodig werd geacht om deugdelijkheid van gerezen nieuwe bezwaren te onderzoeken en tot succesvolle vervolging van verdachte te kunnen komen”, maakt dat niet anders. Ad 2. Uit ‘s hofs vaststellingen en overwegingen blijkt dat het in de in art 77c.1 Sr genoemde “persoonlijkheid van dader” en “omstandigheden waaronder feit is begaan” geen grond heeft gevonden om af te wijken van hoofdregel dat in zaak tegen verdachte volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. Dat het bij dit oordeel mede heeft betrokken dat sprake is van ernstig feit en dat hof, gelet op leeftijd van verdachte t.t.v. berechting, ook doel van toepassing van jeugdstrafrecht niet aan de orde achtte, geeft (mede tegen achtergrond van wetsgeschiedenis bij art. 77c Sr) niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. ratio achter behandeling van strafzaak binnen redelijke termijn en aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn in e.a., omdat inleidende dagvaarding is uitgebracht op 20-4-2020 en Rb op 2-6-2020 vonnis heeft gewezen. Daarmee heeft hof miskend dat verdachte op 1-12-2011 in verzekering is gesteld, aan welke handeling verdachte in redelijkheid verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem voor bepaald strafbaar feit door OM strafvervolging zou worden ingesteld. Daarom moet worden aangenomen dat verdachte onder dreiging van die strafvervolging heeft geleefd tot kennisgeving aan hem op 12-9-2014 van niet verdere vervolging. Totale op zijn redelijkheid te beoordelen duur van behandeling in e.a. bestaat dus uit periode tussen 1-12-2011 en 12-9-2014 alsmede uit periode tussen uitbrengen van inleidende dagvaarding op 20-4-2020 en vonnis van 2-6-2020. Gelet daarop is ’s hofs oordeel dat redelijke termijn in e.a. niet is overschreden niet begrijpelijk. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf van 40 maanden (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) met 5 maanden te verminderen. Samenhang met 22/03508 (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03507
Datum 17 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 september 2022, nummer 20-001135-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. Römelingh bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt met verschillende klachten op tegen het oordeel van het hof dat aan de voorwaarden van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is voldaan.
2.2
De verdachte is op 1 december 2011 aangehouden op verdenking van zijn betrokkenheid bij een poging om – samen met een ander – iemand te beroven, waarbij door een van de daders gericht is geschoten op een omstander die hen achtervolgde. Nadat bij gebrek aan voldoende bewijs op 12 september 2014 aan de verdachte een kennisgeving niet verdere vervolging is gedaan, zijn in 2018 tegen de mededader en in 2019 tegen de verdachte nieuwe belastende gegevens bekend geworden. Op grond daarvan is de verdachte opnieuw in rechte betrokken. Over de vraag of sprake is van ‘nieuwe bezwaren’ als bedoeld in artikel 255 Sv op grond waarvan de verdachte opnieuw kan worden vervolgd, houdt de uitspraak van het hof onder meer in:
“De raadsman heeft zich ook op de gronden zoals vermeld in zijn pleitnota overgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2022 op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, daar niet wordt voldaan aan de (processuele en materiële) voorwaarden van artikel 255 Sv om na een kennisgeving van niet-verdere vervolging dan wel sepotbrief opnieuw tot vervolging over te gaan.
Het hof overweegt als volgt.
In het dossier bevindt zich een beslissing van de officier van justitie om de verdachte “niet (verder) te vervolgen” d.d. 12 september 2014. Op 28 maart 2019 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant op basis van een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie d.d. 26 maart 2019 overeenkomstig artikel 255 Sv een machtiging verleend tot het instellen van een opsporingsonderzoek. De rechter-commissaris heeft daarbij onder meer acht geslagen op de volgende stukken.
- het NFI-rapport d.d. 9 juli 2018 inhoudende dat er een match is vastgesteld tussen het DNA-profiel van [medeverdachte] en “het op de jas aangetroffen DNA-materiaal”;
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 maart 2019, betreffende een vergelijking van de door aangever en getuigen verstrekte signalementen met foto’s van [medeverdachte] en de verdachte;
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2019, betreffende de vastgestelde onderlinge contacten tussen [medeverdachte] en de verdachte.
Op grond van onder meer deze stukken heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat er van nieuwe bezwaren was gebleken. Het hof stelt vast dat het hier stukken betreft als genoemd in artikel 255 lid 2 Sv die de basis kunnen vormen voor de vaststelling dat er sprake is van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv.
De raadsman heeft betoogd dat deskundigenberichten, zoals het rapport van het NFI d.d. 9 juli 2018, door artikel 255, lid 2 Sv worden uitgesloten, nu dit een verklaring van een deskundige betreft. Het hof deelt de opvatting van de raadsman niet. Een verklaring van een deskundige houdt in een bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde verklaring van een deskundige over wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen, al dan niet naar aanleiding van een door hem in opdracht uitgebracht deskundigenverslag (artikel 343 Sv). Het voormelde NFI-rapport heeft ingevolge artikel 344, lid 1, sub 4 Sv echter te gelden als een schriftelijk bescheid (een verslag van een deskundige met het antwoord op de opdracht die aan hen is verleend tot het verstrekken van informatie of het doen van onderzoek, gebaseerd op wat hun wetenschap en kennis hen leren omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is) en bescheiden worden niet door 255, lid 2 Sv uitgesloten.
Het hof stelt voorts vast dat de rechter-commissaris op 2 december 2011 de vordering van de officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte heeft afgewezen. Daarna heeft het openbaar ministerie de verdachte tijdens de nog voortdurende inverzekeringstelling op 3 december 2011 onderworpen aan een enkelvoudige spiegelconfrontatie met [benadeelde] . Laatstgenoemde herkende daarbij de verdachte niet als de overvaller/schutter. Vervolgens is op aandringen van de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte op 12 september 2014 voormelde kennisgeving van niet (verder) vervolging uitgegaan. Het hof dient zelfstandig te toetsen of er na deze kennisgeving van niet (verdere) vervolging op basis van de voornoemde stukken nieuwe bezwaren zijn gerezen die een nieuwe vervolging rechtvaardigen.
Zoals hierna in de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen wordt uiteengezet, volgt uit voormeld NFI-rapport dat het DNA van medeverdachte [medeverdachte] matcht met het DNA materiaal dat is gevonden op de (oranje) jas en de zich in een jaszak bevindende handschoenen. Daarmee is [medeverdachte] te linken aan de dadersporen, immers bloed van het overvallen slachtoffer [aangever] dat is aangetroffen op diezelfde jas en handschoenen. Het betreft hier een jas, en daarmee dadersporen, die is/zijn aangetroffen in de nabijheid van de plaats delict. Daarenboven lijkt het signalement van [medeverdachte] te passen bij het signalement van een van de vermoedelijke daders van het incident, zoals door getuigen beschreven die hen hebben gezien kort na het incident in de nabijheid van de plaats delict. Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande in samenhang gezien met de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen betreffende de onderlinge contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte] na de kennisgeving van niet (verder) vervolging d.d. 12 september 2014 nieuwe bezwaren zijn gerezen jegens de verdachte.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat niet aan de processuele voorwaarden voor toepassing van artikel 255, lid 3 Sv is voldaan nu de machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven op 28 maart 2019, terwijl het opsporingsonderzoek waartoe de machtiging strekt, volledig dan wel nagenoeg volledig van vóór 28 maart 2019 dateert en juist de basis vormt van de door de rechtbank aanwezig geachte nieuwe bezwaren, en dat dus een machtiging is verleend voor het verrichten van een opsporingsonderzoek dat reeds is verricht.
Het hof overweegt in dit verband dat gelet op het voorhanden zijnde onderzoeksmateriaal door het openbaar ministerie nader onderzoek kennelijk niet nodig werd geacht om de deugdelijkheid van de gerezen nieuwe bezwaren te onderzoeken en tot een succesvolle vervolging van de verdachte te kunnen komen. Het hof is van oordeel dat voor zover hier sprake zou zijn van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van 359a Sv, de verdachte daarmee niet in enig rechtens te beschermen belang is geschaad, mede in het licht van het feit dat ook het hof op basis van de ten tijde van de machtiging bestaande (nieuwe) onderzoeksresultaten heeft geoordeeld dat er na de kennisgeving van niet (verdere) vervolging van nieuwe bezwaren is gebleken. Daar doet de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte] naar aanleiding van de jegens hem gerezen verdenking niet door de politie is gehoord, niet aan af.”
2.3
Artikel 255 Sv luidt:
“1. De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.
3. In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake van deze nieuwe bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek.
4. Tot de instelling van een opsporingsonderzoek als bedoeld in het derde lid wordt niet overgegaan dan na machtiging door de rechter-commissaris, verleend op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast.”
2.4
Artikel 255 Sv strekt tot waarborg dat de verdachte, van wiens verdere vervolging eerder is afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren opnieuw onderwerp wordt van opsporingsonderzoek of lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. Daarom moet eerst de rechter-commissaris een machtiging verlenen om naar de nieuwe bezwaren een opsporingsonderzoek in te stellen. De officier van justitie moet die machtiging vorderen als hij beschikt over nieuwe gegevens als bedoeld in artikel 255 lid 2 Sv op grond waarvan hij de opsporing met het oog op de vervolging tegen de verdachte wil hervatten. Artikel 255 Sv staat niet eraan in de weg dat voorafgaand aan het vorderen door de officier van justitie van zo’n machtiging enig onderzoek wordt verricht om de rechter-commissaris in de gelegenheid te stellen de betekenis en het gewicht van bekend geworden nieuwe gegevens te kunnen beoordelen in relatie tot de gronden waarop de eerder tegen de verdachte gerezen verdenking berustte.
2.5
Als een verdachte voor hetzelfde feit opnieuw in rechte is betrokken, moet de rechter die over de strafzaak oordeelt – mede op basis van de resultaten van het ingestelde opsporingsonderzoek – de vraag beantwoorden of er van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 Sv is gebleken op grond waarvan de verdachte opnieuw kan worden vervolgd. Bij een ontkennende beantwoording van die laatste vraag moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging. (Vgl., over artikel 255 (oud) Sv, HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3543.)
2.6
Het hof heeft geoordeeld dat de stukken waarop de rechter-commissaris zijn beslissing tot het verlenen van een machtiging tot het instellen van een nieuw opsporingsonderzoek heeft gebaseerd, stukken betreffen “als genoemd in artikel 255 lid 2 Sv die de basis kunnen vormen voor de vaststelling dat er sprake is van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv”. Daarmee heeft het hof de hiervoor in 2.5 bedoelde vraag bevestigend beantwoord. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat voorafgaand aan de door de rechter-commissaris verleende machtiging niet mocht worden overgegaan tot het opsporingsonderzoek dat heeft geleid tot de in de overwegingen van het hof genoemde twee processen-verbaal van bevindingen, miskent het wat onder 2.4 is overwogen over het onderzoek dat mag worden verricht voorafgaand aan het vorderen door de officier van justitie van een machtiging van de rechter-commissaris. De omstandigheid dat nadat de machtiging door de rechter-commissaris was verleend, zoals het hof heeft overwogen, “gelet op het voorhanden zijnde onderzoeksmateriaal door het openbaar ministerie nader onderzoek kennelijk niet nodig werd geacht om de deugdelijkheid van de gerezen nieuwe bezwaren te onderzoeken en tot een succesvolle vervolging van de verdachte te kunnen komen”, maakt dat niet anders.
2.7
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) het jeugdstrafrecht heeft toegepast. Het stelt hiertoe onder meer dat het hof ten onrechte in zijn oordeel heeft betrokken (i) de ernst van het feit, nu deze factor in artikel 77c Sr niet wordt genoemd; en (ii) de leeftijd van de verdachte ten tijde van de berechting, omdat alleen mag worden gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit.
3.2
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“De raadsman heeft - op gronden zoals verwoord in de pleitnota - bepleit dat het jeugdstrafrecht zal worden toegepast.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 77c Sr bepaalt dat toepassing kan worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht indien het gaat om een dader die ten tijde van het plegen van het strafbaar feit de leeftijd van 18 jaar maar nog niet die van 23 jaar heeft bereikt. De verdachte was ten tijde van het plegen van het feit bijna 19 jaar. De rechter kan tot toepassing van het adolescentenstrafrecht overgaan indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2012-13, 33.498, nr. 3, p. 16) blijkt dat het uitgangspunt van het jeugdrecht is dat de “tenuitvoerlegging van jeugdsancties altijd mede dienstbaar is aan de (her)opvoeding van de jeugdige en dat zij is gericht op het aanvaarden door de jeugdige van een opbouwende rol in de maatschappij”.
De raadsman heeft in zijn pleitnota weliswaar een aantal punten genoemd waarom 77c Sr zou moeten worden toegepast, maar heeft deze niet nader ingekleurd of nader onderbouwd met stukken. De verdachte is ook niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen om zijn situatie nader toe te lichten. Het hof ziet mede gelet op de ernst van het feit dan ook geen grond om het adolescentenstrafrecht op de verdachte toe te passen.
Gelet op de leeftijd van de verdachte thans (29 jaar) en ook gelet op hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht omtrent de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte is bovendien het in de wetgeschiedenis genoemde doel van het jeugdrecht bij de verdachte naar het oordeel van het hof niet aan de orde.”
3.3.1
Artikel 77c lid 1 Sr luidt:
“Ten aanzien van de jongvolwassene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren doch nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, kan de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh.”
3.3.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat onder meer heeft geleid tot de invoering van het huidige artikel 77c Sr houdt onder meer in:
“1. Inleiding
(...)Onder adolescenten worden hier verstaan jeugdigen en jongvolwassenen in de leeftijd van 15 tot 23 jaar. Zij delen kenmerkende eigenschappen. Juist in deze leeftijd komt specifiek risicogedrag voor en een wezenlijke psychologische ontwikkeling ter voorkoming van dat gedrag, treedt pas na het 18de levensjaar op. (...) Voor een effectievere sanctionering moet aan deze inzichten betekenis worden toegekend. Het wetsvoorstel ondersteunt daarom een strafrechtelijke afdoening waarin, naast met de ernst van het criminele gedrag, nadrukkelijker rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsfase.
(...)
3.3.4
De flexibele grenzen nader bezien
(...)
Boven de 18 jaar vindt als hoofdregel het gewone strafrecht toepassing.
(...)
Ook voor de toepassing van het jeugdstrafrecht op een jongvolwassene van 18–21 jaar kan aanleiding worden gevonden in «de persoonlijkheid van de dader» of «de omstandigheden waaronder het feit is begaan». Deze in artikel 77c Sr vervatte mogelijkheid voert terug tot de herziening van het jeugdstrafrecht in 1965. Hierbij werd gedacht aan personen in de leeftijd van 18 tot 21 ten tijde van het plegen van een strafbaar feit, «die in ontwikkeling met strafrechtelijk minderjarigen praktisch zijn gelijk te stellen». In de gevallen dat aan artikel 77c Sr toepassing wordt gegeven, blijken dan ook een beperkte ontwikkeling van de persoonlijkheid of de aanwezigheid van een stoornis daarvoor de aanleiding te geven.
(...)
3.4
De plaats van dit wetsvoorstel
Uitgangspunt is een effectieve en dadergerichte sanctionering die recht doet aan het gepleegde feit en die rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de adolescent en de ontwikkelingsfase waarin deze zich bevindt. Aan de biologische leeftijd van de adolescent, waaronder ik in dit verband versta de jeugdigen en jongvolwassenen in de leeftijd van 15 tot 23 jaar, wordt minder doorslaggevende betekenis toegekend. Concreet betekent dit dat wanneer de ontwikkelingsfase van de adolescent hiervoor aanleiding geeft het opleggen van een sanctie of combinaties van sancties uit jeugdstrafrecht wordt overwogen.
(...)
Anders dan in het hiervoor weergegeven voorstel van de Commissie-Anneveldt en anders dan de RSJ blijkens zijn adviezen voorstaat, gaat dit wetsvoorstel niet uit van de hoofdregel dat op jeugdigen en adolescenten in de leeftijd van 12 tot 24 jaar het jeugdstrafrecht van toepassing is. Ik hecht eraan dit onderscheid te benadrukken. De inrichting van het adolescentenstrafrecht zou dan in wezen neerkomen op een uitbreiding van de werkingssfeer van het jeugdstrafrecht sec. Dit is niet wat mij voor ogen staat. Het hiervoor beschreven sanctiestelsel met een vergrote flexibiliteit rond de leeftijd van 18 jaar biedt voldoende en aansprekende mogelijkheden om een dadergerichte aanpak van criminele adolescenten vorm te geven. De hoofdregel daarin blijft dat meerderjarigen worden berecht volgens het gewone strafrecht en dat minderjarigen worden berecht volgens het jeugdstrafrecht. Voor criminele adolescenten kan, afhankelijk van de ernst van het gepleegde feit en de persoonlijkheid van de dader, op deze hoofdregel een uitzondering worden gemaakt. De biologische leeftijd van de jeugdige of jongvolwassene is daarmee niet langer doorslaggevend voor de zwaarte en invulling van de sanctie, maar richtinggevend blijft zij daarvoor wel. (...)
Ik verduidelijk graag dat de leeftijdsgrenzen in dit wetsvoorstel telkens verwijzen naar het moment waarop een strafbaar feit is gepleegd. De tenuitvoerlegging van een straf of maatregel vindt later plaats. Het voorgestelde adolescentenstrafrecht is juist sterk op deze tenuitvoerlegging gericht; juist daarin wordt met de ontwikkelingsfase rekening gehouden. Door aansluiting te zoeken bij het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, kan de tenuitvoerlegging doorlopen tot ver na het moment waarop de leeftijd van 23, 24 of 25 jaar is bereikt. Waar de leeftijdsgrenzen verwijzen naar het moment waarop het strafbare feit is begaan, wordt juist in de tenuitvoerlegging met de relatieve onvolwassenheid van de jongvolwassene rekening gehouden.”
(Kamerstukken II 2012/13, 33498, nr. 3, p. 1 en 17-19.)
3.4
Uit de vaststellingen en overwegingen van het hof blijkt dat het in de in artikel 77c lid 1 Sr genoemde ‘persoonlijkheid van de dader’ en ‘omstandigheden waaronder het feit is begaan’ geen grond heeft gevonden om af te wijken van de hoofdregel dat in de zaak tegen deze verdachte het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. Dat het bij dit oordeel mede heeft betrokken dat sprake is van een ernstig feit en dat het hof, gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de berechting, ook het doel van toepassing van het jeugdstrafrecht niet aan de orde achtte, geeft – mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
3.5
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
4. Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat in deze zaak de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte niet geldt als beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
4.2
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“Het hof stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van een verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.
In de onderhavige zaak heeft de situatie zich voorgedaan dat de verdachte na een kennisgeving niet (verdere) vervolging in 2014 op grond van nieuwe bezwaren ex artikel 255 Sv in 2019 weer opnieuw in een strafrechtelijk onderzoek is betrokken. Op 20 april 2020 is aan de verdachte een dagvaarding uitgebracht. Naar het oordeel van het hof heeft dit moment dan ook te gelden als de aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft op 2 juni 2020 vonnis gewezen en van een overschrijding in eerste aanleg is derhalve geen sprake.
De verdachte heeft op 8 juni 2020 appel ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Het hof wijst thans, op 12 september 2022 vonnis, hetgeen betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep met drie maanden is overschreden. Gelet op deze schending van de redelijke termijn zal het hof de op te leggen straf verminderen met 2 maanden en een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 40 maanden.”
4.3.1
Het voorschrift van artikel 6 lid 1 EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.11).
4.3.2
Op het aan de verdachte in artikel 6 lid 1 EVRM toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daarover valt niet te geven. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als zo’n handeling worden aangemerkt. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.12.1.)
4.4
Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, omdat de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 20 april 2020 en de rechtbank op 2 juni 2020 vonnis heeft gewezen. Daarmee heeft het hof miskend dat de verdachte op 1 december 2011 in verzekering is gesteld, aan welke handeling de verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Daarom moet worden aangenomen dat de verdachte onder de dreiging van die strafvervolging heeft geleefd tot de kennisgeving aan hem op 12 september 2014 van niet verdere vervolging. De totale op zijn redelijkheid te beoordelen duur van de behandeling in eerste aanleg bestaat dus uit deze periode tussen 1 december 2011 en 12 september 2014 alsmede uit de periode tussen het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 20 april 2020 en het vonnis van 2 juni 2020. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden niet begrijpelijk.
4.5
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertig maanden verminderen.
5. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot een verdere vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertig maanden.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 35 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2025.
Conclusie 08‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Poging tot diefstal met geweld bestaande uit schieten op een achtervolger (312 jo. 45 Sr). De eerste twee middelen gaan over de ontvankelijkheid van het OM nadat eerder een kennisgeving van niet verdere vervolging was uitgegaan. Het derde middel betreft de afwijzing van het verzoek om op de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. De conclusie gaat in op de geschiedenis van art 77c Sr en de relevante afwegingsfactoren. Het vierde middel komt op tegen de beslissing om enkele in beslag genomen goederen niet terug te geven aan de verdachte. Het vijfde middel keert zich tegen de toewijzing van de vordering benadeelde partij. Het zesde middel klaagt over het oordeel van het hof over de begindatum van de redelijke termijn. Dit laatste middel slaagt. Alle andere middelen falen. Conclusie strekt tot strafvermindering en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03507
Zitting 8 april 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 september 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden. Daarnaast heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van in beslag genomen voorwerpen, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en daarmee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Een en ander als nader in het arrest bepaald.1.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W. Römelingh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
2.
2.1
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte samen met zijn [medeverdachte] , op 1 december 2011 om 7:30 geprobeerd heeft om geld en/of goederen afhandig te maken van [aangever] , die op dat moment bezig was zijn bedrijfsgebouw te openen. Twee omstanders, [getuige] en [benadeelde ] , hebben dit gezien en daarop de achtervolging ingezet. Tijdens die achtervolging heeft de verdachte eerst zijn wapen op de achtervolgers gericht en even later op [benadeelde ] geschoten.
2.2
Die ochtend om 8:39 is de verdachte in de nabijheid van de plaats delict aangehouden. In de omgeving zijn toen - op twee verschillende plekken - handschoenen en een jas aangetroffen. In de handschoenen bevonden zich DNA-sporen van de verdachte. Op de jas zaten bloedsporen van [aangever] , maar geen DNA-sporen van de verdachte. Na de inverzekeringstelling is de verdachte vrijgekomen en op 12 september 2014 is aan de verdachte een mededeling van niet verdere vervolging gedaan.
2.3
Nadat in 2018 het DNA van de medeverdachte in de DNA-databank is opgenomen, kon een match worden vastgesteld tussen hem en het DNA op de aangetroffen jas. Vervolgens kon worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte elkaar kenden en op die manier is de verdachte opnieuw in beeld gekomen. Een en ander heeft geleid tot heropening van het onderzoek, een machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 255 lid 4 Sv en uiteindelijk tot de dagvaarding en veroordeling van de verdachte.
2.4
In cassatie wordt eerst met twee middelen opgekomen tegen de beslissing om in afwijking van de eerdere kennisgeving van niet verdere vervolging toch tot vervolging over te gaan. Het derde middel vecht het oordeel van het hof aan om geen toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. Het vierde middel is gericht tegen de beslissing over het beslag en het vijfde middel over die ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Het zesde middel bevat een klacht over het gekozen aanvangsmoment van de redelijke termijn.
Het eerste en het tweede middel
3.
3.1
De middelen hebben betrekking op de vervolgingsbeslissing. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat de vervolging van de verdachte strijd oplevert met art. 68 Sr, althans met het ne bis in idem-beginsel, ontoereikend gemotiveerd zou hebben verworpen. Het tweede middel bevat een vergelijkbare klacht ten aanzien van het verweer dat art. 255 Sv “zowel processueel als materieel” zou zijn geschonden.
3.2
Het hof heeft de voor de middelen relevante verweren als volgt samengevat en verworpen:
“b. Artikel 68, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu artikel 68, lid 1 Sr een nieuwe vervolging van de verdachte in de weg staat, gelet op de uitspraak van de rechtbank d.d. 27 maart 2015 waarbij aan de verdachte een schadevergoeding ter zake van de in verzekering doorgebrachte dagen is toegekend op grond van artikel 89 Sr.
Het hof verwerpt dit verweer nu het hier niet een rechterlijke uitspraak betreft zoals bedoeld in artikel 68 Sr, te weten een onherroepelijke rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte als zijnde strafbaar is veroordeeld met of zonder oplegging van straf en/of maatregel, is vrijgesproken of ontslagen is van alle rechtsvervolging al dan niet met oplegging van een maatregel. Het hof is van oordeel dat er ook overigens geen sprake is van een schending van het ne bis in idem beginsel.
c. artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
De raadsman heeft zich ook op de gronden zoals vermeld in zijn pleitnota overgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2022 op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, daar niet wordt voldaan aan de (processuele en materiële) voorwaarden van artikel 255 Sv om na een kennisgeving van niet-verdere vervolging dan wel sepotbrief opnieuw tot vervolging over te gaan.
Het hof overweegt als volgt.
In het dossier bevindt zich een beslissing van de officier van justitie om de verdachte “niet (verder) te vervolgen” d.d. 12 september 2014. Op 28 maart 2019 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant op basis van een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie d.d. 26 maart 2019 overeenkomstig artikel 255 Sv een machtiging verleend tot het instellen van een opsporingsonderzoek. De rechter-commissaris heeft daarbij onder meer acht geslagen op de volgende stukken.
het NFI-rapport d.d. 9 juli 2018 inhoudende dat er een match is vastgesteld tussen het DNA-profiel van [medeverdachte] en “het op de jas aangetroffen DNA-materiaal”;
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 maart 2019, betreffende een vergelijking van de door aangever en getuigen verstrekte signalementen met foto’s van [medeverdachte] en de verdachte;
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2019, betreffende de vastgestelde onderlinge contacten tussen [medeverdachte] en de verdachte.
Op grond van onder meer deze stukken heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat er van nieuwe bezwaren was gebleken. Het hof stelt vast dat het hier stukken betreft als genoemd in artikel 255 lid 2 Sv die de basis kunnen vormen voor de vaststelling dat er sprake is van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv.
De raadsman heeft betoogd dat deskundigenberichten, zoals het rapport van het NFI d.d. 9 juli 2018, door artikel 255, lid 2 Sv worden uitgesloten, nu dit een verklaring van een deskundige betreft. Het hof deelt de opvatting van de raadsman niet. Een verklaring van een deskundige houdt in een bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde verklaring van een deskundige over wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen, al dan niet naar aanleiding van een door hem in opdracht uitgebracht deskundigenverslag (artikel 343 Sv). Het voormelde NFI-rapport heeft ingevolge artikel 344, lid 1, sub 4 Sv echter te gelden als een schriftelijk bescheid (een verslag van een deskundige met het antwoord op de opdracht die aan hen is verleend tot het verstrekken van informatie of het doen van onderzoek, gebaseerd op wat hun wetenschap en kennis hen leren omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is); en bescheiden worden niet door 255, lid 2 Sv uitgesloten.
Het hof stelt voorts vast dat de rechter-commissaris op 2 december 2011 de vordering van de officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte heeft afgewezen. Daarna heeft het openbaar ministerie de verdachte tijdens de nog voortdurende inverzekeringstelling op 3 december 2011 onderworpen aan een enkelvoudige spiegelconfrontatie met [benadeelde ] . Laatstgenoemde herkende daarbij de verdachte niet als de overvaller/schutter. Vervolgens is op aandringen van de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte op 12 september 2014 voormelde kennisgeving van niet (verder) vervolging uitgegaan.
Het hof dient zelfstandig te toetsen of er na deze kennisgeving van niet (verdere) vervolging op basis van de voornoemde stukken nieuwe bezwaren zijn gerezen die een nieuwe vervolging rechtvaardigen.
Zoals hierna in de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen wordt uiteengezet, volgt uit voormeld NFI-rapport dat het DNA van [medeverdachte] matcht met het DNA materiaal dat is gevonden op de (oranje) jas en de zich in een jaszak bevindende handschoenen. Daarmee is [medeverdachte] te linken aan de dadersporen, immers bloed van het overvallen slachtoffer [aangever] dat is aangetroffen op diezelfde jas en handschoenen. Het betreft hier een jas, en daarmee dadersporen, die is/zijn aangetroffen in de nabijheid van de plaats delict. Daarenboven lijkt het signalement van [medeverdachte] te passen bij het signalement van een van de vermoedelijke daders van het incident, zoals door getuigen beschreven die hen hebben gezien kort na het incident in de nabijheid van de plaats delict. Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande in samenhang gezien met de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen betreffende de onderlinge contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte] na de kennisgeving van niet (verder) vervolging d.d. 12 september 2014 nieuwe bezwaren zijn gerezen jegens de verdachte.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat niet aan de processuele voorwaarden voor toepassing van artikel 255, lid 3 Sv is voldaan nu de machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven op 28 maart 2019, terwijl het opsporingsonderzoek waartoe de machtiging strekt, volledig dan wel nagenoeg volledig van vóór 28 maart 2019 dateert en juist de basis vormt van de door de rechtbank aanwezig geachte nieuwe bezwaren, en dat dus een machtiging is verleend voor het verrichten van een opsporingsonderzoek dat reeds is verricht.
Het hof overweegt in dit verband dat gelet op het voorhanden zijnde onderzoeksmateriaal door het openbaar ministerie nader onderzoek kennelijk niet nodig werd geacht om de deugdelijkheid van de gerezen nieuwe bezwaren te onderzoeken en tot een succesvolle vervolging van de verdachte te kunnen komen. Het hof is van oordeel dat voor zover hier sprake zou zijn van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van 359a Sv, de verdachte daarmee niet in enig rechtens te beschermen belang is geschaad, mede in het licht van het feit dat ook het hof op basis van de ten tijde van de machtiging bestaande (nieuwe) onderzoeksresultaten heeft geoordeeld dat er na de kennisgeving van niet (verdere) vervolging van nieuwe bezwaren is gebleken.
Daar doet de omstandigheid dat [medeverdachte] naar aanleiding van de jegens hem gerezen verdenking niet door de politie is gehoord, niet aan af.”
3.3
Het eerste middel komt op tegen beide hiervoor door het hof onder ‘b’ weergegeven oordelen. Primair wordt betoogd dat het oordeel onjuist is dat een beslissing strekkende tot schadevergoeding als bedoeld in art. 89 lid 1 Sv (oud) geen rechterlijke uitspraak is als bedoeld in art. 68 Sr. Subsidiair wordt aangevoerd dat indien dit oordeel van het hof wel juist zou zijn, (de motivering van) het oordeel dat ook het beginsel van ne bis in idem niet is geschonden tekort zou schieten.
3.4
De primaire klacht faalt evident nu de beslissing waar de steller van het middel de hoop op heeft gevestigd niet een beslissing (ten gronde) over het te laste gelegde feit inhoudt.2.De subsidiaire klacht wordt geabsorbeerd door de thematiek van het tweede middel.
3.5
Het tweede middel is gericht tegen hetgeen het hof overweegt onder kopje ‘c’. Daartoe wordt kort gezegd aangevoerd dat hetgeen het hof aanmerkt als “nieuwe bezwaren” niet als zodanig zou mogen gelden (de vermeende “materiële” schending van art. 255 Sv) en dat het hof ontoereikend gemotiveerd voorbij zou zijn gegaan aan het verweer dat het opsporingsonderzoek waartoe de machtiging van de rechter-commissaris (ex art. 255 lid 4 Sv) zou hebben gestrekt “volledig dan wel nagenoeg volledig” zou zijn verricht vóór die machtiging werd verleend (de vermeende “processuele” schending van art. 255 Sv).
3.6
De klacht over de “materiële” schending berust op de opvatting dat (i) een deskundigenbericht geen nieuw bezwaar in de zin van art. 255 lid 1 Sv kan opleveren. Die klacht faalt, gelet op het feit dat het hof het NFI-rapport als een schriftelijk bescheid heeft aangemerkt en dus als een stuk genoemd in art. 255 lid 2 Sv. Daarnaast (ii) wordt betoogd dat het oordeel van het hof tekort zou schieten omdat de nieuwe bezwaren betrekking zouden hebben op de medeverdachte en niet op de verdachte. Hiervoor geldt het volgende. De stelling dat nieuwe bezwaren enkel betrekking mogen hebben op de identiteit van de verdachte, vindt geen steun in het recht.3.De wijze waarop het hof in de hierboven weergegeven motivering een koppeling heeft aangebracht tussen het aangetroffen DNA van de medeverdachte en de gerezen nieuwe bezwaren jegens de verdachte in de onderhavige zaak - kort gezegd inhoudende dat zij bekenden van elkaar waren - is, bezien in het licht van de informatie die reeds bekend was van de periode kort na het delict, niet onbegrijpelijk.
3.7
Dan de vermeende procedurele schending van art. 255 Sv. Lid 1 van dit artikel schrijft voor dat een verdachte behoudens nieuwe bezwaren “niet in rechten [kan] worden betrokken”. Hiervan is pas sprake als een rechter bij de zaak wordt betrokken en dat was in deze zaak blijkens de vaststellingen van het hof - in cassatie ook onbestreden - in de periode voor het aanvragen van een machtiging bij de rechter-commissaris niet het geval.4.Iets anders is de vraag of art. 255 Sv ook beschermt tegen (het maken van een begin met) een opsporingsonderzoek. Het vinden van een antwoord op die vraag is er na de wijziging van art. 255 Sv met de Wet versterking positie rechter-commissaris (Stb. 2011, 600) niet eenvoudiger op geworden.5.Aangenomen lijkt me te moeten worden dat als op enig moment blijkt van nieuwe bezwaren en het voornemen ontstaat daar nader onderzoek naar te doen, de rechter-commissaris moet worden benaderd teneinde hiervoor een machtiging te krijgen. Een vordering voor zo’n machtiging veronderstelt dat de gestelde nieuwe bezwaren enigszins duidelijk zijn vastgelegd. Om dit te bereiken kan een enkele opsporingshandeling noodzakelijk zijn. De rechter-commissaris toetst op enige afstand of er inderdaad aanwijzingen voor dergelijke nieuwe bezwaren zijn. Uiteindelijk kan de zittingsrechter dit dan ten volle toetsen.6.
3.8
De hiervoor geschetste materie wordt in de onderhavige zaak evenwel niet op scherp gesteld. Het hof heeft namelijk vastgesteld dat de nieuwe bezwaren in eerste instantie zijn gerezen in een andere zaak, te weten de zaak van de medeverdachte, waarna de verdachte, mede omdat hij een bekende was van die medeverdachte, (opnieuw) in beeld kwam. Gelet op deze gang van zaken is het niet vreemd dat een deel van het opsporingsonderzoek al is verricht op het moment dat de rechter-commissaris om een machtiging wordt gevraagd. Of - en zo ja, in hoeverre - ook nog sprake is geweest van meeromvattend opsporingsonderzoek in de fase na het rijzen van nieuwe bezwaren maar vóór het verzoeken van een machtiging, wordt mij niet duidelijk. Zowel de pleitnota in hoger beroep als de cassatieschriftuur bevatten wel de suggestie dat van meeromvattend onderzoek sprake is geweest, maar specificeren niet waaruit dit onderzoek zou hebben bestaan en waaruit dit blijkt. Reeds om die reden kan deze klacht niet slagen.
3.9
Beide middelen falen.
Het derde middel
4.
4.1
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof om geen toepassing te geven aan art. 77c lid 1 Sr mede in het licht van hetgeen ter zitting is aangevoerd onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn.
Het verweer en de overwegingen van het hof
4.2
Het voor het middel relevante verweer luidde als volgt (p. 4 van de pleitnota):
“Ingeval het openbaar ministerie ontvankelijk zou worden verklaard in de (nieuwe) vervolging, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte behoort te worden berecht volgens het jeugdstrafrecht.
Ten eerste was de verdachte jong meerderjarig.
Ten tweede woonde de verdachte bij zijn moeder.
Ten derde ging de verdachte, naar school ( [A] aan toen ter tijd [a-straat] te [plaats] , wat een school is van [B] die zich richt op moeilijk lerende kinderen).
Ten vierde stond de verdachte onder begeleiding van de [C] , wat een instelling is die zich richt op kinderen met een beperking en kinderen van ouders met een beperking.
Ten vijfde blijkt dat de verdachte een Wajong-uitkering krijgt en een Wajong-uitkering bestemd is voor een persoon die voor zijn 17de door een beperking arbeidsongeschikt is en dat op zijn 18de nog steeds is.
En last but not least klinkt het heel volwassen dat de verdachte toen ter tijd zei dat hij een eigen woning, vriendin en kind had, maar gezien het contrast met de werkelijkheid toen ter tijd is dat reden te meer om toepassing aan het jeugdstrafrecht te geven”
4.3
Het hof heeft als volgt dit verweer verworpen en de strafoplegging onderbouwd:
“De raadsman heeft - op gronden zoals verwoord in de pleitnota - bepleit dat het jeugdstrafrecht zal worden toegepast.
Het hof overweegt als volgt;
Artikel 77c Sr bepaalt dat toepassing kan worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht indien het gaat om een dader die ten tijde van het plegen van het strafbaar feit de leeftijd van 18 jaar maar nog niet die van 23 jaar heeft bereikt. De verdachte was ten tijde van het plegen van het feit bijna 19 jaar. De rechter kan tot toepassing van het adolescentenstrafrecht overgaan indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2012-13, 33.498, nr. 3, p. 16) blijkt dat het uitgangspunt van het jeugdrecht is dat de “tenuitvoerlegging van jeugdsancties altijd mede dienstbaar is aan de (her)opvoeding van de jeugdige en dat zij is gericht op het aanvaarden door de jeugdige van een opbouwende rol in de maatschappij".
De raadsman heeft in zijn pleitnota weliswaar een aantal punten genoemd waarom 77c Sr zou moeten worden toegepast, maar heeft deze niet nader ingekleurd of nader onderbouwd met stukken. De verdachte is ook niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen om zijn situatie nader toe te lichten. Het hof ziet mede gelet op de ernst van het feit dan ook geen grond om het adolescentenstrafrecht op de verdachte toe te passen.
Gelet op de leeftijd van de verdachte thans (29 jaar) en ook gelet op hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht omtrent de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte is bovendien het in de wetgeschiedenis genoemde doel van het jeugdrecht bij de verdachte naar het oordeel van het hof niet aan de orde.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot, diefstal met geweld gericht tegen een ondernemer die vroeg in de ochtend zijn bedrijf opende. Deze poging ging gepaard met fors geweld. Uit de aangifte van [aangever] volgt dat hij meerdere harde klappen tegen/op zijn hoofd heeft moeten incasseren en dat hij daardoor aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Hiervoor heeft het slachtoffer zich ook onder doktersbehandeling moeten laten stellen. Enkel doordat de verdachten in hun poging tot diefstal werden gestoord, is het niet ernstiger afgelopen voor het slachtoffer. Dit alles laat zien dat verdachte er niet voor terugschrok om voor zijn eigen financieel gewin fors geweld tegen een ander te gebruiken, zonder daarbij rekening te houden met de lichamelijke en geestelijke gevolgen voor het slachtoffer en de gevoelens van angst en onveiligheid die dit teweeg brengt in de maatschappij in het algemeen. Verder is door de verdachte met een vuurwapen gedreigd toen zij, achtervolgd door omstanders, op de vlucht sloegen. Op een van de achtervolgende omstanders, [benadeelde ] , is zelfs eenmaal gericht geschoten. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die [benadeelde ] heeft opgesteld, blijkt hoe traumatisch deze ervaring ook voor hem is geweest. Zo beschrijft hij hoe hij nog jarenlang last heeft gehad van de herinnering aan het voorval. Dit alles rekent het hof verdachte zwaar aan.
De verdachte hoeft voor zijn handelen geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Naar het oordeel van het hof kan dan ook gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 april 2022, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals gebleken uit het reclasseringsrapport van 21 april 2020 en ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht Het hof stelt op grond van voormeld strafblad vast dat de verdachte eerder onherroepelijk is gestraft, onder meer voor geweldsdelicten en het bewezenverklaarde gedurende een eerder opgelegde proeftijd heeft gepleegd.
Het hof is van oordeel dat de ernst en de aard van het bewezenverklaarde een forsere straf zou rechtvaardigen dan door de rechtbank is opgelegd. Echter, gelet op het tijdsverloop en de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf een passende straf.”
Cassatieklachten
4.4
De toelichting op het middel bevat drie klachten die gericht zijn tegen deze motivering. Ten eerste wordt bezwaar gemaakt tegen het feit dat het hof bij zijn motivering heeft betrokken dat de verdediging het pleidooi strekkende tot toepassing van art. 77c Sr onvoldoende heeft “ingekleurd of nader onderbouwd”. De tweede klacht houdt in dat het gerechtshof niet had moeten kijken naar de leeftijd van de verdachte op het moment van de berechting, maar op die ten tijde van het delict. De derde klacht, ten slotte, houdt in dat het hof de ernst van het feit heeft betrokken bij de beslissing om geen toepassing te geven aan art. 77c Sr.
4.5
Art. 77c lid 1 Sr geeft de rechter de bevoegdheid op een jongvolwassene de sanctiebepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen, in dit verband ook wel aangeduid als adolescentenstrafrecht:
“Ten aanzien van de jongvolwassene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren doch nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, kan de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh.”
4.6
De tegenhanger van deze bepaling, waar de steller van het middel ook wijst, is art. 77b lid 1 Sr. Daarin wordt de rechter de bevoegdheid gegeven op jeugdigen het volwassenenstrafrecht toe te passen:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, kan de rechter de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing laten en recht doen overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande titels vervat, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.”
4.7
De klachten stellen de vraag aan de orde wat de betekenis is van het verschil in formulering tussen deze wetsartikelen waarin de ene keer wel “de ernst van het begane feit” als criterium wordt genoemd en de andere keer niet. Bovendien roept de kwestie van het toetsmoment van de leeftijd de vraag op naar de verhouding tussen twee elementen die aan het jeugdstrafrecht ten grondslag liggen, namelijk enerzijds de verminderde mate waarin jeugdigen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun daden en aan de andere kant de mogelijkheden van pedagogische beïnvloeding door specifieke op jeugdigen afgestemde sancties. Dit punt komt in deze zaak zo nadrukkelijk aan de orde omdat de leeftijd ten tijde van het plegen van het feit, namelijk achttien jaar, zoveel verschilt van de leeftijd ten tijde van het bestreden arrest, namelijk 29 jaar.
Wetsgeschiedenis
4.8
Voor de beoordeling van deze klachten geef ik eerst een deel van de geschiedenis van deze twee aangehaalde wetsartikelen weer.7.
4.9
Deze bevoegdheid om op minderjarigen van een bepaalde leeftijd het volwassenenstrafrecht toe te passen, is in 1905 tegelijkertijd met het jeugdstrafrecht zelf in het Wetboek van Strafrecht opgenomen8.. Het oorspronkelijke wetsontwerp kende deze mogelijkheid niet, maar bij amendement is deze toegevoegd. De indieners daarvan twijfelden of het volwassenenstrafrecht niet al vanaf 16 jaar zou moeten worden toegepast en zagen dit amendement als een compromis. De nadruk werd daarbij gelegd op de verschillen tussen “individuen in ontwikkeling, karaktervorming, lichaamsgesteldheid en alles wat het onderscheid vormt tusschen kind en volwassenen [die] juist op dien leeftijd zo hemelsbreed verschillen”.9.Het amendement had de strekking het volwassenenstrafrecht toe te passen op “die jeugdige misdadigers, die met volwassenen geacht moeten worden gelijk te staan”.10.Zij citeerden ter onderbouwing onder andere een uitspraak van een redacteur van het Weekblad van het Recht die het oog had op personen “tusschen de 16 en 18 jaren, die zich volkomen bewust zijn van het kwaad, dat zij willens en wetens stichten, en die naar onze opvatting noch in een tuchtschool, noch in een opvoedingsgesticht tehuis behooren”.11.
4.10
De elementen die in deze overwegingen zijn te lezen, hebben ook in de ruime eeuw daarna een grote rol gespeeld bij wetswijzigingen: niet alleen de biologische leeftijd, maar ook de feitelijke ontwikkeling van de individuele jeugdige is van belang, waarbij die ontwikkeling enerzijds wordt betrokken op de mate waarin een jeugdige verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn gedrag en anderzijds op het nut en de noodzaak van een specifieke straf of interventie voor jeugdigen.
4.11
Het in 1905 ingevoerd art. 37septies lid 5 Sr formuleerde nog geen voorwaarden voor de toepassing van de bevoegdheid het volwassenenstrafrecht toe te passen. Evenmin bevatte de wet een bevoegdheid om op jongvolwassenen het jeugdstrafrecht toe te passen. Beide veranderde in 1965.12.
4.12
In het destijds ingevoerde art. 77c Sr werd als grond voor de toepassing van het volwassenenstrafrecht opgenomen “de ernst van het begane feit en de persoonlijkheid van de dader.” Het ging hier om cumulatieve eisen die het aantal gevallen waarin de bevoegdheid kon worden toegepast dus beperkte.13.Het toen nieuwe art. 77d Sr maakte het mogelijk op minderjarigen (destijds iedereen jonger dan 21 jaar) die ten tijde van het strafbare feit achttien jaar of ouder waren, toch het jeugdstrafrecht toe te passen indien de rechter daartoe grond vond in enkel de persoonlijkheid van de verdachte.
4.13
Volgens de toelichting op de wet werd daarbij gedacht aan personen “die in ontwikkeling met strafrechtelijk minderjarigen praktisch zijn gelijk te stellen”.14.Door de samenhangende bevoegdheden om over de biologischeleeftijdsgrenzen heen het volwassenen- en het jeugdstrafrecht toe te passen (toen nog geregeld in art. 77c respectievelijk 77d Sr), kon optimaal rekening worden gehouden met de individuele verschillen tussen jeugdigen, waarbij de mate van ontwikkeling zwaar woog, mede met het oog op de inzet van pedagogische maatregelen:
“Anderzijds bieden de voorgestelde artikelen 77c en 77d van het Wetboek van Strafrecht, zoals ook van verschillende zijden in het voorlopig verslag is geconstateerd, de mogelijkheid om rekening te houden met individuele verschillen in het tempo van geestelijke ontwikkeling, wanneer het gaat om de vraag of toepassing van het kinderstrafrecht dan wel van het strafrecht voor volwassenen aangewezen is. Terecht hebben sommige leden opgemerkt, dat er delinquenten zijn in de leeftijdsgroep tussen 16 en 18 jaar, die niet in aanmerking komen voor een strafrechtelijke behandeling overeenkomstig de voor kinderen gestelde regelen. De noodzaak van een krachtig optreden tegen ergerlijk wangedrag impliceert intussen niet, dat jeugdige personen die zich daaraan schuldig hebben gemaakt, steeds als volwassenen moeten worden berecht. Ook met toepassing van het kinderstrafrecht zijn gevoelige correcties mogelijk. De mate van publieke ergernis, door bepaalde misdragingen gewekt, wettigt op zich zelf geen conclusies omtrent de mogelijkheden van educatieve beïnvloeding door middel van een kinderrechtelijke straf of maatregel.”15.
4.14
De nadruk op de persoonlijkheid van de verdachte werd met de daaropvolgende wetswijziging in 199516., echter verminderd toen de hiervoor onder 4.5 en 4.6 geciteerde alternatieve voorwaarden voor toepassing van het volwassenenstrafrecht op minderjarigen werden ingevoerd (met verplaatsing van art. 77b naar art. 77c Sr), te weten “de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan”. Voor de toepassing van het jeugdstrafrecht op jongvolwassenen werd het criterium (in art. 77c in plaats van art. 77d Sr): “de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan” (cursiveringen toegevoegd, MvW)..
4.15
Deze afschaffing van de cumulatie van vereisten in art. 77b Sr en het toevoegen van extra gronden aan zowel art. 77b Sr als in art. 77c Sr hield een verruiming in van de toepassingsmogelijkheden in beide ‘richtingen’.17.Daarmee werd beoogd “de overgang tussen de verschillende leeftijdscategorieën vloeiender en makkelijker te hanteren”.18.Ik haal verder een aantal passages aan uit de wetsgeschiedenis van deze wijziging aan:
“De keuze ook op strafrechtelijk gebied wettelijke gevolgtrekkingen te verbinden aan de toegenomen mondigheid van de jeugd, is aan de orde geweest bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot verlaging van de meerderjarigheidsgrens in het Burgerlijk Wetboek. Nader empirisch onderzoek naar de mondigheid van de jeugd werd, gelet op de reeds gemaakte keuzen, niet nodig geacht. Dit betekent niet dat het pedagogische element in het jeugdstrafrecht is verdwenen. Het is juist dit element dat het zijn bijzondere rechtvaardiging, zo men wil de rechtsgrond, verleent. Hierbij speelt mee dat de jeugdige nog niet volledig verantwoordelijk kan worden geacht voor zijn handelen. Een jeugdige kan nog niet los worden gezien van het gezin waarvan hij deel of juist geen deel meer uitmaakt. Aan de omstandigheden daarvan heeft hij geen debet, doch deze liggen vaak mede ten grondslag aan eventueel delinquent gedrag. Dit gegeven rechtvaardigt dat in geval van strafbaar gedrag de overheid zich in vergelijking tot volwassenen een extra pedagogische taak aanmeet. De voorgestelde sancties strekken daartoe. Deze overwegingen gelden zowel voor het bestaande als voor het voorgestelde nieuwe jeugdstrafrecht.”19.
“Helaas komt het voor dat personen in deze leeftijdcategorie [van 16 tot 18-jarigen] feiten begaan van een zodanige ernst dat de straffen die in beginsel voor deze leeftijdcategorie dienen te worden gehanteerd, ontoereikend zijn. Het is dan in de regel wel mogelijk om op grond van de ernst van het feit te concluderen tot een zodanige persoonlijkheid dat de toepassing van het volwassenenstrafrecht is aangewezen. Het is dan echter zuiverder om het criterium van de ernst sec te hanteren, waarbij de rechter zich uitdrukkelijk moet afvragen of hij van deze bevoegdheid ook gebruik moet maken.
(…)
Gemeenschappelijk (…) is dat de overgang van het jeugdstrafrecht naar het volwassenenstrafrecht minder ingrijpend is en daardoor vloeiender kan verlopen.
De leden van de D66-fractie hebben gelijk dat het daardoor makkelijker wordt gemaakt het uitzonderingsregime te hanteren:
voor de 16- tot 18-jarigen is deze uitzondering het volwassenenstrafrecht, voor de 18- tot 21-jarigen is dit het strafrecht voor jeugdigen. Uit het bovenstaande moge ook het materiële verschil tussen de oude en de voorgestelde bepalingen blijken: wordt thans slechts aan één van de criteria voldaan dan kan de rechter niet naar de uitzondering grijpen, straks wel. Ik wijs er nog op dat nu en straks voor beide uitzonderingen het criterium «de persoonlijkheid van de dader» geldt, terwijl dit straks wordt aangevuld met het criterium «de omstandigheden waaronder het feit is begaan». Het criterium «de ernst van het begane feit» geldt nu en straks slechts voor 16- tot 18-jarigen. Het is logisch dat dit criterium niet kan leiden tot toepassing van het jeugdstrafrecht op 18- tot 21-jarigen.”20.
4.16
In 2014 werd ten slotte het toepassingsbereik van art. 77c Sr uitgebreid tot verdachten van 21 en 22 jaar.21.Ook hieraan lag ten grondslag dat de ontwikkelingsfase waarin iemand zich bevindt reden kan zijn de biologische leeftijd los te laten. Met het optrekken van de leeftijdsgrens werd (wederom) beoogd de flexibiliteit te vergroten en het mogelijk te maken “het dadergerichte pedagogische jeugdstrafrecht toe te passen”. “Een effectieve en dadergerichte sanctionering doet recht aan het gepleegde feit en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de dader, waaronder de ontwikkelingsfase waarin hij zich bevindt.”22.
4.17
Deze keuze werd toen nader onderbouwd met de resultaten van neurobiologisch onderzoek:
“Dat in de leeftijd tussen de 15 en 23 jaar specifiek risicogedrag voorkomt, kan mede worden toegeschreven aan een onvoltooide ontwikkeling van belangrijke hersenfuncties. De kern van wat de wetenschap hierover leert is dat de geestelijke ontwikkeling van jeugdigen niet stopt bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar en dat wezenlijke ontwikkelingen juist daarna plaatsvinden. De nog onvoltooide emotionele, sociale, morele en intellectuele ontwikkeling vormt mede oorzaak van de omstandigheid dat een groot deel van de (jeugd)criminaliteit optreedt tijdens de adolescentie, maar ook eindigt vóór het 23ste levensjaar (…) Er bestaat ook een verband tussen de onvoltooide ontwikkeling en de criminaliteit. Deze blijkt in deze leeftijdsgroep vooral leeftijdsgebonden te zijn. Het gaat om fasegebonden gedrag in de adolescentie («adolescence limited crime») dat in ernstige vorm kan leiden tot strafrechtelijke overtredingen.”23.
Daarom dient “de toepassing [te worden bevorderd] van het sanctiestelsel voor jeugdigen bij jongvolwassenen, wanneer dit gelet op de ontwikkelingsfase van de jongvolwassene, de meest effectieve manier vormt om het gedrag in gunstige zin te beïnvloeden.”
Persoonlijkheid van de dader
4.18
In de geschiedenis van art. 77b en 77c Sr worden dus binnen het criterium ‘de persoonlijkheid van de dader’ steeds de verminderde verantwoordelijkheid van de verdachte en de toepasselijkheid van een jeugdsanctie als elementen onderscheiden. Dat dit consequent het geval was, wil overigens niet zeggen dat de visie van de wetgever op jeugdigen en deze wetgeving steeds hetzelfde is gebleven. In de literatuur wordt beschreven hoe het in 1905 bestaande beeld van een kind dat bescherming en leiding verdiende veranderde naar het beeld in 2014 van een samenleving die bescherming verdient tegen het gevaarlijke kind.24.
4.19
Dat de genoemde twee elementen van elkaar kunnen worden onderscheiden, roept de vraag op in hoeverre zij ook los staan van elkaar. De oorspronkelijke gedachte is dat een jeugdige die zich nog in ontwikkeling bevindt met behulp van de inzet van een pedagogische jeugdsanctie kan worden geholpen die ontwikkeling door te maken, met als effect dat de kans op recidive daalt.25.Begripsmatig lijkt mij echter een verschil te bestaan tussen een ontwikkelingsachterstand en een ontwikkelingsmogelijkheid. Hoewel een terecht uitgangspunt is dat dat kinderen ontwikkelingsmogelijkheden hebben, zal die mogelijkheid in concrete omstandigheden (op bepaalde aspecten) beperkt kunnen zijn, bijvoorbeeld door de aard van de problematiek of de situatie waarin de verdachte zich bevindt. Van de ontwikkelingsmogelijkheid kan verder begripsmatig de responsiviteit worden onderscheiden, waarmee ik in dit geval doel op de mate waarin een verdachte in zijn ontwikkeling kan profiteren van de sancties die binnen het jeugdrecht kunnen worden opgelegd. Gedragskundig kan tussen ontwikkelingsachterstand, ontwikkelingsmogelijkheid en responsiviteit een correlatie of nauwer verband bestaan. Voor de vraag of de ‘persoonlijkheid van de dader’ aanleiding geeft voor toepassing van een bepaald sanctiestelsel, dienen zij echter van elkaar te worden onderscheiden.26.
4.20
Ik leid verder uit de wetsgeschiedenis af dat ‘de persoonlijkheid van de dader’ slechts aanleiding geeft voor toepassing van het jeugdstrafrecht als toetsing op alle drie punten in die richting wijst. Gelet op die geschiedenis is het niet voorstelbaar dat zonder een ontwikkelingsachterstand jeugdsancties worden toegepast, terwijl het opleggen van jeugdsancties niet voor de hand ligt als die niet effectief kunnen zijn. In dat verband moet niet uit het oog worden verloren dat ook het volwassenenstrafrecht de mogelijkheid geeft om bij de strafhoogte rekening te houden met jeugdige leeftijd van de verdachte voor zover die meebrengt dat de verdachte verminderd verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Terwijl ook binnen het volwassenenstrafrecht gedragskundige interventies kunnen worden ingezet.
4.21
Binnen dit schema moeilijk inpasbaar is de (wellicht theoretische) mogelijkheid dat een adolescent weliswaar niet kan profiteren van jeugdsancties, maar wel schade ondervindt van verblijf in een regime voor volwassenen. Een algemene oplossing lijkt mij daarvoor niet voorhanden, in ieder geval niet dat dan zonder meer het jeugdsanctierecht zou moeten worden toegepast.
4.22
Een onderzoek van de zaak aan de hand van de hier beschreven begrippen is verder in de praktijk niet zonder problemen. Een moeilijk punt is om te beginnen dat de neurobiologische grondslag voor de invoering (of eigenlijk uitbreiding) van het adolescentenstrafrecht in 2014 in beginsel geldt voor alle verdachten van 18 tot en met 22 jaar.27.Deze inzichten hebben, anders gezegd, geen betrekking op de uitzondering maar op de regel (het normale ontwikkelingsbeloop). Ondanks herhaalde adviezen en kritiek in de literatuur,28.heeft de wetgever er echter niet voor gekozen op al deze adolescenten (in beginsel) het jeugdstrafrecht toe te passen of een afzonderlijk adolescentenstrafrecht in te voeren. Wanneer wordt gesproken over een ontwikkelingsachterstand wordt dan ook niet zo zeer de achterstand van de jeugdige ten opzichte van een volwassene bedoeld, als wel een relevante achterstand ten opzichte van een gemiddelde andere jeugdige uit dezelfde leeftijdscategorie.29.Een en ander maakt de referenties aan de neurobiologische inzichten dogmatisch slecht te plaatsen.
4.23
Daarnaast bestaat het gevaar een volwassen persoonlijkheid en een onbereikbaarheid voor pedagogische maatregelen voor een te groot deel te baseren op de, bijvoorbeeld planmatige, wijze waarop het feit is gepleegd en de daaropvolgende proceshouding. Dergelijke omstandigheden sluiten immers niet uit dat de vatbaarheid van een jeugdige om zich te laten manipuleren een grote rol heeft gespeeld en sluit evenmin uit dat er andere redenen kunnen zijn, zoals angst of de opvattingen van het milieu, om te zwijgen en geen verantwoordelijkheid te nemen.30.
4.24
Een ander risico is ten slotte dat niet de behoefte aan een pedagogische aanpak, maar de kennis over en de feitelijke beschikbaarheid van passende pedagogische maatregelen bepalend wordt voor de keuze voor het jeugdstrafrecht. In onderzoeken en literatuur wordt gesignaleerd dat op beide vlakken lacunes bestaan.31.
4.25
Wat het toetsmoment betreft, brengt de aard van de te onderzoeken factoren mee dat voor de ontwikkelingsachterstand wordt gekeken naar zowel het moment dat het feit is gepleegd als het moment dat de daarvoor op te leggen sanctie wordt bepaald, terwijl voor de ontwikkelingsmogelijkheden en de responsiviteit alleen het laatste moment relevant is.
De omstandigheden waaronder het feit is begaan
4.26
Het hof heeft de omstandigheden waaronder het feit is begaan niet kenbaar als afzonderlijke factor aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. Ik zal daar dan ook verder niet op ingaan, maar volsta hier met de opmerking dat in de wetsgeschiedenis weinig invulling wordt gegeven aan dit begrip. Aangezien dit een zelfstandige grond kan zijn om te kiezen voor het jeugdstrafrecht, komt daaraan een eigen betekenis toe en gaat het dus niet (alleen) om omstandigheden die iets zeggen over de persoonlijkheid van de dader. In de wetsgeschiedenis wordt alleen als voorbeeld genoemd het geval dat een groep mededaders deels uit personen bestaat die jonger zijn dan achttien jaar en deels ouder zijn dan achttien jaar. In dat geval kan er reden zijn allen volgens hetzelfde regime te sanctioneren.32.
De ernst van het begane feit
4.27
4.28
Een andere opvatting zou een inconsistentie impliceren. Het zou immers betekenen dat een verschil bestaat of een moord wordt gepleegd door een zestienjarige of door een negentienjarige die een ontwikkelingsachterstand heeft waardoor bij functioneert op het niveau van een zestienjarige. In het eerste geval kan de rechter wel de ernst van het feit meewegen en in het laatste geval niet. Voor dit verschil in onderscheid, juist ten gunste van de oudere dader, bestaat geen rechtvaardiging.
4.29
Dit is dan ook niet wat de wetgever heeft bedoeld, getuige ook de hiervoor bij 4.15 aangehaalde wetsgeschiedenis. Volgens die passage is het “logisch dat dit criterium niet kan leiden tot toepassing van het jeugdstrafrecht op 18- tot 21-jarigen”. Daaruit leid ik af dat met de ‘ernst’ van het feit niet neutraal wordt gedoeld op het gewicht’ van het feit, maar op een ernstig oftewel zwaar feit. De algemene opvatting van de wetgever is dus dat naarmate een feit ernstiger is, er minder reden is om te kiezen voor het jeugdstrafrecht.
Afrondende opmerking over het wettelijke kader
4.30
De wetgever heeft met de cesuur van achttien jaar ten tijde van het plegen van het feit in art. 77a Sr een keuze gemaakt wanneer in beginsel wel en niet de verminderde verantwoordelijkheid van de dader en de mogelijkheden tot ontwikkeling van de dader aanleiding geven tot (fors) lagere straffen en de oplegging van sancties met een pedagogisch karakter. Met art. 77b en 77c Sr zijn de scherpe kanten van deze keuze afgeslepen, zodat zowel recht kan worden gedaan aan de persoonlijkheid van de dader als aan de andere mogelijke strafdoelen, waaronder vergelding van de inbreuk op de rechtsorde en het leed van slachtoffers.33.Dit maatwerk en de beperkte richting die de wetgever de praktijk heeft gegeven, heeft wel als keerzijde dat de uitkomsten van de weging van de rechter niet altijd voorspelbaar is. Volgens stemmen in de literatuur is de rechtszekerheid van de verdachte daarmee het geding.34.
4.31
Dit onderstreept naar mijn idee het belang van een goede motivering van de keuze van de rechter. Wat die motiveringsplicht betreft, kan nog worden gewezen op een drietal arresten van de Hoge Raad. Om te beginnen HR 12 juni 1990. NJ 1990/835. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat ter motivering van de afwijzing van toepassing van het jeugdstrafrecht volstond dat het hof had gelet op de indruk die de persoon van de verdachte op het hof had gemaakt en het beeld van de verdachte zoals dit naar voren kwam uit de over hem gemaakte rapporten.35.In HR 24 mei 2016 (ECLI:NL:HR:2016:949) en HR 6 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1565) werden de cassatieberoepen afgewezen met toepassing van art. 81 RO. In de eerstgenoemde zaak wees toenmalig AG Bleichrodt op de straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter. Die bracht zijns inziens mee dat het hof niet gehouden was het jeugdstrafrecht toe te passen door de enkele omstandigheid dat de persoonlijke ontwikkeling van de verdachte volgens de geraadpleegde deskundigen op verschillende terreinen is gestagneerd en dat de verdachte volgens deze deskundigen wordt gekenmerkt door zijn onrijpe karakter.36.In de tweede zaak stelde AG Paridaens dat de afwijzing van een verzoek om een jeugdsanctie op te leggen geen uitdrukkelijke beslissing behoeft, maar ook in de strafmotivering kan worden weergegeven. Als het verzoek is gedaan in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zal de rechter echter moeten uitleggen waarom dit standpunt niet wordt gevolgd.37.
Beoordeling van het middel
4.32
Uit het voorgaande volgt dat de derde deelklacht, inhoudende dat “de ernst van het feit geen reden kan zijn om van de toepassing van het jeugdstrafrecht af te zien” faalt.
4.33
Ook de tweede deelklacht dat enkel mag worden gekeken naar de leeftijd ten tijde van het feit en niet naar de “huidige leeftijd” faalt. Art. 77c Sr bepaalt met de leeftijdsgrens van 18 tot en met 22 jaar ten tijde van het feit, de categorie van personen waarbinnen de toepassing van het jeugdstrafrecht mogelijk is. De tekst van de wet staat er echter niet aan in de weg bij de persoonlijkheid van de dader verschillende momenten in het leven van de verdachte te betrekken. Uit het wettelijk kader vloeit zelfs voort dat dit voor de hand ligt.
4.34
De eerste deelklacht richt zich ten slotte tegen het oordeel van het hof dat de door de verdediging aangedragen argumenten voor de toepassing van het jeugdstrafrecht “niet nader [heeft] ingekleurd of nader onderbouwd met stukken”. Dit onderdeel van de motivering van het oordeel van het hof kan niet los worden gezien van de andere twee door het hof gegeven redenen om het jeugdstrafrecht niet toe te passen; ten eerste de ernst van het feit en ten tweede dat het doel van het jeugdstrafrecht niet kan worden bereikt, te weten de (her)opvoeding van de jeugdige en het aanvaarden door de jeugdige van een opbouwende rol in de maatschappij. Aan dat laatste legde het hof ten grondslag de huidige leeftijd van de verdachte (29 jaar) en diens huidige persoonlijke omstandigheden.
4.35
In deze overwegingen van het hof ligt besloten dat, gelet op de ontwikkelingsmogelijkheden en/of responsiviteit van de verdachte, een jeugdsanctie niet (meer) effectief kan zijn. Dit aspect van de persoonlijkheid van de dader en de ernst van het begane feit pleiten volgens het hof tegen de toepassing van het jeugdstrafrecht. Tegelijkertijd heeft het hof geoordeeld dat hetgeen bekend is over de ontwikkelingsachterstand van de verdachte ten tijde van het feit geen reden is om anders te oordelen. In het licht van het door mij uiteengezette wettelijke kader is dit oordeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daarbij wijs ik er nog op dat het hof wel degelijk rekening heeft gehouden met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. Weliswaar is een straf opgelegd die bij toepassing van het jeugdstrafrecht niet mogelijk zou zijn geweest, maar mede vanwege de leeftijd is die straf fors lager uitgevallen dan het feit op zichzelf rechtvaardigde.
4.36
Het middel faalt.
Het vierde middel
5.
5.1
Het middel bevat een klacht over de beslissing van het hof om de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten van in beslag genomen voorwerpen (kleding), in plaats van de door de verdediging verzochte teruggave aan de verdachte.
5.2
Door de beslissing de voorwerpen te bewaren ten behoeve van de rechthebbende, is het beslag niet geëindigd. Daardoor is niet uitgesloten dat een belanghebbende, waaronder ook de verdachte,38.binnen de in art. 552a, derde lid, Sv gestelde termijn van drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, zich op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv schriftelijk kan beklagen over het uitblijven van een last tot teruggave van de desbetreffende voorwerpen. Om die reden bestaat onvoldoende belang bij de behandeling van dit cassatieberoep.39.
5.3
De klacht faalt.
Het vijfde middel
6.
6.1
Het middel bevat een aantal klachten over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Ik kom hieronder (vanaf 6.6) op de verschillende deelklachten terug.
6.2
Het arrest bevat voor zover voor het middel relevant het volgende:
“De [benadeelde ] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.500,00, ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
(…)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat, terwijl sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, eerste lid onder b, BW. De bedreiging met een vuurwapen en het gericht op hem schieten, zijn gebeurtenissen die zeer beangstigend zijn geweest voor de benadeelde partij. Deze hebben, blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring van 5 december 2019, lange tijd gevoelens van angst bij de benadeelde partij teweeggebracht en een ernstige inbreuk gemaakt op de kwaliteit van zijn leven. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het hof zal de vordering tot schadevergoeding toewijzen tot het bedrag van € 6.500,00 ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2011 tot aan de dag der voldoening.”
6.3
De vordering van [benadeelde ] , die zich tussen de stukken van het geding bevindt, bevat als bijlage een schadeonderbouwingsformulier. Hierin staat onder meer:
“Psychische gevolgen
Benadeelde zat vol adrenaline en was gedreven om de overvallers te pakken. Hij liep een van de overvallers achterna en was hem aan het inhalen. Toen zag hij hem omdraaien en een vuurwapen op zich richten. Hij keek recht in de loop en dat beeld vergeet hij nooit meer. Toen verdachte het schot loste zakte benadeelde in elkaar. Benadeelde voelde vervolgens of hij niet geraakt was en besefte pas veel later wat voor geluk hij heeft gehad.
Toen benadeelde thuis was na het verhoor etc. speelde alles zich 100x af wat was gebeurd. Hij kon gewoon niet beseffen wat gebeurd was. Hij heeft ruim een jaar gedacht over hoe het anders af had kunnen lopen. Wat als hij wel geraakt was? Had hij verdachte niet achterna moeten gaan? Wat als dit? Benadeelde heeft ongeveer 3 a 4 jaar hevige schrikreacties gehad na het horen van knallen. Dit schrikreacties zijn nu minder, maar nog steeds aanwezig, zeker als hij de knallen niet verwacht. Wanneer iemand op een feestje bijvoorbeeld een ballon kapot maakt, dan schrikt benadeelde enorm.
Benadeelde heeft 3 a 4 jaar na het voorval last gehad van slaapproblemen. Hij kwam heel moeizaam in slaap doordat hij over het voorval lag te malen en/of herbelevingen had. Hij vroeg zich dan vaak af was hij anders had kunnen doen. Benadeelde heeft hier geen hulp voor gezocht omdat hij alles zelf (met zijn naasten) wou verwerken.
Benadeelde had vooral veel angst dat verdachten hem bij het werk zouden opwachten. Zijn grootste angst was dan ook om 's ochtends naar het werk te gaan. Hij woonde 200m van zijn werk af en verdachten hebben hem gezien, dus weten wie hij is. Verder lagen zij bij de overval ook 's ochtends in de bosjes om hen op te wachten. Verder dacht benadeelde tijdens het werk veel aan het voorval terug. Hierdoor was zijn werkplezier 80% minder. Hij ging met tegenzin naar het werk (vooral als het buiten donker was) en bij alles op het werk werd hij aan het voorval herinnert. Hier heeft hij 3-4 jaar last van gehad. Inmiddels heeft hij ander werk.
Benadeelde voelde zich de eerste 3-4 jaar na het voorval onveiliger en onprettig rondom zijn eigen woning. Dit omdat verdachte vlak bij de woning van benadeelde is opgepakt en het voorval dichtbij zijn woning heeft plaatsgevonden (hij woont nu elders). Benadeelde ging zo min mogelijk naar buiten en verzon smoesjes om niet weg te hoeven. Hij hing destijds graag met zijn vrienden rond op straat (om bijv. een sigaretje te roken), maar dit zat er ten gevolge van het voorval niet meer in. Zijn sociale leven heeft onder het voorval geleden.
(…)
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Benadeelde is door het handelen van verdachten op 'andere wijze in de persoon aangetast' ex artikel 6:106 sub b BW. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In de jurisprudentie is echter aanvaard dat van 'aantasting in de persoon op andere wijze' niet alleen sprake is indien geestelijk letsel in de zin van een psychiatrisch ziektebeeld kan worden vastgesteld, maar ook indien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvoor voor de benadeelde(n) die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen kunnen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken (zie r.o. 4.2.1 van Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).
Door de gewapende overval heeft benadeelde zich zeer angstig gevoeld. De gewapende overval vormt een ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht en de persoonlijke/ lichamelijk integriteit van de benadeelde partij. In een dergelijk geval is het niet vereist dat geestelijk letsel is aangetoond en dus ook niet vereist dat benadeelde professionele hulp heeft gezocht (zie onder meer ECLI:NL:RBGEL:2016:5915, ECLI:NL:RBROT:2018:681 en ECLI:NL:GHARL:2018:2764).
Hoogte immateriële schadevergoeding
De omvang van de immateriële schadevergoeding dient naar billijkheid te worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie zijn onder andere richtinggevend voor de vaststelling van de omvang van het smartengeld:
de aard van de normschending;
de aard en ernst van het letsel;
de aard, omvang en duur van de gevolgen.
Daarnaast dient er gekeken te worden naar toegewezen bedragen in vergelijkbare gevallen.
Voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt verwezen naar onderstaande uitspraak.
Rechtbank Gelderland, 20-01-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:302 (getuige 3), zie bijlage 2.
De smartengeldvergoeding in deze zaak bedraagt € 5.000,00, geïndexeerd naar (2011) komt dat neer op € 4.630,00.
Overval op winkel met op pistolen gelijkende wapens, bivakmutsen. Geen geweld tegen personen. Wel bedreiging met geweld: pistool van zeer korte afstand op benadeelde gericht. Grote impact. Het gaat in deze zaak om getuige 3 (waarbij geen PTSS is vastgesteld).
Aansluiting is gezocht in voornoemde uitspraak, aangezien beide benadeelden op hun werk zijn overvallen. In beide zaken heeft verdachte een pistool van zeer korte afstand op benadeelde gericht. Een laatste overeenkomst is dat het voorval op beide benadeelden een grote impact heeft gehad. Verschil is dat op benadeelde in deze casus daadwerkelijk van korte afstand met het pistool is geschoten en benadeelde ruim 3 jaar (en soms nu nog) psychische gevolgen van het voorval ondervind.
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in redelijkheid is te stellen op ten minste € 6.500,00 en thans opeisbaar is.”
6.4
De schriftelijke slachtofferverklaring waar het hof in zijn motivering naar verwijst, vermeldt dat het slachtoffer na het schietincident “iedere ochtend” als hij naar zijn werk moest “angsten uit[stond]”, dat hij lang “nachtmerries” heeft gehad, “prikkelbaarder” was en niet goed kon functioneren op zijn werkplek. Een en ander zou “lange tijd geduurd” hebben en pas minder zijn geworden nadat het slachtoffer ergens anders ging werken. De slachtofferverklaring besluit met de opmerking dat het slachtoffer geen professionele hulp heeft gezocht: (“[a]ls 22-jarige ga je niet naar een psycholoog, je lost dingen zelf wel op”). Namens de verdachte is daar - blijkens de pleitnota - tegenover gesteld dat geen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en ook overigens “nauwelijks concrete feiten en omstandigheden [worden] gesteld en bewezen waaruit blijkt van geestelijk letsel”.
6.5
In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 onder b BW, derde onderdeel. Over deze aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 het volgende overwogen:
“2.4.5. Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
6.6
In de schriftuur wordt een viertal klachten naar voren gebracht. Ik bespreek de eerste drie in omgekeerde volgorde en besluit met de vierde klacht. De derde deelklacht houdt in dat de schriftelijke slachtofferverklaring “een ander doel” dient dan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij en daarom - zo begrijp ik - niet voor dat doel gebruikt zou mogen worden. Die klacht vindt geen steun in het recht.40.
6.7
Bij wijze van tweede deelklacht merkt de steller van het middel op dat uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt “dat de benadeelde partij zich niet onder behandeling heeft laten stellen van een professionele hulpverlener”. De kennelijk aan deze klacht ten grondslag liggende opvatting dat een dergelijke behandeling een voorwaarde vormt voor toewijzing van een vordering van de benadeelde partij, is onjuist.41.
6.8
De eerste deelklacht houdt in dat in de schriftelijke slachtofferverklaring geen “concrete feiten en omstandigheden [staan] waaruit blijkt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze”. Hierover het volgende. Het uitgangspunt van het middel dat het hof zijn oordeel enkel heeft gebaseerd op de slachtofferverklaring is niet juist. Het hof verwijst in zijn overwegingen immers ook naar de ingediende vordering en naar het onderzoek ter terechtzitting. In het hiervoor onder 6.3 aangehaalde schadeonderbouwingsformulier is samen met de schriftelijke slachtofferverklaring, zoals hiervoor onder 6.4 samengevat, nadere invulling gegeven aan de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. Deze onderbouwing, afgezet tegen hetgeen bewezen is verklaard - het dreigen met een vuurwapen en het bericht op de benadeelde partij schieten - en tegen hetgeen daartegenin is gebracht - te weten dat geen sprake is van de schadegrondslag geestelijk letsel - kan naar het mij voorkomt de conclusie van het hof dragen dat sprake was van een rechtsgrond voor toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
6.9
De vierde deelklacht, ten slotte, staat enigszins los van de eerste drie omdat deze betrekking heeft op de wijze waarop het hof de schade heeft begroot. Schadebegroting geschiedt naar billijkheid en in cassatie kan dit slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. In de procedure voor het hof is tegenover de hiervoor onder 6.3 weergegeven onderbouwing van het schadebedrag, bestaande uit een beredeneerde vergelijking met het rechterlijk oordeel in een andere zaak, door de verdediging niet meer gesteld dan een verzoek om matiging onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2009 (waarin, zo begrijp ik na raadpleging van die uitspraak, conform de vordering, € 1000,- werd toegewezen aan benadeelde partijen waar de verdachte na een overval tijdens zijn vlucht op had geschoten). In de cassatieschriftuur wordt niet meer gedaan dan dit standpunt te herhalen. Een en ander brengt mij niet tot het oordeel dat het oordeel van het hof dat de immateriële schadevergoeding begroot kon worden op € 6.500,00, onbegrijpelijk zou zijn.
Het zesde middel
7.
7.1
Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de redelijke termijn is aangevangen op de dag van de dagvaarding op 20 april 2020, onbegrijpelijk zou zijn.
7.2
De voor het middel relevante overweging van het hof luidt als volgt:
“Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van een verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.
In de onderhavige zaak heeft de situatie zich voorgedaan dat de verdachte na een kennisgeving niet (verdere) vervolging in 2014 op grond van nieuwe bezwaren ex artikel 255 Sv in 2019 weer opnieuw in een strafrechtelijk onderzoek is betrokken. Op 20 april 2020 is aan de verdachte een dagvaarding uitgebracht. Naar het oordeel van het hof heeft dit moment dan ook te gelden als de aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft op 2 juni 2020 vonnis gewezen en van een overschrijding in eerste aanleg is derhalve geen sprake.
De verdachte heeft op 8 juni 2020 appel ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Het hof wijst thans, op 12 september 2022 vonnis, hetgeen betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep met drie maanden is overschreden. Gelet op deze schending van de redelijke termijn zal het hof de op te leggen straf verminderen met 2 maanden en een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 40 maanden.”
7.3
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat als aanvangsmoment van de redelijke termijn in elk geval de inverzekeringstelling heeft te gelden. Dat heeft het hof dan ook terecht tot uitgangspunt genomen. Het hof heeft vervolgens echter geoordeeld dat in dit geval de redelijke termijn toch later is gaan lopen dan de inverzekeringstelling van de verdachte (op 1 december 2011), vanwege het feit dat de vervolging van de verdachte na de kennisgeving van niet verdere vervolging in september 2014 ruim vijf en een half jaar van de baan is geweest.
7.4
Dit lijkt mij niet in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie laat naar het mij voorkomt immers geen ruimte om de inverzekeringstelling niet als startpunt van de redelijke termijn te nemen. Wel kunnen omstandigheden als de duur en het beloop van de vrijheidsbeneming van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of de duur van de procedure als redelijk kan worden aangemerkt.42.
7.5
Overigens zou ik menen dat de verdachte in de periode tussen de mededeling van niet verdere vervolging op 12 september 2014 en de latere dagvaarding op 20 april 2020 (voor de zitting op 19 mei 2020) in redelijkheid heeft kunnen verwachten dat het openbaar ministerie tegen hem geen verdere strafvervolging zou instellen. Dat zou tot het oordeel kunnen leiden dat de redelijke termijn in die periode niet is doorgelopen, of betrokken kunnen worden bij het bepalen welke termijn in dit geval als redelijk moet worden beschouwd. Nu in beide gevallen het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is geschonden niet begrijpelijk is, meen ik dat het middel terecht is voorgesteld.
Afronding
8.
8.1
De eerste vijf middelen falen. Het zesde middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de aan de verdachte opgelegde straf te verminderen.
8.2
Ambtshalve merk ik op dat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 22 september 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn ook in de cassatiefase is overschreden. Ook dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf.
8.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑04‑2025
Vgl. HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 307.
Zo wordt algemeen aanvaard dat het alsnog beschikbaar komen van een klacht ook kan gelden als “nieuw bezwaar” en daarmee de deur kan openen naar vervolging voor delicten die alleen op klacht vervolgbaar zijn.
Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4490.
Zie hierover B.F. Keulen, “Waarborgen rond de vervolging in de 21e eeuw”, in: M.S. Groenhuijsen, T. Kooijmans & J.W. Ouwerkerk, Roosachtig strafrecht. Liber amicorum Theo de Roos, Deventer: Kluwer 2013, p. 341-354, i.h.b. p. 350-352.
Vgl. G.J.M. Corstens, bew. door M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 230-231.
Voor weergave van deze geschiedenis vanuit verschillende perspectieven zie ook J. uit Beijerse en G.J. Koops-Geuze, “Lage gevangenisstraffen voor jongeren die zich laten inzetten bij liquidaties?”, NTS 2023/71, p. 259 en 260; J. van der Spek, “Hoe de liefde voor het delinquente kind verdween”, Proces 2025, nr.1, p. 37-49; Het jeugdstrafproces: toekomstbestendig”, advies Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming 14 maart 2011, p. 13 en 14.
Wet van 12 februari 1901 houdende wijziging in de bepalingen betreffende het straffen en de strafrechtspleging ten aanzien van jeugdige personen (Stb. 1901, 63).
H.J. Smidt en E.A. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1901 (tweede druk), p. 466.
Ibidem, p. 474.
Ibidem, p. 466.
Wet van 9 november 1961 tot herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht.(Stb. 1961, 402)
J. uit Beijerse en G.J. Koops-Geuze, “Lage gevangenisstraffen voor jongeren die zich laten inzetten bij liquidaties?”, NTS 2023/71, p. 260.
Kamerstukken II 1955/56, 4141, nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II 1961/62, 4141, nr. 5, p. 3.
Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 1994, 528).
Kamerstukken II 1989/90, 21 327, nr. 3, p. 32 en 33.
Kamerstukken II 1989/90, 21 327, nr. 3, p. 7 en 8
Kamerstukken II 1991/92, 21 327, nr. 6, p. 5 en 6.
Kamerstukken II 1991/92, 21 327, nr. 6, p. 9 en 10.
Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht (Stb. 2013, 485).
Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 12 en 13. Zie voor een beschrijving van de (neurobiologische) ontwikkeling van jeugdigen ook M. Kempes, Minderjarigen berechten volgens het volwassenenstrafrecht? Pedagogisch onverantwoord!’, leidenpedagogiekblog.nl, 5 februari 2024.
J. van der Spek, “Hoe de liefde voor het delinquente kind verdween”, Proces 2025, nr.1, p. 37-49;
Van der Spek beschrijft hoe minister Cort van der Linden in 1900 het kind voorstelt als een persoon die meer dan een volwassene vatbaar is voor zowel ontaarding als ontwikkeling en die op die tweesprong naar de goede richting kan worden geleid. J. van der Spek, “Hoe de liefde voor het delinquente kind verdween”, Proces 2025, nr.1, p. 39. Zie ook J. uit Beijerse en G.J. Koops-Geuze, “Lage gevangenisstraffen voor jongeren die zich laten inzetten bij liquidaties?”, NTS 2023/71, p. 260.
Ik merk daarbij nog op dat de verschillende elementen zich ook dogmatisch anders laten plaatsen. De ontwikkelingsachterstand is conceptueel verwant aan (verminderde) toerekenbaarheid en staat dus in direct verband met de persoon van de verdachte (al zal het afhankelijk zijn van de stand van de gedragskunde en eventueel de maatschappelijke normen omtrent een ‘normale’ ontwikkeling of zich een achterstand laat bepalen respectievelijk vanaf wanneer van een ‘achterstand’ gesproken kan worden). De elementen ‘ontwikkelingsmogelijkheid’ en ‘responsiviteit’, daarentegen, zijn verbonden met enerzijds de persoon van de verdachte en anderzijds het behandelaanbod, alsmede de wijze waarop die op elkaar aansluiten.
De hersenontwikkeling kan volgens onderzoek zelfs voortduren tot na het 25e levensjaar: M. Kempes, Jonge breinen in het strafrecht (oratie Leiden), Leiden: 2024, p. 7.
M. Kempes, Jonge breinen in het strafrecht (oratie Leiden), Leiden: 2024, p. 8; A.M. van der Laan e.a., Evaluatie van het adolescentenstrafrecht (WODC-cahier 2021-6), Den Haag: WODC, p. 14; H. Spanjaard e.a., Achterlopende ontwikkeling (WODC-rapport 3039), Amsterdam: Spanjaard Development & Training, DSP, Universiteit van Amsterdam, WODC 2020, p. 77.
H. Spanjaard e.a., Achterlopende ontwikkeling (WODC-rapport 3039), Amsterdam: Spanjaard Development & Training, DSP, Universiteit van Amsterdam, WODC 2020, p. 70-77.
J. uit Beijerse en G.J. Koops-Geuze, “Lage gevangenisstraffen voor jongeren die zich laten inzetten bij liquidaties?”, NTS 2023/71, p. 262-265; M. Kempes, Minderjarigen berechten volgens het volwassenenstrafrecht? Pedagogisch onverantwoord!’, leidenpedagogiekblog.nl, 5 februari 2024.
L.J.C. Prop, K. Zeijlmans en A.M. van der Laan, De toepassing van het adolescentenstrafrecht bij 16- tot 23-jarigen (WODC-cahier 2024-5), Den Haag: WODC 2024, p. 63 en 64; E. Rodermond, ‘Het adolescentenstrafrecht; wanneer is het station echt gepasseerd?’, Sancties, 2024/46,
Kamerstukken II 1989/90, 21 327, nr. 3, p. 32. In de motivering van de toepassing van het jeugdstrafrecht spelen de omstandigheden waaronder het feit is begaan nauwelijks een rol, aldus A.M. van der Laan e.a., Evaluatie van het adolescentenstrafrecht (WODC-cahier 2021-6), Den Haag: WODC, p. 12.
Zie over de spanning die tussen de verschillende doelen kan bestaan I. Weijers, ‘Jeugdsancties voor jongvolwassen veelpleger?’, NJB 2018/545. De worsteling van de praktijk met deze problematiek is beschreven in E. Huls e.a., Strafmaat en strafdoelen in ernstige jeugd- en adolescentenstrafzaken (WODC-rapport 3295), Amsterdam: Vrije Universiteit, Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam, Universiteit Leiden 2022, p. 7987.
A.M. van der Laan e.a., Evaluatie van het adolescentenstrafrecht (WODC-cahier 2021-6), Den Haag: WODC, p. 16 In die kritiek wordt verder met name art. 77b Sr betrokken (waarover ook de conclusie van AG Lückers ECLI:NL:PHR:2024:64). Zie J. uit Beijerse en G.J. Koops-Geuze, “Lage gevangenisstraffen voor jongeren die zich laten inzetten bij liquidaties?”, NTS 2023/71, p. 258; E. Huls en K. Hepping, ‘Berechting van 16- en 17-jarigen volgens het volwassenenstrafrecht op grond van de ernst van het feit: gebrek aan een duidelijke visie’, AA 2023/0448, p. 453.
Het middel faalde “reeds hierom” zodat het arrest geen duidelijke conclusies toelaat over de motiveringsplicht.
ECLI:NL:PHR:2016:382, randnr. 11.
ECLI:NL:PHR:2020:906, randnr. 10.
Zie bijvoorbeeld HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2333.
HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2814 (toepassing 80a RO, conclusie van AG Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2017:1212, randnr. 12 en 13).
Vgl. HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956 en HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1002.
HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024, rov. 2.6.1.
Vgl. HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1013.
Beroepschrift 15‑03‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
Strafgriffie
Korte Voorhout 8
2511 EK DEN HAAG
Cassatieschriftuur
Kenmerk | S 22/03507 |
Verzoeker | De heer [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1993, verder te noemen: ‘de verdachte’. |
Advocaat | De heer W. Römelingh kantoorhoudende bij Haagrecht Advocaten aan de Jan van Nassaustraat 55 te 2596 BP Den Haag. |
Volmacht | De advocaat is bepaaldelijk gevolmachtigd. |
Gebeurtenis en procesverloop
Op 1 december 2011 omstreeks 07.30 uur pogen twee mannen de heer [aangever] te overvallen. De overval mislukt en de twee overvallers slaan op de vlucht.
De overvallers worden achtervolgd door de heer [benadeelde] en de heer [getuige]. Tijdens de achtervolging draait een van de overvallers zich om en lost een schot in de richting van de heer [benadeelde]. De achtervolging wordt daarop gestaakt.
Omstreeks 08.40 uur wordt hemelsbreed op zeshonderd meter van de plaats van de overval de verdachte [verdachte] aangehouden, omdat de verdachte [verdachte] zou voldoen aan het signalement van een van de overvallers.
Omstreeks 09.30 uur worden in een brandgang een oranje jas en zwarte handschoenen aangetroffen. De kleur van de jas komt overeen met de jas van de overvaller die in de richting van de heer [benadeelde] had geschoten.
Op 31 januari 2012 komt een rapport uit over het DNA dat is aangetroffen op de oranje jas en de zwarte handschoenen die in de brandgang waren gevonden.
Voor het DNA op de oranje jas geldt dat dit niet matcht met het DNA van de verdachte [verdachte]. Het DNA matcht evenmin met het DNA van andere personen die toen ter tijd in de DNA-databank waren opgenomen.
Voor het DNA op de zwarte handschoenen geldt dat aan de binnenzijde van de rechterhandschoen een mengprofiel is gevonden dat matcht met het DNA van de verdachte [verdachte] en een derde genaamd [medeverdachte 1].
Op 9 juli 2018 (dus zes jaar later) wordt het DNA van de medeverdachte [medeverdachte] in de DNA-databank opgenomen. Het komt prompt tot een match met het DNA dat op de oranje jas is aangetroffen.
De match is reden om een strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] te starten. De verdediging kan dat besluit begrijpen.
De match is ook aanleiding om terug te komen op het besluit van 12 september 2014 om de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] te seponeren (bijlage 1 pagina 11).
In de sepotbrief staat dat er onvoldoende wettig bewijs tegen de verdachte [verdachte] zou bestaan. In de sepotbrief staat ook dat de strafzaak daarmee is afgedaan, tenzij blijkt van nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat het sepot moet worden herzien.
De vraag dringt zich op of enkel het achterhalen van de identiteit van de medeverdachte [medeverdachte] een nieuw feit of omstandigheid is, die rechtvaardigt om terug te komen op het besluit om de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] te seponeren.
Er wordt gesproken over ‘enkel’, omdat denkbaar is dat door het achterhalen van de identiteit van de medeverdachte, de medeverdachte wordt gevonden, wordt gehoord en belastend over de verdachte [verdachte] is gaan verklaren. Echter, dit is niet het geval.
Eigenlijk is het enige nieuwe dat de medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] elkaar mogelijk kennen, omdat een bevraging van de politiesystemen chronologisch de onderstaande treffers heeft opgeleverd, waarbij zowel de medeverdachte [medeverdachte] als de verdachte [verdachte] betrokken waren. Vergelijk: PV172.
17/02/2014 melding geluidsoverlast te Rotterdam
23/02/2014 controle voertuig in de gemeente Griessenlanden
18/05/2018 melding mogelijk dealen te Rotterdam
14/11/2018 melding overlast jeugd te Capelle aan den IJssel
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. De verdediging heeft de overtuiging dat bij het starten van de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] iemand zich heeft afgevraagd waarom de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] is geseponeerd (en die iemand tot een andere afweging is gekomen).
Wat lange tijd niet in het dossier te vinden was, is het procesverbaal van een spiegelconfrontatie die op 3 december 2011 (dus twee dagen na de poging overval) heeft plaatsgevonden tussen de heer [benadeelde] en de verdachte [verdachte] (bijlage 2 pagina 12).
De heer [benadeelde] verklaart dan de verdachte [verdachte] niet te herkennen als de overvaller/schutter, omdat de schutter korter haar zou hebben. De verdediging merkt dit als zeer ontlastend aan. De verdachte [verdachte] wordt vervolgens ook heengezonden.
De strafzaak tegen de verdachte [verdachte] heeft daarmee het onderstaande verloop.
01/12/2011 | 08.40 uur | aanhouding verdachte |
01/12/2011 | 14.30 uur | inverzekeringstelling verdachte |
01/12/2011 | 15.30 uur | verhoor verdachte |
02/12/2011 | afwijzing vordering bewaring | |
03/12/2011 | 13.00 uur | spiegelconfrontatie |
03/12/2011 | 14.00 uur | heenzending verdachte |
13/12/2011 | aanvraag DNA-onderzoek | |
31/01/2012 | uitslag DNA-onderzoek | |
12/09/2014 | kennisgeving sepot | |
27/03/2015 | toekenning schadevergoeding ex artikel 89 Sv | |
28/03/2019 | heropening strafzaak ex artikel 255 Sv | |
20/04/2020 | dagvaarding | |
19/05/2020 | zitting rechtbank | |
11/07/2022 | eerste zitting gerechtshof | |
13/07/2022 | vondst procesverbaal spiegelconfrontatie | |
24/08/2022 | tweede zitting gerechtshof |
Uit het verloop blijkt dat aan de verdachte [verdachte] voor twee dagen voorarrest een schadevergoeding is toegekend ex artikel 89 Sv (bijlage 3 pagina 13).
Uit het verloop blijkt voorts dat het procesverbaal van de spiegelconfrontatie pas op 13 juli 2022 (na de eerste zitting van het gerechtshof) gevonden wordt.
De verdediging vindt de (nieuwe) vervolging van de verdachte [verdachte] in strijd met het ne bis in idem beginsel als beginsel van behoorlijk strafprocesrecht. De verdediging heeft daarop diverse standpunten ingenomen die ieder voor zich zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in die (nieuwe) vervolging.
Globaal gesproken luiden die standpunten:
- —
artikel 68 Sr staat aan (nieuwe) vervolging in de weg
- —
ne bis in idem beginsel staat aan (nieuwe) vervolging in de weg
- —
aan de processuele voorwaarden van artikel 255 Sv is niet voldaan
- —
aan de materiële voorwaarden van artikel 255 Sv is evenmin voldaan
In de cassatieschriftuur komen voorts aan de orde:
- —
toepassing jeugdstrafrecht
- —
beslissing over beslag
- —
vordering benadeelde partij
- —
schending redelijke termijn
Middelen
Middel 1 — Schending artikel 68 Sr dan wel ne bis in idem beginsel
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm met name artikel 68 Sr dan wel het ne bis in idem beginsel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, daar artikel 68 lid 1 Sr aan een (nieuwe) vervolging in de weg staat. De verdediging heeft daartoe het onderstaande aangevoerd.
De uitspraak waarbij aan de verdachte een schadevergoeding wordt toegekend, moet worden aangemerkt als een uitspraak in de zin van artikel 68 lid 1 Sr.
Ten eerste betreft het een uitspraak van een (straf)rechter in Nederland, welke uitspraak onherroepelijk is en welke uitspraak niet voor herziening in aanmerking komt.
Ten tweede kan het betreffende verzoek tot schadevergoeding alleen worden toegekend ingeval de zaak tot een einde is gekomen en voor zover het verzoek billijk voorkomt.
Ten derde heeft de schadevergoeding betrekking op de huidige beschuldiging, gezien de verdenking bij de aanhouding dan wel inverzekeringstelling van de verdachte.
Met de uitspraak waarbij aan de verdachte een schadevergoeding wordt toegekend, doelt de verdediging op de beslissing op het verzoek ex artikel 89 Sv.
Het gerechtshof heeft het standpunt van de verdediging verworpen met het oordeel dat artikel 68 lid 1 Sr alleen ziet op onherroepelijke rechterlijke uitspraken waarbij een verdachte is veroordeeld al dan niet met oplegging van een straf of maatregel, ontslagen van rechtsvervolging dan wel is vrijgesproken.
De verdediging meent dat het oordeel van het gerechtshof te kort schiet, doordat het gerechtshof andere eisen stelt dan artikel 68 lid 1 Sr.
De verdediging heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, daar het ne bis in idem beginsel aan een (nieuwe) vervolging in de weg staat. De verdediging heeft daartoe het onderstaande aangevoerd.
Het ne bis in idem beginsel is ruimer dan artikel 68 Sr en kan als beginsel van behoorlijk strafprocesrecht worden toe gepast ingeval artikel 68 Sr toepassing zou missen.
Het gerechtshof heeft het standpunt van de verdediging verworpen met het oordeel dat er evenmin sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel.
De verdediging meent dat het oordeel van het gerechtshof te kort schiet, doordat het gerechtshof heeft miskend dat een verzoek tot schadevergoeding ex artikel 89 Sv alleen door een (straf)rechter kan worden toegekend als een strafzaak onherroepelijk is geëindigd.
Nu een (straf)rechter heeft vastgesteld dat de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] onherroepelijk is geëindigd, is een (nieuwe) vervolging van de verdachte [verdachte] in strijd met het ne bis in idem beginsel als beginsel van behoorlijk strafprocesrecht.
Middel 2 — Schending artikel 255 Sv zowel processueel als materieel
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm met name artikel 255 Sv.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, daar aan de processuele voorwaarden voor toepassing van artikel 255 Sv niet is voldaan. De verdediging heeft daartoe het onderstaande aangevoerd.
De machtiging van de rechter-commissaris is van 28 maart 2019, terwijl het opsporingsonderzoek waartoe de machtiging strekt, volledig dan wel nagenoeg volledig van voor 28 maart 2019 is.
Er wordt dus een machtiging verleend voor het verrichten van een opsporingsonderzoek dat reeds verricht is. Dit blijkt nota bene uit de machtiging zelf, waar het reeds verrichte opsporingsonderzoek in wordt opgesomd. Vergelijk: PV016.
Op het standpunt heeft het gerechtshof gereageerd met het oordeel dat het openbaar ministerie, gelet op het voorhanden zijde onderzoeksmateriaal, het kennelijk niet nodig vond om een nader onderzoek te verrichten om tot een succesvolle vervolging te kunnen komen.
De verdediging meent dat dit oordeel van het gerechtshof tekortschiet, daar uit dit oordeel spreekt dat er geen sprake is van een nieuw bezwaar, maar dat het voorhanden zijde onderzoeksmateriaal kennelijk opnieuw is beoordeeld en alsnog als toereikend werd aangemerkt om tot een succesvolle vervolging te kunnen komen.
De verdediging heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, daar aan de materiële voorwaarden voor toepassing van artikel 255 Sv niet is voldaan. De verdediging heeft daartoe het onderstaande aangevoerd.
Ten eerste merkt artikel 255 lid 2 Sv het deskundigenbericht over de DNA-match in de DNA-databank niet aan als een nieuw bezwaar. Deskundigenberichten zijn namelijk uitgesloten.
Ten tweede rijst de vraag of sprake is van een nieuw bezwaar als bedoeld in artikel 255 lid 1 Sv. Er lijkt veeleer sprake te zijn van een nieuwe afweging door het openbaar ministerie.
Over het feit was veel bekend. Zo was er reeds op 18 januari 2012 dan wel 31 januari 2012 gerapporteerd over een DNA-match tussen een handschoen AADJ 4078NL#03 en de verdachte. Vergelijk: PV107. Eigenlijk was alles bekend, behalve de identiteit van de medeverdachte. Het is het deskundigenbericht van 9 juli 2018 over een DNA-match tussen een jas AADJ 4079NL met daarin een paar handschoenen AACN 0051NL en de medeverdachte die de mogelijke identiteit van de medeverdachte aan het licht brengt.
Dit had een nieuw bezwaar kunnen opleveren, maar de identiteit van de medeverdachte is eigenlijk niet relevant. De identiteit van de medeverdachte is geen ontbrekende schakel die het verschil maakt tussen onvoldoende of voldoende bewijs.
De mogelijke identiteit van de medeverdachte heeft geen verklaring van een getuige, de mogelijke medeverdachte of de verdachte opgeleverd die als een nieuw bezwaar kan worden aangemerkt. Het is niet zo dat de mogelijke medeverdachte een voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd.
Dat er geen sprake is van een nieuw bezwaar blijkt ook uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, want die bestaan nagenoeg volledig uit bewijsmiddelen verkregen in de periode van eind (december) 2011 tot begin (januari) 2012.
Zonder bekendheid met de identiteit van de mogelijke medeverdachte (het zogenaamde nieuwe bezwaar) had de rechtbank ook tot een veroordeling van de verdachte kunnen komen. De verdachte had dan met een onbekend gebleven medeverdachte het feit gepleegd.
Het gerechtshof heeft het standpunt van de verdediging verworpen met het oordeel dat deskundigenberichten zouden vallen onder artikel 255 lid 2 Sv.
De verdediging meent dat het oordeel van het gerechtshof te kort schiet, want hoe dan ook, het deskundigenbericht levert slechts een nieuw bezwaar tegen de medeverdachte [medeverdachte] op, maar niet tegen de verdachte [verdachte].
Eigenlijk is het enige nieuwe dat de medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] elkaar mogelijk kennen, omdat een bevraging van de politiesystemen chronologisch de onderstaande treffers heeft opgeleverd, waarbij zowel de medeverdachte [medeverdachte] als de verdachte [verdachte] betrokken waren. Vergelijk: PV172.
17/02/2014 melding geluidsoverlast te Rotterdam
23/02/2014 controle voertuig in de gemeente Griessenlanden
18/05/2018 melding mogelijk dealen te Rotterdam
14/11/2018 melding overlast jeugd te Capelle aan den IJssel
Echter, geen van de treffers heeft iets te maken met de poging overval op 1 december 2011. Het gerechtshof heeft dat miskend.
Middel 3 — Toepassing jeugdstrafrecht
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm met name artikel 77c Sr.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, ingeval het openbaar ministerie wel ontvankelijk zou worden verklaard, de verdachte [verdachte] behoort te worden berecht volgens het jeugdstrafrecht. De verdediging heeft daartoe het onderstaande aangevoerd.
Ten eerste was de verdachte jong meerderjarig.
Ten tweede woonde de verdachte bij zijn moeder.
Ten derde ging de verdachte naar school ([A] aan toen ter tijd de [a-straat] te [a-plaats], wat een school is van [B] die zich richt op moeilijk lerende kinderen).
Ten vierde stond de verdachte onder begeleiding van de [C], wat een instelling is die zich richt op kinderen met een beperking en kinderen van ouders met een beperking.
Ten vijfde blijkt dat de verdachte een Wajong-uitkering krijgt en een Wajong-uitkering bestemd is voor een persoon die voor zijn 17de door een beperking arbeidsongeschikt is en dat op zijn 18de nog steeds is.
Het standpunt heeft het gerechtshof verworpen met drie oordelen.
Ten eerste vindt het gerechtshof dat de verdediging heeft nagelaten om de argumenten nader in te kleuren dan wel nader te onderbouwen met stukken.
Ten tweede meent het gerechtshof dat gezien de huidige leeftijd en huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte [verdachte], het doel dat met het jeugdstrafrecht wordt beoogd niet gehaald kan worden.
Ten derde vindt het gerechtshof dat er geen grond is om het jeugdstrafrecht toe te passen gezien de ernst van het feit.
De drie oordelen van het gerechtshof schieten alle drie te kort.
Het gerechtshof heeft miskend dat wonen bij ouders, het gaan naar school en een (licht) verstandelijke beperking, de eerste drie criteria zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen. Vergelijk: Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten onder 1.d. Ingeval het gerechtshof twijfelde of aan de eerste drie criteria werd voldaan, dan had het gerechtshof daar onderzoek naar moeten laten doen.
Het gerechtshof heeft ook miskend dat het niet gaat om de huidige leeftijd en huidige persoonlijke omstandigheden, maar de leeftijd en persoonlijke omstandigheden ten tijde van het plegen van het feit. Vergelijk: artikel 77c Sr. Ingeval het gerechtshof tot uitdrukking heeft willen brengen dat thans niet goed meer is vast te stellen wat toen ter tijd de situatie was, dan had het gerechtshof het openbaar ministerie niet ontvankelijk behoren te verklaren daar geen eerlijk proces meer mogelijk is. Vergelijk: ECLI:NL:RBNNE:2023:4341.
Het gerechtshof heeft voorts miskend dat als de persoonlijke omstandigheden aanleiding geven voor toepassing van het jeugdstrafrecht, de ernst van het feit geen reden kan zijn om van de toepassing van het jeugdstrafrecht af te zien. Vergelijk: artikel 77c Sr en ECLI:NL: RBLIM:2022:8267 onder 6.3.3.
In tegenstelling tot artikel 77b Sr, waar de wetgever de ernst van het feit expliciet heeft gekoppeld aan het kunnen toepassen van het volwassenenstrafrecht, heeft de wetgever er bij artikel 77c Sr uitdrukkelijk voor gekozen om de ernst van het feit niet te laten meewegen bij het antwoord op de vraag of het jeugdstrafrecht van toepassing is.
Middel 4 — Beslissing over beslag
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm met name artikel 353 Sv.
Onder de verdachte [verdachte] zijn voorwerpen (kleding en schoeisel) in beslag genomen. Van de inbeslagname blijkt uit PV180 en volgende.
De verdediging heeft het gerechtshof verzocht om de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan de verdachte. Op dit verzoek heeft het gerechtshof gereageerd met de beslissing dat de in beslag genomen voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De verdediging meent dat de beslissing van het gerechtshof te kortschiet, omdat het in strijd is met artikel 353 Sv, althans niet rationeel is.
Ingeval het gerechtshof tot uitdrukking had willen brengen dat de voorwerpen niet aan de verdachte zouden toebehoren, dan had het gerechtshof dat moeten verwoorden. Ingeval het gerechtshof tot uitdrukking had willen brengen dat er een ander beletsel zou zijn (bijvoorbeeld dat de voorwerpen in aanmerking komen voor verbeurdverklaring), dan had het gerechtshof dienovereenkomstig moeten beslissen.
Middel 5 — Vordering benadeelde partij
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm met name artikel 51f Sv en artikel 6:97 BW.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij moet worden afgewezen, daar de benadeelde partij nauwelijks concrete feiten en omstandigheden stelt en bewijst waaruit blijkt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze.
In de vordering wordt gesteld dat de benadeelde partij zich door de gewapende overval zeer angstig heeft gevoeld. Vervolgens wordt gesteld dat een gewapende overval een ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht en de persoonlijke/lichamelijke integriteit van de benadeelde partij vormt, dat niet vereist is dat geestelijk letsel is aangetoond en niet vereist is dat de benadeelde partij professionele hulp heeft gezocht.
In het arrest knoopt het gerechtshof aan bij de schriftelijke slachtofferverklaring waaruit zou blijken dat de overval voor de benadeelde partij zeer beangstigend moet zijn geweest, waardoor bij de benadeelde partij lange tijd gevoelens van angst teweeg zijn gebracht, die weer inbreuk op de kwaliteit van het leven van de benadeelde partij hebben gemaakt.
De verdediging meent dat het oordeel van het gerechtshof te kort schiet.
Ten eerste staan in de schriftelijke slachtofferverklaring evenmin concrete feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze.
Ten tweede blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring dat de benadeelde partij zich niet onder behandeling heeft laten stellen van een professionele hulpverlener.
Ten derde heeft de slachtofferverklaring in artikel 51e Sv een ander doel dan de voeging in artikel 51f Sv en de wijze waarop die voeging dient te geschieden volgens artikel 51g Sv.
Het gerechtshof geeft geen onderbouwing waarom de schade op EUR 6.500 moet worden begroot. Het gerechtshof neemt dit bedrag louter over uit de vordering van de benadeelde partij en de vordering van de benadeelde partij verwijst naar een andere zaak die volgens de benadeelde partij vergelijkbaar zou zijn. Dit terwijl de verdediging de hoogte van de schade heeft betwist. De verdediging heeft daartoe het onderstaande aangevoerd.
De verdediging vindt de uitspraak waarnaar wordt verwezen niet representatief. Zo werd bijvoorbeeld in ECLI:NL:RBAMS:2009:BK7697 onder feit 10 een schadevergoeding van EUR 1.000 toegekend aan een agent die samen met een collega een overvaller te voet achtervolgt, waarbij de overvaller zijn pistool op de agent en de collega richt en vervolgens een schot lost.
Het gerechtshof heeft miskend dat het gehouden was om de hoogte van de schade te begroten ex artikel 6:97 BW.
Middel 6 — Schending redelijke termijn
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm met name artikel 6 EVRM en 14 IVBPR.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze zaak niet binnen een redelijke termijn is behandeld (en er daarmee sprake is van een schending van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR). De verdediging heeft daartoe het onderstaande aangevoerd.
De redelijke termijn begint te lopen op het moment dat de verdachte weet dat tegen hem een criminal charge is dan wel was ingesteld en dit was op 1 december 2011.
De omstandigheid dat het openbaar ministerie in 2014 heeft besloten om geen verdere vervolging in te stellen en hetzelfde openbaar ministerie in 2020 heeft besloten om alsnog tot vervolging over te gaan, doet daar niet aan af.
De verdediging ondervindt ook nadeel van dit tijdsverloop welke onder andere de eerlijkheid van het proces aantast.
Het gerechtshof heeft het standpunt van de verdediging feitelijk verworpen door te oordelen dat in deze zaak niet de dag van inverzekeringstelling (1 december 2011), maar de dag van dagvaarding (20 april 2020) als startpunt van de redelijke termijn heeft te gelden.
De verdediging meent dat het oordeel van het gerechtshof te kort schiet, want waarom zou de criminal charge ergens voor 20 april 2020 tot een einde zijn gekomen, als de mogelijkheid om de verdachte [verdachte] te vervolgen (voor een gebeurtenis waarvoor de verdachte [verdachte] op 1 december 2011 in verzekering is gesteld), is blijven bestaan?
Aan de hoge raad wordt verzocht
Primair
Het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de (nieuwe) vervolging.
Subsidiair
Het arrest van het gerechtshof te vernietigen en de zaak te verwijzen naar het Gerechtshof Den Haag.
Meer subsidiair
Het arrest van het gerechtshof te vernietigen met een zodanige uitspraak als de Hoge Raad juist acht.
Den Haag, 15 maart 2024
W. Römelingh (advocaat)
Bijlage 1 — Sepotbrief van 12 september 2014
Bijlage 2 — Spiegelconfrontatie van 3 december 2011
Bijlage 3 — Schadevergoeding ex artikel 89 Sv van 27 maart 2015