Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.8
8. Bijzondere bedingen/RILG
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474944:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Bedoeld is de minister van EZ, aldus art. 1 lid 1 WILG.
Art. 21.
Zie in voor een uitgebreide beschrijving en bespreking van deze artikelen onderdeel D van dit hoofdstuk.
Aldus B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 505.
Toelichting bij de regeling van 14 december 2006, Stct. 21 december 2006, nr. 249, p. 27.
D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 634.
Zie tevens onderdeel D van dit hoofdstuk, waar blijkt dat de Commissie Wilg (waar Bruil deel van uitmaakte) tot dezelfde conclusie kwam bij haar commentaar op het wetsvoorstel WILG.
Artikel 87 WILG bepaalt dat de minister1 bij regeling kan bepalen welke artikelen van de WILG, die in beginsel enkel geschreven zijn voor de herverkaveling, van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard op de kavelruilovereenkomst. Onder de Landinrichtingswet was dit geregeld in artikel 122. In de Regeling Kavelruil werden de van overeenkomstige toepassing te verklaren wetsartikelen vermeld. Thans staan deze artikelen opgesomd in paragraaf 3.32 van de Regeling inrichting landelijk gebied (R1LG).3
Er is hier sprake van een wijziging van systematiek.4 De wetgever verwoordt het aldus:
“Op grond van artikel 87 van de wet kan voortaan bij ministeriële regeling generiek worden bepaald welke artikelen of onderdelen daarvan van deze wet in een beding in een kavelruilovereenkomst van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard. Tevens kunnen daarbij nadere voorwaarden worden gesteld waaraan moet worden voldaan alvorens een zodanig beding overeenkomstige rechtsgevolgen heeft als de daarin van toepassing verklaarde bepalingen van deze wet. Deze generieke regeling treedt in de plaats van het verlenen van instemming voor afzonderlijke kavelruilovereenkomsten door de Directeur van DLG."5
Onder vigeur van de WILG is er dus niet langer sprake van goedkeuring door de DLG van elke afzonderlijke overeenkomst van kavelruil, maar is artikel 21 RILG de toetssteen.
Bruil6 stelt in dit kader de vraag wat de zin is van de generieke regeling in artikel 21 RILG: de goedkeuring ex artikel 122 Liw en de Regeling Kavelruil waren vooral van belang voor de subsidie (en de vrijstelling van overdrachtsbelasting). Deze faciliteiten zijn onder het WILG-regime nu juist niet meer afhankelijk van wat de minister ervan vindt. Ik ben het met Bruil eens dat vermelding van de van toepassing te verklaren artikelen en nadere eisen in de tekst van artikel 87 WILG7 meer voor de hand ligt dan opname in een ministeriële regeling: de wetgever lijkt puur op historische gronden (de herinnering aan de ‘oude’ Regeling Kavelruil) te kiezen voor opname in de RILG.