Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.4.1
2.4.1 Het modelleren van het proces van informatiegaring
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS382508:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 2016/17, 31 066 nr. 319: Belastingdienst; Brief Algemene Rekenkamer; Handhavingsbeleid Belastingdienst, p. 23. Als informatiebronnen worden genoemd (1) Burgers en bedrijven: zij geven de Belastingdienst informatie door het invullen van de aangifte of door het doen van een betaling; (2) Derde partijen zoals banken, werkgevers, verzekeraars, het UWV, DUO, het Kadaster en de Kamer van Koophandel; (3) Andere handhavers en toezichthouders in Nederland, zoals gemeenten, politie, justitie, douane, rijksinspecties, De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten; (4) Belastingdiensten in andere landen: zij geven bijvoorbeeld informatie over vermogen in het buitenland; (5) Openbare bronnen zoals het internet, branche-informatie en resultaten van benchmarks. De Algemene Rekenkamer doet daarbij aanbevelingen voor andere bronnen waaronder Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) met het oog op de controle van de giftenaftrek. In de bestuurlijke reactie op het (concept) rapport geeft de staatssecretaris van Financiën aan dat de Belastingdienst blijft werken aan een betere informatiepositie (Ministerie van Financiën, 10 november 2016, kenmerk 2016-0000199533).
B. Bozeman, Public values and public interest: Counterbalancing economic individualism, 2007, p. 13. omschrijft ‘publieke waarden’ als volgt: ‘de waarden van een samenleving die een normatieve consensus genereren wat betreft (a) de rechten, voordelen en voorrechten die een burger (al dan niet) toekomen; (b) de verplichtingen van burgers aan de samenleving, de staat en aan elkaar, en; (c) de principes waarop bestuur en beleid gebaseerd dienen te zijn.’
B. Bozeman, Public values and public interest: Counterbalancing economic individualism, 2007, p. 13.
Algemene wet inzake rijksbelastingen, wet van 2 juli 1959 (AWR).
M. Willaschek, Right and Coercion: Can Kant’s Conception of Right be Derived from his Moral Theory?, International Journal of Philosophical Studies 2009-17.1, p. 49-70, p. 58.
M.R. Rutgers, Het Pantheon van de Publieke Waarden, 2011, p. 2.
A.J.M. Denkers, M.P. Peeters en W. Huisman, Waarom bedrijven de regels naleven, Inzicht in motieven achter naleving, 2014, p. 15.
G.S. Becker, Crime and punishment: an economic approach, Journal of Political Economy 76(2), 1968, p. 169-217.
Voor uitgebreide beschouwingen wil ik verwijzen naar het wetenschappelijk onderzoek vanA.J.M. Denkers, M.P. Peters en W. Huisman, Waarom organisaties de regels naleven, Over individuele motieven, de ethische bedrijfscultuur en de mores in de branche, 2013.
Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd: 10 februari 2017.
S.D. Warren en L. Brandeis, The Right to Privacy, Harvard Law Review 1890, p. 193-220.
De definitie van privacy uit 1890 was eenvoudig geformuleerd in ‘the right to be let alone’, S. Warren & L. Bandeis, The right to privacy, Harvard Law Review, IV, 1890, p. 5. In latere ontwikkelingen geldt dit beginsel nog wel als uitgangspunt maar heeft een verdere uitwerking gekregen in de vrijheid van onredelijke beperkingen om je eigen identiteit te construeren (‘The right to privacy is the freedom from unreasonable constraints on the construction of one’s own identity’ P.E. Agre en M. Rotenberg, Technology and Privacy: the New Landscape, 2001). Dit wordt vanuit eerdere publicaties wel geformuleerd als het zelfbeschikkingsrecht over informatie (‘the right to privacy is the individual’s ability to determine when, how, and to what extent information can be shared’ A.F. Westin, Privacy and freedom, Washington and Lee Law Review, 166, 25/1, 1968) hetgeen erop neer komt dat de overheid persoonlijke gegevens (van iemand) niet zomaar mag gebruiken (art. 10 Privacy, Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden (2008) Hoofdstuk 1: Grondrechten). Echter, met de definitie Agre en Rotenberg is het absolute verhindering, maar beperkt deze zich tot ‘unreasonable constraints’. Met de verwijzing naar ‘identity’ behoeft privacy zich daarentegen niet te beperken tot natuurlijke personen; ook rechtspersonen hebben immers hun eigen identiteit.
Art. 7 EU-Handvest wordt veel aangemerkt als een ‘corresponderende bepaling’ voor art. 8 EVRM, wat betekent dat de Handvestbepaling dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als de EVRM-bepaling; zie toelichtingen op het Handvest bij art. 7 Hv. Ook artikel 17 van het IVBPR heeft in grote lijnen dezelfde inhoud als de hiervoor genoemde EVRM- en Handvestbepalingen. M.J. Vetzo, J.H. Gerards en R. Nehmelman, Algoritmes en grondrechten, Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging, Universiteit Utrecht, 2018, p. 61.
B.J. Koops e.a., ‘A Typology of Privacy’, 38 University of Pennsylvania International Law Review 2017, afl. 2, p. 483-575.
Discussie over gegevensverwerking en belastingen zijn niet nieuw. In 1837 was er bijvoorbeeld verzet tegen een landelijke burgerlijke stand als registratie vanwege het recht op vrijheid en privacy, en het risico op hogere belastingen. Zie https://www. genuki.org.uk/big/eng/LIN/civilreg, geraadpleegd: 17 november 2017 ‘(…) an infrin gement of the Englishman’s rights to privacy and freedom. (…) Finally there were those who saw registration as a precursor of more taxation’.
T.E. Rosier (red.), Grondslagen van het recht, Achtergronden, 2010, p. 148, met verwijzing naar publicaties van C.E. Smith (onder andere Regels van rechtsvinding, 2007) en de oratie van J.H. Gerards, Belangenafweging bij rechterlijke toetsing aan fundamentele rechten, 2006, p. 7-9.
Steeds geldt de algemene en aloude regel uit de rechtspraak dat voor de vraag hoe, waar, en binnen welke termijn documenten of gegevens verstrekt moeten worden, een afweging gemaakt moet worden die rekening houdt met zowel de redelijke belangen van de belanghebbende als die van de fiscus. HR 26 november 1947, B 8423 en conclusie A-G Wattel bij HR 23 september 2005, LJN:AR6468.
Zoals opgenomen in Wbp o.a. godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, lidmaatschap van een vakvereniging, strafrechtelijke gegevens, opgelegde verboden naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag (ex art. 9 lid 2 sub b Wbp). De Verordening op de gegevensbescherming noemt persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid verboden (art. 9 lid 1 AVG).
De schuldenpositie kan van invloed zijn op de belastingheffing: een hogere positie kan leiden tot lagere belastingheffing (een ‘positief belang’ vanuit belastingplichtige). Het op laten nemen van dezelfde gegevens in bijv. het zogenaamde Incidentenregister zal (veelal) de kredietwaardigheid negatief beïnvloeden (een ‘negatief belang’). Rb. Amsterdam 9 februari 2012, LJN:BW0269.
Ter illustratie noem ik het verstrekken van reorganisatie om een belastingcontrole mogelijk te maken bij een bedrijf: het positieve belang in het verstrekken van die gegevens kan omslaan in een negatief belang wanneer diezelfde gegevens worden doorverstrekt aan het UWV.
De Moor-van Vugt e.a., Gegevensuitwisseling door Toezichthouders, Onderzoek uitgevoerd in opdracht van het WODC, Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, p. 35.
Bij gegevens over een persoonlijke vennootschap (eenmanszaak, vof, maatschap) kan sprake zijn van zowel een bedrijfsgegeven als persoonsgegeven, zie o.a. Rb. Zwolle 21 februari 2006, LJN:AV3139. Van een gemengde kwalificatie kan ook sprake zijn indien een product- of procesgegevens ook informatie verschaffen over een bepaalde persoon; zie Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 46.
Zie o.a. art. 4:2 lid 2 Awb voor het verplicht verschaffen van gegevens en bescheiden in het kader van de beslissing op een aanvraag. Voor weigeringsmogelijkheden, vanwege eerbiediging persoonlijke levenssfeer of bescherming bedrijfs- of fabricagegegevens; zie artikel 4:3 Awb.
W. Stern, William Stern (‘Selbstdarstellung’). In: R. Schmidt, Die Philosophie der Gegenwart in Selbstdarstellungen, 41, p. 129-184. ‘Eine Definition des Wertbe griffes ist nicht möglich; denn es gibt keinen anderen elementaren Begriff, auf den er zurückgeführt werden konnte’, W. Stern, Person und Sache. System des kritischen Personalismus. 3. Band: Wertphilosophie, 1924.
HR 8 januari 1986, LJN:AW8125, BNB 1986/128; HR 28 mei 1986, LJN:AW8017, BNB 1986/238; HR 4 november 1992, LJN:ZC5152, BNB 1993/90; Hof Leeuwarden 20 september 1996, FutD 1996/2074.
HR 23 april 2011, LJN:BY5352, onder verwijzing naar EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 ((SociØtØs Colas vs. Frankrijk), NJ 2003/452, V-N 2002/47.5. AB 2002/ 277).
T.E Rosier (red.), Grondslagen van het recht, p. 148.
EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 (SociØtØs Colas Est vs. Frankrijk), NJ 2003/ 452; zie ook paragrafen 104 en 105 van EHRM 14 maart 2013, nr. 24117/08 (Bernh Larsen Holdings AS e.a. vs. Noorwegen) en conclusie A-G Wathelet voorafgaande aan HvJ EU 17 december 2015, nr. C-419/14 (WebMindLicenses), BNB 2016/55, V-N 2016/ 6.14. De A-G Wathelet schrijft: ‘Wat (…) de personele werkingssfeer (…) betreft, moet van meet af aan erop worden gewezen dat volgens de rechtspraak van zowel het [HvJ EU, red.] als het Europees Hof voor de rechten van de mens het begrip privØ leven in die zin moet worden uitgelegd dat daaronder ook de beroeps- of commerciële activiteiten van rechtspersonen vallen.’
Voor uitgebreide beschouwingen over de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht wil ik verwijzen naar R.H. HappØ: Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming, 1996.
J.A.R. van Eijsden en F.R. Herreveld, De toekomst van de cassatierechtspraak in belastingzaken, WFR 2012/6949, p. 513.
Rb. Oost-Brabant, 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553.
Hof ’s-Hertogenbosch, 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515.
HR 8 november 1991, LJN:ZC0409, r.o. 3.2, NJ 1992/277.
Ook wanneer informatie die in eerste instantie een bepaalde functie diende, gedurende de tijd ook voor andere functies wordt aangewend is sprake van zogenaamde function creep, zie J.E.J. Prins, Function creep: over het wegen van risico’s en kansen. In: Function Creep en Privacy, Justitiële verkenningen, 2011, nr. 8, p. 11.
A.M. Klingenberg, A. Logemann en S.A.J. Munneke, Geheimhouding als juridische kwaliteitseis van primaire besluitvorming. In: M. Herweijer, A.T. Marseille, F.M. Noordam, H.B. Winter (red.), Alles in ØØn keer goed. Juridische kwaliteit van bestuurlijke besluitvorming, 2005, p. 178-179.
HR 8 november 1991, LJN:ZC0409, r.o. 3.2, NJ 1992/277. In de Bataafs-Franse tijd is geheimhouding in belastingzaken troef. Die vloeit voort uit de in brede kring gedeelde vrees dat het krediet van de ondernemers en handelaren zou worden geschaad als hun vermogens op straat komen te liggen. Tom Pfeil, Op gelijke voet, 2009, p. 222.
De Moor- van Vugt e.a, Gegevensuitwisseling door Toezichthouders, Onderzoek uitgevoerd in opdracht van het WODC, Universiteit van Amterdam, Faculteit der Rechtsgeleerdheid p. 45.
‘Inkomensgegevens zijn in de VS streng beschermd’, zegt K.M. Brown, Tax Controversy and Regulatory Services PriceWaterhouseCoopers LLC Washington, DC, United States. Amerikanen zijn trots op de vertrouwelijkheidsregel die geldt voor hun belastingdienst, de Internal Revenue Service (IRS), zegt Brown. ‘Dat verklaart de angst voor het delen van gegevens met andere landen.’ Verslag International Conference on Taxpayer Rights 2018, Financieele Dagblad 7 mei 2018.
Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, punt 2.43.
Voor uitgebreide behandeling van de fiscale geheimhoudingsplicht, zie par. 6.2.
Brief Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, 19 december 2014, Verkenning kaderwet gegevensuitwisseling, ministerie van Veiligheid en Justitie, minister I.W. Opstelten aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, kenmerk 599653, p. 4 ‘Zo kan van afschaffing van bijvoorbeeld de fiscale geheimhoudingsplicht geen sprake zijn’ en p. 7. ‘Deze geheimhoudingsplicht strekt vanouds ertoe dat de belastingplichtige niet wordt belemmerd de voor de goede belastingheffing relevante gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken in de wetenschap dat de Belastingdienst deze gegevens in beginsel niet aan derden verstrekt. Alleen al om die reden kan van afschaffing van de fiscale geheimhoudingsplicht geen sprake zijn.’
https://www.telegraaf.nl/binnenland/27539645/Lek_bij_de_Belastingdienst. html, geraadpleegd: 1 februari 2017.
M.B.A. van Hout, Gedeeld geheim, verloren geheim? Tijdschrift formeel belastingrecht, TFB 2015/06.
Toelichting bij de invoering van art. 43c Uitv. reg. AWR (Stcrt. 2007, 248): ‘Gelet op de ruime wettelijke bevoegdheden die de Belastingdienst heeft om, soms privacygevoelige, informatie over belastingplichtigen te verzamelen, is de betekenis van de geheimhoudingsplicht groot. Naast het algemene belang van bescherming van persoonsgegevens gaat het om het belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet.’
B. Torgler en C.A. Schaltegger, Tax morale and fiscal policy, working paper nr. 30, 2005.
Art. 67 lid 2 onderdeel b AWR jo. art. 43c lid 1 onderdeel p Uitv. reg. AWR en het samenwerkingsprotocol, 22 januari 2015, Stcrt. 2015, 4468.
Onderscheiden belangen bij het houden van toezicht
De Belastingdienst is voor zijn taak afhankelijk van de fiscale transparantie van burgers en bedrijven. De dienst maakt daarbij gebruik van een veelheid aan bronnen.1 Deze transparantie, hoewel niet altijd bij een ieder bekend, behoort vanuit dat perspectief tot de publieke waarden.2 In het algemeen geldt dat de publieke waarden uitkristalliseren via een normatieve consensus.3 Het verstrekken van die informatie is dan ook normatief bij wet- en regelgeving bepaald.4 Dit geeft het kader aan voor de samenleving wat ‘in rechte’ van elkaar wordt ‘verlangd’: het verkrijgen van toezichtgegevens. Het is een verplichting waarin ook een innerlijke motivatie doorklinkt. Het recht kan en mag enerzijds geen ethische drijfveren en vrijwillige naleving van de wet eisen puur uit respect, anderzijds kan een rechtstoestand nooit volledig verwerkelijkt worden in een samenleving waarin de burgers niet innerlijk gemotiveerd zijn om de wet te respecteren en na te leven.5 Het wettelijk kader geeft concrete invulling aan de verplichtingen: binnen dat kader moet de Belastingdienst zijn taak uitvoeren.
De vereiste transparantie vloeit voort uit de wettelijke taak, maar de Belastingdienst moet ook terdege rekening houden met andere belangen. Tegenover deze publieke waarden staan immers ook de private waarden. Waarden die een individu of groep voor zichzelf van belang acht. De publieke en private waarden kunnen samenvallen maar ook strijdig zijn.6 De drijfveren voor regelnaleving, dan wel regelovertreding, zijn divers en worden beïnvloed door allerlei belangen.7 Eerder noemde ik al dat burgers en bedrijven hun bijdrage onder andere (mede) laten afhangen van ‘private belangen’ die uit economische motieven kunnen voortvloeien.8 Daarnaast zijn er de ethische overwegingen die op allerlei niveaus van invloed kunnen zijn.9 De interne of persoonlijke normen, de sociale normen vanuit de omgeving en de mogelijkheden tot naleving spelen eveneens een rol. Het gaat daarbij niet alleen om financiële motieven. Ook het genoemde (fundamentele) recht op privacy is een te eerbiedigen waarde. Deze waarde omschrijft Van Dale als ‘persoonlijke vrijheid, het ongehinderd alleen, in eigen kring of met een partner ergens kunnen vertoeven; gelegenheid om zich af te zonderen, om storende invloeden van de buitenwereld te ontgaan’.10 Een waarde die in de oudere literatuur veelal omschreven wordt als het recht om met rust te worden gelaten.11 En met betrekking tot informatieverstrekking geeft het de volgende inhoud aan het recht van privacy ‘bescherming van persoonsgegevens, m.n. het recht om niet meer informatie over zichzelf te verstrekken en aan niet meer personen dan strikt noodzakelijk is, en het recht om te weten welke persoonlijke informatie er in omloop is, hoe die verzameld is en wat ermee gedaan wordt’.12 De strekking hiervan is ook opgenomen in de fundamentele rechten vanuit het EU-Handvest (art. 7 EU-Handvest), EVRM (art. 8 EVRM) en de Grondwet (art. 10 GW).13 In de jaren zestig van de vorige eeuw gaf de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken de volgende definitie aan privacy: ‘(...) de reeks van situaties, waarin de mens, al dan niet in zelf gekozen gemeenschap, onbevangen zichzelf wil zijn.’14 Het lastige van dit recht is echter dat het niet moeilijk valt te definiëren.15 Het gaat erom dat een ieder het recht heeft zichzelf te zijn zowel thuis, als in de publieke of digitale ruimte.16 Zonder wat te ‘willen verbergen’ kan dit belang – al dan niet voortvloeiend uit dit moeilijk te duiden begrip – een verhindering vormen voor medewerking aan het toezicht.17
Dit leidt tot een diversiteit aan belangen die (af)gewogen moeten worden; dit is met name het geval als het toezicht – het proces van inmengen in het persoonlijke domein gepaard gaande met het vergaren van gegevens – als negatief wordt ervaren. Rationeel gesproken zal ingeval sprake is van een individueel belang dat groter is dan het toezichtsbelang, minder snel een discussie ontstaan over de medewerking. Het inmengen in het persoonlijke domein wordt dan spreekwoordelijk op de koop toegenomen.
Het belang tot medewerking vanuit het perspectief van de toezichthouder (‘toezichtsbelang’) hoeft niet overeen te komen met die van burgers en bedrijven. Deze laatsten kunnen juist een tegenovergesteld belang hebben: zij kunnen een belang hebben dat medewerking in de weg staat. En daarbij kan ook nog eens diversiteit zijn in de belangen. De medewerkingsbereidheid kan dan ook variëren. Gegeven het toezichtsbelang van het bestuursorgaan kunnen deze belangen in meer of mindere mate overeenkomen, waarmee een positief belang ontstaat tot medewerking. Dit kan echter ook negatief zijn.
Het (af)wegen van belangen in het toezicht
Voor de Belastingdienst geldt dat hij, net als alle andere onderdelen van de overheid, de maatschappelijke belangen en de individuele belangen van de burgers en bedrijven op een zorgvuldige wijze moet (af)wegen. Wie het woord belangenafweging hoort of leest, denkt onwillekeurig aan een weegschaal. Dat geeft volgens de literatuur een onjuist beeld. ‘Men neemt twee belangen, legt deze op de weegschaal, kijkt welke kant het zwaarst is. De werkelijkheid is natuurlijk anders. Het beeld van de weegschaal is misleidend.’18 Bij een rechtvaardige belangenafweging gaat het om het al dan niet uitvoering geven aan het ‘ene belang’ met respect voor het ‘andere belang’. Een rechtvaardige informatiegaring wordt gekenmerkt door de ‘belangenafwegingen’ waarbij een ieder zijn deel krijgt: de Belastingdienst krijgt de noodzakelijke gegevens en inlichtingen en burgers en bedrijven zien ‘hun’ individuele belangen (‘waarden’) geborgd.19 Hoewel ik de associatie met de wegschaal probeer te voorkomen, is ‘zwaarte’ van de afzonderlijke belangen wel bepalend voor de keuze. Dat geldt ook voor de afstand tussen de afzonderlijke belangen. Daarin moet een balans worden gevonden.
Het toezichtsbelang zal immers ‘zwaar genoeg’ moeten zijn om de balans – bij negatieve belangen – in evenwicht te laten zijn om de noodzakelijke medewerking (‘inmenging in het persoonlijke domein’) te kunnen verplichten/ vorderen.
Het verkrijgen van een balans is in vereenvoudigde vorm als volgt weer te geven waarbij horizontaal de belangen tot medewerking staan (van negatief naar positief) en verticaal de vormen van medewerking (van vrijwillig tot verplicht):
Figuur 9: Belangenafweging bij (fiscale) informatiegaring (gestileerd met enkele voorbeelden)
In abstracto kan een negatieve bereidwilligheid om mee te werken in het kader van het toezicht vanuit andere belangen, (verder) negatief worden beïnvloed. Het is zelfs mogelijk dat een positief belang (in het kader van bijvoorbeeld de belastingheffing) omslaat in een negatief belang (bij het toezicht op naleving van andere wet- en regelgeving). De (af)weging is dan ook afhankelijk van zowel de aard van de gegevens als het gebruik.
Het wegen van gegevens in zijn diversiteit
Niet alle gegevens hebben eenzelfde ‘gevoeligheid’. Te denken valt aan ‘gevoelige gegevens’ zoals bijzondere persoonsgegevens.20 Het gebruik van de gegevens kan van invloed zijn op de gevoeligheid.21 De context van het gebruik is dan ook veelal bepalend.22 En hoewel het vorenstaande ziet op persoonsgegevens zal dat voor andersoortige gegevens zoals bedrijfs- of fabricagegegevens niet anders zijn.23 Het gebruik van algemene gegevens zoals opgenomen in de Gemeentelijke basisadministratie [MS: de huidige Basisregistratie Personen] zal dan ook van minder gewicht zijn dan medische gegevens.24 Een verschuiving van gebruik – en daarmee tevens de belangen – kan resulteren in een andere keuze. Het brengt de ‘weegschaal’ in beweging en kan een andere balans tot gevolg hebben.
De gevoeligheid van gegevens – de ‘waarde’ – kan afhankelijk zijn van de sfeer waarbinnen het vergaren plaatsvindt. Met een diversiteit aan beginselen kunnen gegevens voor de onderscheiden handhavingssferen een eigen kwalificatie krijgen. Bij het delen van toezichtgegevens vindt veelal onderscheid plaats in (1) persoonsgegevens, (2) bedrijfs- en fabricagegegevens en (3) overige gegevens.25 Maar ook andere kwalificaties zijn van belang. Sommige niet binnen de toezichtsfeer, maar wel specifiek in het kader van een van de andere handhavingssferen als uitvoeringsgegevens,26 onderzoekgegevens of opsporingsgegevens.
Binnen de sfeer van het toezicht kunnen gegevens daarentegen ook andere ‘labels’ krijgen. Een etiket dat per toezichthouder en sfeer kan verschillen, zelfs per toezichtshandeling. Ter illustratie, en uitdrukkelijk zonder daarbij uitputtend te willen zijn, visualiseer ik enkele ‘labels’ binnen de sfeer van de toezichtgegevens:
Figuur 10: Labelen van gegevens
Het kunnen vergaren van gegevens – en daarbij de kwalificatie wegend – is afhankelijk van de etikettering en het doel. Het doel bepaalt de waarde van een gegeven (en de bescherming). Een doelverschuiving of -verbreding daarvan – en daaronder valt de integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht – raakt dus deze belangenafweging. Het publieke belang is dan immers breder (‘zwaarder’) dan alleen het fiscale belang waarbij ook andere (individuele) belangen kunnen spelen. Het belang tot medewerking tegenover de Belastingdienst hoeft niet overeen te komen met dat tegenover een andere toezichthouder. Het kan zelfs tegenovergesteld zijn. Om de invloed van integratie te kunnen bepalen op de nalevingsbereidheid, is het van belang om de determinanten van de informatiegaring te onderkennen.
Het gaat bij de informatiegaring om een specifieke weging van belangen die veelal niet vooraf is gereguleerd. Wat de waarden zijn, valt in zijn algemeenheid niet exact te bepalen. Waarde is immers niet iets, maar iets heeft waarde.27 De waarde is dan ook niet eenduidig te definiëren, maar wordt bepaald door de omstandigheden die situatie- en tijdafhankelijk zijn. Dit geldt voor zowel de Belastingdienst als de belastingplichtige. Het toezichtsdoel staat daarbij centraal.
Het juridische kader voor rechtvaardige belangenafweging
Vanuit het juridisch perspectief vloeit de publieke waarde voort uit de wettelijke taak van de Belastingdienst, namelijk een juiste belastingheffing. Het belang daarvan is als norm opgenomen in de belastingwetten.28 Voor de individuele waarde kan worden aangesloten bij de normen zoals bepaald in de zogenaamde fundamentele rechten van de mens: het verlenen van medewerking aan overheidstoezicht gaat gepaard met het (deels) opofferen van die rechten.29 Het onthouden van dingen waar burgers en bedrijven aanspraak op kunnen maken, dat wil zeggen: waar ze recht op hebben, kan tot onrechtvaardigheid leiden,30 zowel vanuit een juridisch als sociaal perspectief. Overigens kunnen, volgens vaste jurisprudentie, ook ondernemingen zich op dit recht op privacy beroepen.31 Bij het uitoefenen van bevoegdheden voor het vergaren van gegevens gaat het derhalve om de belangenafweging tussen de ‘opoffering’ van de fundamentele rechten en de effectieve taakuitoefening van de belastingheffing. Die twee moeten met elkaar in verhouding zijn. Vanuit het juridische perspectief vindt deze belangenafweging plaats binnen de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.32 En daarmee krijgt de rechtvaardigheid een juridische plaats voor het optreden van de overheid bij het houden van toezicht. En tot die beginselen behoren ook de zorgvuldigheid en evenredigheid ten aanzien de belangen van vertrouwelijkheid.
Het borgen van de zorgvuldigheid in het proces van belangenafweging
Om tot een zorgvuldige (af)weging te komen van de afzonderlijke belangen, zijn er waarborgen nodig. Allereerst is er het kader van de rechtsbescherming van burgers en bedrijven waarbinnen de afweging plaats vindt. Die is bij uitstek een concrete uitdrukking van het ideaal van rechtvaardigheid in een individuele zaak.33 Het gaat immers over individuele belangen die situatie- en tijdafhankelijk zijn.34 Deze afweging van belangen moet een onafhankelijke partij dan ook kunnen toetsen: de rechter.35 Die afweging vindt haar bevestiging in de jurisprudentie.36
Daarnaast moet van onzuivere invloeden worden geabstraheerd. Om tot een zuivere belangenafweging te komen hoeft de Belastingdienst noch de gegevensverstrekker andere toepassingen dan de belastingheffing te betrekken. De Belastingdienst kan de gegevens alleen voor dat doel aanwenden en er geldt een geheimhoudingsplicht (art. 67 lid 1 AWR). Degene die informatie verstrekt aan de Belastingdienst hoeft zodoende in principe niet te worden weerhouden door de vrees dat de gegevens en inlichtingen worden gebruikt voor andere doeleinden dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de taak van de Belastingdienst.37 Daarnaast is er het algemene belang van bescherming van persoonsgegevens.38 Voor de verstrekte gegevens geldt immers de doelbinding van de belastingheffing.39 De gegevensverstrekker zal, zeker wanneer het gaat om vertrouwelijke gegevens die hij aan geen ander wil verstrekken, vanuit dat vertrouwen de inlichtingen verstrekken en/of de gegevens beschikbaar stellen.40
Burgers en bedrijven zijn immers eerder geneigd gegevens af te staan aan de overheid als zij erop kunnen vertrouwen dat deze goed worden bewaakt en niet zomaar aan de openbaarheid of aan derden worden prijsgegeven.41 Deze wettelijke geheimhoudingsplicht is al eeuwen lang de hoeksteen voor het verlenen van (verplichte) medewerking.42 Deze plicht, die overigens als algemeen beginsel geldt voor de gehele Nederlandse overheid43 en ook in het buitenland, heeft een belangrijke plaats in het stelsel van belastingheffing.44 De strekking van deze geheimhoudingsplicht is daarentegen niet altijd hetzelfde.
Bij de harmonisatie van de toezichtsbevoegdheden in de Awb is bewust gekozen voor het handhaven van een specifiek fiscale geheimhoudingsplicht: de minister van Justitie wilde deze zeer strakke geheimhoudingsplicht expliciet handhaven en acht die zelfs noodzakelijk.45 Dat standpunt wordt nog steeds gehuldigd.46 Het beginsel van een specifieke fiscale geheimhouding staat ook bij de wens van integratie niet ter discussie: bij het uitwisselen van gegevens in het kader van een breed en integraal toezicht moet rekening worden gehouden met specifieke belangen die met een geheimhoudingsverplichting verband houden.47 Dat beginsel is blijkbaar zo fundamenteel dat dit niet ter discussie staat. Of met de woorden van de Autoriteit Persoonsgegevens: ‘In zijn algemeenheid geldt dat belastinggegevens gevoelige gegevens zijn en dat de Belastingdienst er alles aan moet doen om die zo goed mogelijk te beveiligen door aan alle wettelijke eisen te voldoen’.48
Vanuit de perceptie dat geschonden vertrouwen een negatieve invloed kan hebben op de medewerking, is de bescherming van de geheimhoudingsplicht niet alleen van belang voor de betrouwbaarheid van de persoonsregistratie en naleving van de daarop betrekkende wet- en regelgeving, maar ook voor een efficiënte en effectieve belastingheffing.49 De doelbinding met de strikte geheimhoudingsplicht vormt als waarborg het sluitstuk van een rechtvaardig proces van informatiegaring.50 Dat moet de basis bieden voor transparantie.
Het model voor informatiegaring
Vanuit het spectrum van (juridische) belangenafweging onderken ik in het proces van informatiegaring de volgende determinanten:
de wettelijke taak van de toezichthouder;
de fundamentele rechten van de burgers en bedrijven;
de wet- en regelgeving voor het vergaren van toezichtgegevens;
de belangenafweging van de fundamentele rechten de versus wettelijke taak van de toezichthouder;
de doelgebonden vertrouwelijke behandeling van de verkregen toezichtgegevens en
de rechtsbescherming als waarborg voor een juiste belangenafweging.
De eerste vier determinanten vormen het juridische kader waarbinnen het proces van belangenafweging plaatsvindt; de andere twee determinanten fungeren meer als algemene waarborgen voor een zuivere en transparante belangenafweging. Het gebruik van de gegevens wordt uiteindelijk bepaald door de zorgvuldigheid waarmee dit proces heeft plaatsgevonden: zorgvuldigheid geldt als voorwaarde voor het rechtvaardig gebruik van gegevens.
De relatie tussen de bovengenoemde determinanten is als volgt weer te geven:
Figuur 11: Model voor informatiegaring
De determinanten zijn van invloed op het rechtvaardig verkrijgen van fiscale toezichtgegevens. De zorgvuldige uitvoering van dit proces is van belang voor de compliance.51 Het delen van fiscale toezichtgegevens raakt eveneens de kern van dit proces, namelijk de processuele belangenafweging. Wanneer andere publieke belangen in de afweging (kunnen) worden betrokken, moet ook een andere belangenafweging plaatsvinden.
Een voorbeeld ter illustratie:
De Belastingdienst verkrijgt tijdens een boekenonderzoek inzage in het vertrouwelijke dossier van de externe accountant (ex art. 63a Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta)). De controlemedewerker heeft voor zijn onderzoek bij belastingplichtige X BV de inzage nodig in het controledossier bij accountant Y. De externe accountant Y moet ondanks zijn wettelijke geheimhoudingsverplichting (ex art. 63a Wta) zijn medewerking verlenen op grond van de wettelijke medewerkingsverplichting (ex art. 53 AWR). Tijdens de inzage verkrijgt de controlemedewerker tevens vertrouwelijke informatie over vermoedelijke prijsafspraken in de markt van de cliënt (X BV). Hij wil die melden bij de ACM.52
De toezichtsbevoegdheden van de ACM beperken zich in beginsel tot ‘de ondertoezichtgestelde’. De externe accountant kan – als direct betrokkene – daartoe kunnen behoren (ex art. 5:13 Awb). Volgens de bijzondere bevoegdheden vanuit de Instellingswet is de reikwijdte uitgebreid tot derden (‘een ieder’), maar degenen met onder andere een wettelijke geheimhoudingsverplichting kunnen zich verschonen. De accountant behoort daartoe (ex art. 6b lid 3 Instellingswet). Wanneer de Belastingdienst de gegevens zou verstrekken aan de ACM, dan verstrekt de externe accountant op indirecte wijze inzage in zijn dossier aan anderen dan waartoe hij wettelijk verplicht is. Een dergelijk risico kan de vertrouwelijke communicatie met zijn cli ë nt schaden en daarmee de uitoefening van zijn wettelijke taak (controle van de jaarrekening ex art. 393 Boek 2 BW).
De determinanten vormen dan ook de opmaat voor het rechtvaardig kunnen delen van fiscale gegevens voor het rijksbrede toezicht. In de volgende paragrafen werk ik deze elementen uit in relatie tot het delen van gegevens met andere toezichthouders. Elk van de paragrafen sluit ik af met een kaderstellende factor waarbinnen de informatiegaring plaats moet vinden. Deze kaderstellende factoren leiden tot een algemeen kader voor het rechtvaardig kunnen delen van toezichtgegevens. Vanuit dat kader werk ik in de vervolghoofdstukken het onderliggende deel van de probleemstelling uit voor mijn onderzoek naar de mogelijkheden voor het rechtvaardig kunnen integreren van fiscale toezichtgegevens in het rijksbrede toezicht.