Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/4.1
4.1 Inleiding
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186635:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Valk in Valk & Schelhaas 2016, p. 21.
Valk in Valk & Schelhaas 2016, p. 21, Tjittes 2009, hoofdstuk 3 en Valk in Hijma e.a. 2016, p. 293.
Vgl. hierna par. 4.2.2, i.h.b. par. 4.2.2.2.
Zo ook Wessels 2013, p. 13.
Citaat uit HR 2 februari 2007, NJ 2008/104 (NBA/Stichting Meerhuysen), r.o. 3.5.1 en HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox), r.o. 4.5. Zie verder Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 20.
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex), Tjittes 2009, p. 11, Asser/Sieburgh 6-III 2018/363 en Tjittes 2018, p. 262 e.v.
Zie Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 19 en 23, Tjittes 2009, p. 31 en Asser/ Sieburgh 6-III 2018/363.
Zie Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 32 e.v., vgl. Tjittes 2009, p. 13 e.v.
Zie HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox), HR 27 februari 2004, NJ 2005/498 (Bindend Besluit Regres), Valk, in: Hijma e.a. 2016, p. 290 e.v. en Tjittes 2009, p. 13 e.v.
Zie de conclusie van A-G Valk voor HR 24 februari 2017, RvdW 2017/309 (Parkking Ontwikkeling/Alberts q.q.), onder 2.4, HR 20 februari 2004, NJ 2005/ 493 (Pensioenfonds DSM/Fox), HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox), i.h.b. r.o. 5.1 en 5.2 en HR 25 november 2016, NJ 2017/114 (FNV c.s./Condor), r.o. 3.4 e.v. Zie ook de annotatie van Schelhaas bij dit laatste arrest in Ondernemingsrecht 2017/88.
Zie HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox), HR 29 juni 2007, JOR 2007/198 (Derksen/Homburg), HR 8 oktober 2010, NJ 2010/546 (Van Ens/ABP) en HR 25 november 2016, NJ 2017/114 (FNV c.s./Condor). Zie ook de conclusie van A-G Wissink bij HR 9 december 2016, JOR 2017/11 (Värde), r.o. 4.4.2.
HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox), r.o. 4.4.
HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox).
Vgl. HR 21 maart 2014, JOR 2014/151 (Coface/Intergamma), r.o. 3.4.2 en Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 37.
HR 8 juli 2016, JOR 2016/292 (Melber/Goede), r.o. 4.2.3 en HR 21 maart 2014,JOR 2014/151 (Coface/Intergamma), r.o. 3.4.2.
Zie ook par. 1.7.
Zie bijvoorbeeld over de vraag of een oneigenlijke achterstelling een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling inhoudt par. 6.2.4, over tegenstrijdige opeisbaarheidsbepalingen par. 6.3.4.2 en over de uitsluiting van verrekening par. 9.4.2.
103. De gevolgen van een overeenkomst van achterstelling berusten op de instemming van de partijen met die overeenkomst. Omdat de overeenkomst van achterstelling niet wettelijk is geregeld bestaat er geen wettelijk standaardpakket aan gevolgen van een overeenkomst van achterstelling, zoals dat wel bestaat bij wettelijk geregelde zekerheidsrechten als pand- en hypotheekrechten. Daardoor speelt het vaststellen van de precieze inhoud van de overeenkomst een relatief grote rol bij de bepaling van de gevolgen van een overeenkomst van achterstelling. Eerst moet worden bepaald wat partijen overeen zijn gekomen, wat zij mochten menen dat er was overeengekomen, of wat derden mochten menen dat was overeengekomen. Daarvoor moet de inhoud van de over en weer gedane verklaringen worden vastgesteld. Uitleg is het proces waarin dat gebeurt.1
Om de inhoud van verklaringen vast te stellen moeten verschillende aanwijzingen rondom de inhoud van die verklaringen worden gewogen. Regels van uitleg proberen een maatstaf te geven voor de weging van die aanwijzingen.
Bij het opstellen van regels over uitleg kan echter geen rekening worden gehouden met de overtuigingskracht en relevantie van de aanwijzingen in een concrete casus. Er bestaan daarom nauwelijks werkelijke regels van uitleg, in die zin dat in bepaalde omstandigheden een bepaalde manier van uitleg is voorgeschreven, laat staan regels die aan omstandigheden een uitkomst van de uitleg koppelen.2 De theorievorming over uitleg bestaat grotendeels uit het catalogiseren van relevante omstandigheden die als gezichtspunt kunnen dienen en het vaststellen van de wijze waarop die omstandigheden de wijze van uitleg in een concreet geval beïnvloeden.3 Daarmee is de uitkomst van de uitleg nog niet voorgeschreven.
104. Dat een overeenkomst een achterstelling bevat dicteert op zichzelf nog niet een bijzondere vorm van uitleg.4 Overeenkomsten van achterstelling zijn overeenkomsten als alle andere, dus kunnen de gebruikelijke gezichtspunten bij de uitleg van een overeenkomst ook een rol spelen bij de uitleg van een overeenkomst van achterstelling.5 Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de invloed van het doel van de overeenkomst of de derdenwerking daarvan op de uitleg van die overeenkomst. Dergelijke algemene leerstukken worden ingekleurd door de specifieke eigenschappen van de achterstellingsovereenkomst die moet worden uitgelegd. In paragraaf 4.2 komen enkele van die gezichtspunten aan bod die bij overeenkomsten van achterstelling in het bijzonder relevant zijn. Uit die gezichtspunten, en andere waarvan de toepassing op achterstellingsovereenkomsten weinig toelichting behoeft, volgen enkele vuistregels voor de uitleg van veel voorkomende overeenkomsten van achterstelling. Die vuistregels komen in paragraaf 4.3 aan bod.
105. Er kan worden onderscheiden tussen subjectieve uitleg en objectieve uitleg van verklaringen en overeenkomsten. In beide gevallen kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen, “gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen”.6 Die maatstaven pakken echter anders uit bij subjectieve uitleg dan bij objectieve uitleg.
Subjectieve uitleg stelt de verwachtingen die partijen redelijkerwijs mochten hebben omtrent de betekenis van elkaars verklaringen voorop.7 Daarbij zijn de bewoordingen van de verklaring vaak leidend, maar is er relatief veel ruimte om andere aanwijzingen mee te wegen.8
Bij objectieve uitleg zijn de concrete bedoelingen en verwachtingen van de partijen bij de overeenkomst minder van belang. Bij objectieve uitleg ligt de nadruk op de partijbedoeling voor zover die kenbaar is uit bronnen die ook beschikbaar zijn voor degenen die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst waren betrokken.9 Daardoor ligt meer nadruk op de bewoordingen van het uit te leggen beding, de grammaticale uitleg daarvan, het systeem van de overeenkomst en voor derden kenbare toelichtingen op het beding.10 Dit vergroot de rol van taalkundige interpretatie, maar taalkundige interpretatie is ook bij objectieve uitleg niet steeds doorslaggevend.11 De aard van de overeenkomst en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van verschillende interpretaties kunnen bijvoorbeeld ook een rol spelen.12
Tussen subjectieve en objectieve uitleg bestaat geen waterscheiding maar een vloeiende overgang.13 Er bestaan dus ook tussenvormen. De Hoge Raad zette dit uiteen in het arrest Pensioenfonds DSM/Fox.14 Daarin wordt nog onderscheid gemaakt tussen de Haviltex-norm enerzijds en de cao-norm anderzijds. Daarbij werd met de Haviltex-norm een subjectieve vorm van uitleg bedoeld en met de cao-norm een objectieve wijze van uitleg. Sinds het arrest Pensioenfonds DSM/Fox worden echter ook meer objectieve vormen van uitleg onder de Haviltex-norm geschaard.15 Dat kan tot begripsverwarring leiden. Daarom wordt hier gesproken van subjectieve en objectieve uitleg. Die begrippen staan voor uitlegmethodes aan de meer subjectieve respectievelijk de meer objectieve kant van het door de Hoge Raad geschetste spectrum.
106. Voor verschillende bedingen in een overeenkomst kunnen verschillende uitlegmaatstaven gelden.16 Daarom wordt ook in dit hoofdstuk de term ‘overeenkomst van achterstelling’ zowel gebruikt voor zelfstandige overeenkomsten van achterstelling, als voor bedingen die een achterstelling regelen als onderdeel van een meeromvattende overeenkomst.17 Dit hoofdstuk betreft de uitleg van die bedingen.
107. Enkele specifieke vragen van uitleg komen in andere hoofdstukken aan bod samen met het betreffende onderwerp.18