Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/6.3
6.3 Rechtsgevolgen
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS500317:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie L.C.A. Verstappen in: W.J. Zwalve, L.C.A. Verstappen en J.B. Huizink, Bekrachtiging en aanverwante rechtsfiguren (preadvies van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie), Den Haag: Koninklijke Vermande 2003, p. 83.
Zie hierna in 6.5.
Zie 6.10.
Artikel 2:6 lid 1 BW, artikel 25 en 47 Handelsregisterwet 2007. Dit is een economisch delict op grond van artikel 1 sub 4 Wet op de economische delicten.
Zie L.C.A. Verstappen in: W.J. Zwalve, L.C.A. Verstappen en J.B. Huizink, Bekrachtiging en aanverwante rechtsfiguren (preadvies van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie), Den Haag: Koninklijke Vermande 2003.
De wet maakt onderscheid tussen nietige en vernietigbare rechtshandelingen. De wetgever heeft als uitgangspunt nietigheid genomen.
Artikel 3:39 BW geeft nietigheid aan bij schending van vormvoorschriften:
`Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig.'
Artikel 3:40 BW geeft nietigheid aan als het gaat om de rechtshandeling:
‘1. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.
2.Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.
3.Het vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten.
Op grond van de schakelbepaling van artikel 3:59 BW gelden deze bepalingen ook voor de rechtshandeling van rechtsvormwijziging van Boek 2 BW voor zover de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet.
Op basis van deze bepalingen hebben gebreken bij rechtsvormwijziging in beginsel nietigheid van de rechtsvormwijziging tot gevolg. De wetgever hanteert soms uitzonderingen op deze hoofdregel voor specifieke rechtshandelingen. Bij juridische fusie en splitsing is bijvoorbeeld aangegeven dat deze rechtshandeling geldig is, tenzij deze vernietigd wordt op een van de door de wet genoemde gronden.1 Dat heeft tot gevolg dat bij juridische fusie en splitsing de uitzondering (vernietigbaarheid) als hoofdregel gaat gelden. Voor rechtsvormwijziging heeft de wetgever geen uitzondering opgenomen. Schending van een vormvereiste bij rechtsvormwijziging heeft nietigheid van de rechtsvormwijziging tot gevolg. Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen, bijvoorbeeld uit hoofde van Boek 2 BW of de Wet op het notarisambt. In die gevallen wordt de hoofdregel van artikel 3:39 BW ter zijde geschoven.2 Daarbij is te denken aan gebreken bij besluitvorming waar in Boek 2 BW een specifieke regeling is opgenomen3 of een omissie in de notariële akte.4
Van de rechtsvormwijziging dient opgaaf gedaan te worden bij het handelsregister. Deze inschrijving is geen constitutief vereiste voor de rechtsvormwijziging. Indien inschrijving van de rechtsvormwijziging niet geschiedt, geven Boek 2 BW en de handelsregisterwet aan wat de sanctie is. Tegenover wederpartijen en derden die onkundig zijn van de rechtsvormwijziging kan geen beroep worden gedaan op de gewijzigde statuten zolang deze niet bij het handelsregister zijn geregistreerd.5
Met nietigheid als sanctie dient zorgvuldig omgesprongen te worden. Nietigheid dient alleen te worden aanvaard als geen andere, minder ingrijpende, sanctie voorhanden is. Om het rechtsverkeer niet onnodig te belemmeren dient de sanctie van nietigheid zoveel mogelijk vermeden te worden.6