Rb. Amsterdam, 18-11-2021, nr. 13/751505-21
ECLI:NL:RBAMS:2021:6618
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
18-11-2021
- Zaaknummer
13/751505-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2021:6618, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 18‑11‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:3681, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 14‑07‑2021; (Tussenuitspraak)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2021:876
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Verzoek van de Hongaarse rechterlijke autoriteit om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, Overleveringswet. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2021:3681. De voorhanden zijnde stukken, inclusief het verhoor in Hongarije, zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen. De overgeleverde persoon is niet expliciet gehoord over het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging. In het verhoor dat op 25 juni 2020 is afgenomen en dat met alle rechtswaarborgen was omgeven, is de dagvaarding van de overgeleverde persoon aan de orde gekomen, heeft de rechter hem gewezen op het specialiteitsbeginsel, heeft hij zich expliciet, na overleg met zijn advocaat, over de bescherming van het specialiteitsbeginsel uitgelaten en heeft hij de mogelijkheid gehad om voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn eventuele opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken. Om over het onderhavige verzoek te kunnen beslissen met inachtneming van de rechten van de overgeleverde persoon, behoeft de rechtbank geen nadere informatie meer. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming voor de overgeleverde persoon. Aan toestemming voor uitbreiding van de vervolging staan geen weigeringsgronden in de weg. De rechtbank verleent de in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW bedoelde toestemming.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751505-21
RK nummer: 21/2689
Datum uitspraak: 18 november 2021
BESLISSING
op het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, Overleveringswet (OLW). Dit verzoek is ingediend door the Budapest Metropolitan Court (Hongarije) op 13 april 2021 en betreft de uitbreiding van de vervolging van:
[overgeleverde persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977
thans verblijvende in [verblijfplaats]
hierna te noemen de overgeleverde persoon.
1. Procesgang
Het verzoek is behandeld in raadkamer op 27 mei 2021, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
Op 10 juni 2021 is een tussenbeslissing door de rechtbank gewezen waarin het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, omdat de rechtbank meer tijd nodig had om zich te beraden op de beslissing.
Op 14 juli 2021 heeft de rechtbank in openbare raadkamer het onderzoek ter zitting gesloten en direct daarna uitspraak gedaan.
Bij tussenbeslissing van 14 juli 20211.heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd aangehouden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).
Het Hof van Justitie heeft op 26 oktober 2021 uitspraak gedaan2..
Op de openbare meervoudige raadkamer van 4 november 2021 is de behandeling van het verzoek hervat, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
2. Prejudiciële procedure
Bij voornoemde tussenbeslissing heeft de rechtbank, kort gezegd, aangenomen dat de procedure waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist over een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging - als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en het vierde lid van Kaderbesluit 202/584/JBZ (hierna: het Kaderbesluit) - moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming en dat dit meebrengt dat de overgeleverde persoon moet worden gehoord op het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging. Aan het Hof van Justitie is vervolgens de vraag voorgelegd waar dit recht zou moeten worden uitgeoefend - tegenover een rechterlijke autoriteit in de uitvaardigende of in de uitvoerende lidstaat - en, indien de overgeleverde persoon in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd moet worden gehoord, op welke wijze die lidstaat hem daartoe in staat moet stellen.
Het Hof van Justitie heeft, zakelijk weergegeven, het volgende geoordeeld.
Uit het feit dat het Kaderbesluit de overgeleverde persoon niet uitdrukkelijk het recht toekent om te worden gehoord in het kader van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging, kan in geen geval worden afgeleid dat dit grondrecht in dergelijke omstandigheden aan die persoon zou worden onthouden.
Het is aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om te beoordelen of wordt ingestemd met uitbreiding van de vervolging en daaruit volgt dat de overgeleverde persoon door de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet worden gehoord.
Dit betekent niet dat de overgeleverde persoon het recht heeft om persoonlijk voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit te verschijnen, maar wel dat hij feitelijk de mogelijkheid moet hebben gehad om voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging kenbaar te maken.
Gelet op het aan het Kaderbesluit ten grondslag liggende vereiste van voortvarendheid, kan het recht om door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord concreet worden uitgeoefend in de uitvaardigende lidstaat, waarin de overgeleverde persoon zich bevindt, zonder dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit rechtstreeks deelneemt. De overgeleverde persoon kan zijn standpunt kenbaar maken aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Indien dit standpunt in een proces-verbaal is opgenomen en vervolgens door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt meegedeeld, moet het, gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen, in beginsel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden geacht door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit met inachtneming van de vereisten van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te zijn verkregen.
Mocht de uitvoerende rechterlijke autoriteit vervolgens van oordeel zijn dat zij niet over voldoende gegevens beschikt om met volledige kennis van zaken - en met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de betrokkene - een beslissing te kunnen nemen over het desbetreffende verzoek tot toestemming, moet zij, naar analogie, artikel 15, tweede lid, van het Kaderbesluit toepassen en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dringend verzoeken om aanvullende gegevens over het standpunt van de overgeleverde persoon. Hierbij dienen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit erop toe te zien dat een dergelijk verzoek om aanvullende gegevens en de uitvoering ervan geen afbreuk doen aan de doelstelling van het Kaderbesluit om de overleveringsprocedures te vergemakkelijken en te bespoedigen, en, meer in het bijzonder, dat de beslissing over het verzoek tot toestemming door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan worden genomen binnen de in artikel 27, vierde lid, van het Kaderbesluit vastgestelde termijn van dertig dagen.
3. Verhoor overgeleverde persoon in Hongarije
De overgeleverde persoon is, na zijn feitelijke overlevering aan Hongarije, op 25 juni 2020 door een rechter bij the Budapest Metropolitan Court gehoord in aanwezigheid van een advocaat en een tolk.
De overgeleverde persoon is tijdens dit verhoor op de hoogte gebracht van de verdenkingen jegens hem, is in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en heeft, na overleg met zijn advocaat, desgevraagd verklaard dat hij geen afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel. Voorts heeft de rechter de dagvaarding aan de overgeleverde persoon en aan zijn advocaat uitgereikt, waarbij de dagvaarding die aan de overgeleverde persoon is uitgereikt, in het Engels was vertaald.
Van het verhoor is een proces-verbaal opgemaakt.
4. Beoordeling verzoek
4.1
Inleiding
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of zij op basis van de voorhanden zijnde stukken over voldoende gegevens beschikt om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze vraag bevestigend worden beantwoord. De voorhanden zijnde stukken, inclusief het verhoor in Hongarije, zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
De overgeleverde persoon is niet expliciet gehoord over het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging. In het verhoor dat op 25 juni 2020 is afgenomen en dat met alle rechtswaarborgen was omgeven, is de dagvaarding van de overgeleverde persoon aan de orde gekomen, heeft de rechter hem gewezen op het specialiteitsbeginsel, heeft hij zich expliciet, na overleg met zijn advocaat, over de bescherming van het specialiteitsbeginsel uitgelaten en heeft hij de mogelijkheid gehad om voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn eventuele opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken. Om over het onderhavige verzoek te kunnen beslissen met inachtneming van de rechten van de overgeleverde persoon, behoeft de rechtbank geen nadere informatie meer.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de hierboven onder 3. geschetste gang van zaken tijdens het verhoor en de inhoud daarvan, voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming voor de overgeleverde persoon.
De rechtbank zal derhalve overgaan tot de beoordeling van het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW.
4.2
Grondslag en inhoud van het verzoek
Het verzoek van 13 april 2021 van the Budapest Metropolitan Court om ingevolge artikel 27, vierde lid, van het Kaderbesluit aanvullende toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging van de overgeleverde persoon in Hongarije, bevat onder meer een omschrijving van de feiten waarop het verzoek ziet. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de feitsomschrijving is als bijlage aan deze beslissing gehecht.
Op 27 mei 2021 is door the Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law, aanvullende informatie verstrekt, waaruit volgt dat op 25 juni 2020 een aanhoudingsbevel met nummer 5.B.197/2019/76 is afgegeven ten aanzien van de overgeleverde persoon.
Voormelde correspondentie bevat de benodigde gegevens, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit.
4.3
Strafbaarheid
De Hongaarse justitiële autoriteit heeft in voornoemd verzoek vermeld dat de feiten waarop het verzoek om toestemming ziet, vallen onder een feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW.
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de justitiële autoriteit van Hongarije de strafbare feiten heeft aangeduid als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 9, te weten:
Witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het verzoek van 13 april 2021 volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.4
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank staan er aan toestemming voor uitbreiding van de vervolging geen weigeringsgronden in de weg.
De rechtbank zal derhalve de in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW bedoelde toestemming verlenen.
5. Toekomstige behandeling en afdoening verzoeken tot verderlevering ex 14 OLW
De rechtbank zal toekomstige verzoeken om toestemming voor uitbreiding van de vervolging schriftelijk gaan afdoen.
Na ontvangst van het verzoek zal door de rechtbank worden beoordeeld of de stukken, waaronder het proces-verbaal van verhoor van de overgeleverde persoon in de uitvaardigende lidstaat, toereikend zijn om op het verzoek te beslissen. De rechtbank zal in dit verband mede toetsen of zij over voldoende gegevens beschikt om met volledige kennis van zaken - en met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen over het desbetreffende verzoek tot toestemming.
Indien het verzoek en/of het verhoor in de uitvaardigende lidstaat onvoldoende informatie bevat, zal de rechtbank ingevolge artikel 15, tweede lid, van het Kaderbesluit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzoeken om aanvullende gegevens, alvorens een beslissing te nemen.
Bevatten het verzoek en het verhoor de benodigde informatie dan zal de rechtbank het verzoek beoordelen en haar beslissing schriftelijk meedelen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
6. Slotsom
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank ten aanzien van het onderhavige verzoek tot de volgende beslissing.
7. Beslissing
De rechtbank:
verleent ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW toestemming voor uitbreiding van de vervolging van [overgeleverde persoon] aan the Budapest Metropolitan Court (Hongarije).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken in openbare raadkamer van 18 november 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑11‑2021
Gevoegde zaken C-428/21 PPU (HM) en C-429/21 PPU (TZ), ECLI:EU:C:2021:876
Uitspraak 14‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Overlevering. Verzoek om toestemming voor uitbreiding van de feiten (artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ). De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het recht van de overgeleverde persoon om te worden gehoord.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751505-21
RK nummer: 21/2689
Datum uitspraak: 14 juli 2021
TUSSEN
BESLISSING
op het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, Overleveringswet (OLW). Dit verzoek is ingediend door the Budapest Metropolitan Court (Hongarije) op 13 april 2021 en betreft de uitbreiding van de vervolging van:
[Betrokkene]
geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1977
thans verblijvende in Hongarije
hierna te noemen de overgeleverde persoon.
1. Procesgang
Het verzoek is behandeld in raadkamer op 27 mei 2021, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
Op 10 juni 2021 is een tussenbeslissing door de rechtbank gewezen waarin het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, omdat de rechtbank meer tijd nodig had om zich te beraden op de beslissing.
Op 14 juli 2021 heeft de rechtbank in openbare raadkamer het onderzoek ter zitting gesloten en direct daarna uitspraak gedaan.
2. Beoordeling van het verzoek; verdedigingsrechten van de overgeleverde persoon
Toepasselijk Unierecht
I. Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit) van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, PbEG 2002, L 190/1, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ, PbEU 2009, L 81/24.
Artikel 11, tweede lid, en artikel 14 van dit Kaderbesluit zijn opgenomen in Hoofdstuk II (“Overleveringsprocedure”) en luiden als volgt:
Artikel 11
Rechten van de gezochte persoon
(…)
2. Een gezochte persoon die ter fine van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt aangehouden, heeft recht op bijstand van een raadsman en van een tolk, overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat.
Artikel 14
Horen van de gezochte persoon
Indien de aangehouden persoon niet instemt met zijn overlevering als bedoeld in artikel 13, heeft hij het recht overeenkomstig het nationale recht van de uitvoerende staat door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord.
Artikel 27, tweede, derde en vierde lid, van het Kaderbesluit is opgenomen in Hoofstuk 3 (“Gevolgen van de overlevering”) en luidt, voor zover van belang, als volgt:
Artikel 27
Eventuele vervolging wegens andere feiten
(…)
2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.
3. Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:
(…)
f) de gezochte persoon na zijn overlevering uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van bescherming van het specialiteitsbeginsel voor bepaalde, vóór zijn overlevering gepleegde feiten. De afstand wordt gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en wordt opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van die staat. De afstand wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan;
g) de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft, overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft.
4. Een verzoek tot toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en gaat vergezeld van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2. De toestemming wordt verleend indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt. Toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen.
Voor de in artikel 5 bedoelde situaties dient de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties te geven.
Toepasselijk nationaal recht
II. De Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de
Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Stb. 2004, 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij wet van 17 maart 2021, Stb. 2021, 155 (hierna: OLW) zet de bepalingen van het Kaderbesluit om.
Artikel 1, aanhef en onder g, OLW luidt als volgt:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
(…)
g. rechtbank: de rechtbank Amsterdam;
(…).
Artikel 14
1. Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij:
(…)
f. daartoe voorafgaand toestemming aan de rechtbank wordt gevraagd en deze is verkregen.
(…)
3. De officier van justitie vordert uiterlijk op de derde dag na ontvangst van een verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit om de in het eerste lid onder f, of het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming, schriftelijk dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. De officier van justitie legt daartoe het verzoek met bijbehorende vertaling aan de rechtbank over. De rechtbank geeft de in het eerste lid, onder f, of het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming ten aanzien van feiten waarvoor krachtens deze wet overlevering had kunnen worden toegestaan. De beslissing op een vordering wordt in elk geval binnen zevenentwintig dagen na de ontvangst ervan genomen. De officier van justitie brengt de beslissing van de rechtbank onverwijld ter kennis van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Artikel 25, eerste en derde lid, OLW is opgenomen in Hoofdstuk II, Afdeling 2 (“Procedure voor overlevering”), § C (“Beslissing over de overlevering”) en luidt als volgt:
Artikel 25
1. Het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar, tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of de rechtbank om gewichtige, in het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen sluiting der deuren beveelt.
(…)
3. Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.
(…)
Prejudiciële vragen
2.1
De betrokkene is onderdaan van Nigeria. Op 25 mei 2020 heeft de rechtbank Amsterdam zijn vervolgingsoverlevering aan Hongarije toegestaan wegens, kort gezegd, “witwassen van opbrengsten van misdrijven”. De betrokkene is op 25 juni 2020 daadwerkelijk overgeleverd aan Hongarije en bevindt zich daar sindsdien in detentie.
2.2
Op 13 april 2021 heeft een Hongaarse rechterlijke autoriteit verzocht om toestemming voor uitbreiding van de feiten als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en vierde lid, Kaderbesluit. Dit verzoek is op 4 mei 2021 door de rechtbank ontvangen. Het verzoek heeft betrekking op andere feiten die “witwassen van opbrengsten van misdrijven” opleveren en die zouden zijn gepleegd vóór de daadwerkelijke overlevering aan Hongarije. Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Kaderbesluit. Bij het verzoek is gevoegd een proces-verbaal van verhoor van de overleverde persoon door een Hongaarse rechterlijke autoriteit. Bij dit verhoor heeft de overgeleverde persoon, die werd bijgestaan door een advocaat, verklaard dat hij geen afstand wenste te doen van de bescherming van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit.
2.3
Op 1 april 2021 is in werking getreden de wet van 3 maart 2021 tot herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet).1.
2.4
Vóór die datum berustte de bevoegdheid om te beslissen over een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en vierde lid, Kaderbesluit bij de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, en derde lid (oud), OLW). Deze autoriteit kan echter niet worden aangemerkt als een “uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, tweede lid, Kaderbesluit, omdat zij in het kader van de uitoefening van haar beslissingsmacht individuele instructies kan ontvangen van de Minister van Justitie en Veiligheid. Naar aanleiding van het arrest Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)2.draagt de thans geldende OLW de bevoegdheid op aan de rechtbank Amsterdam (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, en derde lid (nieuw), OLW).
2.5
Afgezien van voorschriften over de te verstrekken gegevens, de vertaling en de beslistermijn, geeft artikel 27 Kaderbesluit noch enige andere bepaling van dat Kaderbesluit voorschriften over de procedure die de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet volgen bij het nemen van een beslissing op het verzoek.3.
2.6
Hetzelfde geldt voor de bepalingen van de OLW. De bepalingen over de behandeling van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) door de rechtbank Amsterdam verzekeren het recht van de opgeëiste persoon om ter zitting te worden gehoord en aldaar te worden bijgestaan door een raadsman voordat de rechtbank een beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB neemt, maar deze bepalingen, opgenomen in afdeling 2 (“Procedure van overlevering”) van Hoofdstuk II van de OLW (“Overlevering door Nederland”), zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 14, derde lid (nieuw), OLW, opgenomen in afdeling 1 (“Voorwaarden voor overlevering”) van Hoofdstuk II van de OLW.
2.7
Een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit de toestemming als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g en vierde lid, Kaderbesluit verleent, kan de vrijheid van de overgeleverde persoon aantasten, “aangezien zij een ander strafbaar feit betreft dan het feit dat die overlevering heeft gerechtvaardigd en tot een zwaardere veroordeling van de betrokkene kan leiden”.4.
2.8
Nu aan Kaderbesluit het beginsel ten grondslag ligt dat voor beslissingen betreffende EAB’s “alle waarborgen gelden die eigen zijn aan dit soort beslissingen, waaronder de waarborgen die voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen” en nu dit impliceert dat de beslissingen worden genomen “door een rechterlijke autoriteit die voldoet aan de eisen die inherent zijn aan effectieve rechterlijke bescherming”,5.neemt de rechtbank aan dat ook de procedure waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist over een verzoek als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g en vierde lid, Kaderbesluit moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming.
2.9
Het recht om gehoord te worden maakt deel uit van de rechten van de verdediging, die inherent zijn aan het recht op een effectieve rechterlijke bescherming.6.
2.10
Het onderhavige verzoek is het eerste verzoek waarop de rechtbank onder de thans geldende OLW moet beslissen.
2.11
Zoals gezegd, bevindt de betrokkene zich nu in Hongarije in detentie. Hij is niet opgeroepen voor en was niet aanwezig bij de behandeling van het verzoek door de rechtbank Amsterdam. Hetzelfde geldt voor de advocaat die de betrokkene in de eerdere overleveringsprocedure heeft bijgestaan. Namens de betrokkene is geen andere advocaat verschenen.
2.12
Tegen deze achtergrond rijst de vraag in welke lidstaat en op welke wijze de overgeleverde persoon zijn recht om gehoord te worden met betrekking tot een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g en vierde lid, Kaderbesluit moet kunnen uitoefenen.
2.13
Een mogelijke uitleg zou kunnen zijn dat het volstaat dat de overgeleverde persoon in de lidstaat waaraan hij is overgeleverd – in dit geval dus Hongarije – zijn recht om te worden gehoord kan uitoefenen en zijn eventuele bezwaren tegen uitbreiding van de feiten naar voren kan brengen in de procedure waarin een rechterlijke autoriteit van die lidstaat hem hoort over een eventuele afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit. Deze uitleg lijkt in overeenstemming met één van de twee mogelijkheden die advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona heeft voorgesteld om het recht om te worden gehoord te eerbiedigen, te weten dat “de reeds overgeleverde persoon de mogelijkheid [wordt] geboden om zich tegen die uitbreiding te verzetten bij de uitvaardigende autoriteit, voordat deze het verzoek naar de uitvoerende autoriteit stuurt”.7.Tegen deze uitleg zou men kunnen inbrengen dat de rechterlijke autoriteit in die procedure niet toetst of uitbreiding van de feiten is toegestaan. Wanneer de overgeleverde persoon geen afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel – zoals in dit geval –, is die toetsing immers aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
2.14
Een andere uitleg zou kunnen zijn dat de overgeleverde persoon zijn recht om te kunnen worden gehoord moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem heeft overgeleverd– in dit geval dus Nederland – in de procedure waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de betrokkene heeft overgeleverd, beslist over het verlenen van de verzochte toestemming en dat, wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit daarbij kan kennisnemen van een proces-verbaal van verhoor als bedoeld in de vorige overweging, de overgeleverde persoon dat recht voldoende heeft kunnen uitoefenen. Tegen deze uitleg zou men kunnen inbrengen dat een dergelijk verhoor niet is gericht op de toetsing van een verzoek om uitbreiding van de feiten, maar op het al dan niet afstand doen van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, zodat met de kennisneming van een dergelijk proces-verbaal het recht van de overgeleverde persoon om te worden gehoord onvoldoende is gewaarborgd.
2.15
Ten slotte zou een uitleg kunnen zijn dat de overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem heeft overgeleverd tijdens een door de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de betrokkene heeft overgeleverd te houden hoorzitting in het kader van de procedure waarin deze autoriteit over het verlenen van de verzochte toestemming beslist. Dit is de andere mogelijkheid die advocaat-generaalM. Campos Sánchez-Bordona heeft voorgesteld ter eerbiediging van het recht om te worden gehoord.8.Bij deze uitleg doen zich problemen van praktische aard voor. De betrokkene bevindt zich immers niet in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd. Het Kaderbesluit noch enige andere Unierechtelijke regeling biedt een wettelijke grondslag voor het horen van de betrokkene per videoconferentie of per telefoonconferentie. De ervaring van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam – die vóór 1 april 2021 bevoegd was om de beslissing op het verzoek te nemen – heeft geleerd dat de advocaat die een opgeëiste persoon in de overleveringsprocedure heeft bijgestaan zich na de daadwerkelijke overlevering doorgaans niet meer beschouwt als de al dan niet gemachtigde raadsman van die persoon. Het oproepen van die advocaat voor de behandeling van het verzoek is dan ook weinig zinvol. Het ambtshalve toevoegen van een advocaat om de afwezige overgeleverde persoon te vertegenwoordigen, is problematisch vanuit het oogpunt van de mogelijkheden van overleg tussen die advocaat en de betrokkene, die zich in het buitenland in detentie bevindt. In deze omstandigheden zou de uitleg dat de betrokkene zijn recht om te worden gehoord moet kunnen uitoefenen tijdens een hoorzitting in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd, kunnen leiden tot complicaties en vertragingen, terwijl de regels van artikel 27 Kaderbesluit niet zo mogen worden uitgelegd, dat “zij leiden tot een uitholling van het door het Kaderbesluit nagestreefde doel, dat erin bestaat de overleveringen tussen de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen, gelet op het wederzijdse vertrouwen dat er tussen hen moet bestaan”.9.Daarbij komt dat de beslissing op het verzoek
tot uitbreiding van de feiten ingevolge artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek moet worden genomen.
2.16
De hiervoor onder 12 opgeworpen vraag is niet “clair” of “éclairé”.
2.17
De rechtbank zal daarom de volgende vragen aan het Hof van Justitie voorleggen:
I. Moet artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zo worden uitgelegd dat:
- een overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot een verzoek om toestemming voor uitbreiding van de feiten moet kunnen uitoefenen in de uitvaardigende lidstaat wanneer een rechterlijke autoriteit van die lidstaat hem hoort over eventuele afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit of
- die persoon zijn recht om te kunnen worden gehoord moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de procedure over het verlenen van toestemming voor uitbreiding van de feiten?
II. Indien een overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot de beslissing op een verzoek om toestemming voor uitbreiding van de feiten, als bedoeld in artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd, op welke wijze moet die lidstaat hem daartoe dan in staat stellen?
Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure
2.18
De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.
2.19
De prejudiciële vragen hebben betrekking op een gebied als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU. De opgeëiste persoon bevindt zich thans in detentie in Hongarije. De rechtbank kan de beslissing op het verzoek om uitbreiding van de feiten als bedoeld in artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit niet nemen, zolang niet duidelijk is in welke lidstaat en op welke wijze de betrokkene zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot dat verzoek moet kunnen uitoefenen. De beslissing op het verzoek kan het recht op vrijheid van de opgeëiste persoon aantasten. Wanneer de rechtbank toestemming zou verlenen voor uitbreiding van de feiten, dan zou de overgeleverde persoon ook voor de toegevoegde feiten in voorlopige hechtenis kunnen worden genomen – hetgeen zou kunnen leiden tot een langere duur van de voorlopige hechtenis – en zou, in geval van veroordeling, een zwaardere straf kunnen worden opgelegd. Wanneer de rechtbank het verzoek zou afwijzen, dan zou de uitvaardigende lidstaat hem – in beginsel – niet in voorlopige hechtenis mogen nemen voor de feiten waarop het verzoek betrekking heeft en zou die lidstaat, in geval van veroordeling, een voor die feiten opgelegde vrijheidsstraf – in beginsel – niet ten uitvoer mogen leggen.10.Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen zal dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed zijn op de duur van de detentie van de betrokkene in Hongarije.
3. Slotsom
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
VERZOEKT het Hof van Justitie van de Europese Unie een antwoord te geven op de volgende vragen:
I. Moet artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zo worden uitgelegd dat:
- een overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot een verzoek om toestemming voor uitbreiding van de feiten moet kunnen uitoefenen in de uitvaardigende lidstaat wanneer een rechterlijke autoriteit van die lidstaat hem hoort over eventuele afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit of
- die persoon zijn recht om te kunnen worden gehoord moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de procedure over het verlenen van toestemming voor uitbreiding van de feiten?
II. Indien een overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot de beslissing op een verzoek om toestemming voor uitbreiding van de feiten, als bedoeld in artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd, op welke wijze moet die lidstaat hem daartoe dan in staat stellen?
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. N.M. van Waterschoot en C. Huizing-Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken in raadkamer van 14 juli 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑07‑2021
Stb. 2021, 125.
HvJ EU 24 november 2020, C-510/19, ECLI:EUC:2020:953 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)).
Conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 25 juni 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:494 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 86.
HvJ EU 24 november 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:953 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 62.
HvJ EU 24 november 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:953 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 49.
Conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 25 juni 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:494 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 87.
Conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 25 juni 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:494 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 90.
Conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 25 juni 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:494 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 90.
HvJ EU 28 juni 2012, C-192/12 PPU, ECLI :EU:C:2012:404 (West), punt 77.
HvJ EG 1 december 2008, C-388/08 PPU, ECLI:EU:C:2008:669 (Leymann en Pustovarov), punt 73.