Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:102 BW:Medeschuld
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:102 BW
Medeschuld
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 06-01-2026
Actueel t/m
06-01-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:102 BW
Voor de aansprakelijkheid van de verschillende personen gelden ten aanzien van ieder afzonderlijk de gewone regels van stelplicht- en bewijslastverdeling voor de desbetreffende aansprakelijkheid. Indien de verschillende personen voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, verbindt art. 6:102 BW daaraan het rechtsgevolg van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade, als uitzondering op de regel van art. 6:6 lid 1 BW waaruit verbondenheid voor gelijke delen zou volgen. Indien de benadeelde die hoofdelijkheid inroept zal hij daarom in theorie zo nodig moeten bewijzen dat de aangesprokene en andere veroorzakers ieder voor dezelfde schade aansprakelijk zijn. Dat is theorie, want in de praktijk laten zich niet goed situaties denken waarin dit tot een bewijslast leidt die de benadeelde niet reeds had uit hoofde van de grondslag waarop hij de aangesprokene(n) aansprakelijk stelt.
Een hoofdelijke schuldenaar heeft blijkens art. 6:10 lid 1 BW binnen zekere voorwaarden een regresrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaren. Voor stelplicht- en bewijslastverdeling ter zake daarvan wordt verwezen naar het commentaar op art. 6:10 BW. Op de hoofdelijke schuldenaar die een medeschuldenaar tot bijdragen aanspreekt rust volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast van feiten waaruit volgt dat de aangesprokene naast hem hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld. De regresnemende schuldenaar roept immers het rechtsgevolg van de hoofdelijkheid in, te weten de verplichting tot bijdragen in de onderlinge verhouding. De vaststelling van de omvang van de bijdrageplicht vergt een vooral juridische beoordeling aan de hand van de maatstaf van art. 6:101 BW. Op de regresnemende schuldenaar rusten in beginsel de stelplicht en bewijslast van relevante feiten voor de beoordeling van het deel dat de aangesprokene in de onderlinge verhouding aangaat. Zie overigens Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:101 BW, in het bijzonder wat betreft de toepassing van de billijkheidscorrectie.
Maar ook indien al wel over de aansprakelijkheid van de medeschuldenaar is geoordeeld in een procedure tussen de benadeelde en deze medeschuldenaar, kan deze medeschuldenaar zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde in de regresprocedure in beginsel nog betwisten. Het vonnis in een procedure tussen de benadeelde en de medeschuldenaar heeft in een regresprocedure tussen de regresnemer en de medeschuldenaar geen gezag van gewijsde. De regresnemer kan er geen rechten aan ontlenen. Iets anders is dat een dergelijk vonnis feitelijk wel enige reflexwerking zal hebben in de regresprocedure. Zo zouden aan dat vonnis feitelijke vermoedens kunnen worden ontleend die maken dat de elementen voor aansprakelijkheid voorshands bewezen worden geacht behoudens tegenbewijs.1 Het ligt praktisch gesproken ook niet erg voor de hand de aansprakelijkheid van de medeschuldenaar geheel opnieuw, los van een reeds tussen hem en de benadeelde gewezen vonnis, te gaan beoordelen, zeker niet indien in een procedure van de benadeelde tegen zowel de regresnemer als de medeschuldenaar over de aansprakelijkheid van beiden is geoordeeld.2 De medeschuldenaar zal dan wel met sterke argumenten moeten komen waarom over zijn aansprakelijkheid in de regresprocedure anders moet worden geoordeeld dan in het eerdere vonnis is aangenomen.
Omgekeerd kan de medeschuldenaar op wie regres wordt genomen ook aanvoeren dat de regresnemer niet aansprakelijk is jegens de benadeelde. Dat is dan een betwisting van de feitelijke grondslag van de vordering van de regresnemer. Ook hiervoor geldt dat dit betoog in beginsel nog kan worden gevoerd indien tussen de benadeelde en de regresnemer reeds bij vonnis (al dan niet met kracht van gewijsde) de aansprakelijkheid is vastgesteld. Dat vonnis heeft immers jegens degene op wie regres wordt genomen geen gezag van gewijsde. Ook hier geldt echter dat dat vonnis wel feitelijk een zekere reflexwerking zal hebben (zie hiervoor).
De bijdrageverplichting geldt overigens onder de voorwaarde dat de regresnemende schuldenaar meer dan het aandeel dat hem in de onderlinge verhouding aangaat aan de schuldeiser heeft voldaan. De stelplicht en bewijslast daarvan rusten eveneens op grond van de hoofdregel op de regresnemende schuldenaar. In de praktijk zal dat doorgaans geen problemen opleveren omdat degene op wie regres wordt genomen, voorwaardelijk pleegt te worden veroordeeld. Voorwaardelijk voor het geval de regresnemende schuldenaar zelf meer dan zijn aandeel aan de schuldeiser werkelijk heeft voldaan.3
Wat betreft de omvang van de bijdrageplicht geeft art. 6:102 lid 1 BW een bijzondere maatstaf door art. 6:101 BW van overeenkomstige toepassing te verklaren. De stelplicht en de bewijslast van de omvang van de bijdrageplicht rust in beginsel op de regresnemende schuldenaar. Zie voor de stelplicht en bewijslastverdeling in dat opzicht nader het commentaar op art. 6:101 BW.
Eigen schuld (lid 2)
Art. 6:102 lid 2 BW geeft voorschriften voor de wijze van verdeling indien tevens sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde. Het gaat daarbij vooral om door de rechter uit te voeren rekenexercities. Bijzondere vragen van stelplicht en bewijslast rijzen hierbij niet.
Zie over dit een en ander: W.H. van Boom, Hoofdelijke verbintenissen, Den Haag: Boomjuridisch 2016, 7.1 e.v. Zie over de figuur van het voorshands bewijsoordeel ook: Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht en bewijslast, 4.3.1 (Inleiding).
Ook in geval van een dergelijke subjectieve cumulatie blijft overigens formeel sprake van afzonderlijke, zij het gevoegde, procedures, waarbij het vonnis tegen de een geen gezag van gewijsde heeft tegen de ander.
Dat het regresrecht volgens HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196 niet een voorwaardelijk vorderingsrecht is in de zin van art. 6:21 BW, maar eerst ontstaat indien en voor zover de aangesprokene aan de benadeelde meer heeft voldaan dan hem in de onderlinge verhouding aangaat, hoeft aan een voorwaardelijke veroordeling niet in de weg te staan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:102 BW
Medeschuld
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 06-01-2026
06-01-2026
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:102 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 102
Aansprakelijkheid voor dezelfde schade (lid 1)
Voor de aansprakelijkheid van de verschillende personen gelden ten aanzien van ieder afzonderlijk de gewone regels van stelplicht- en bewijslastverdeling voor de desbetreffende aansprakelijkheid. Indien de verschillende personen voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, verbindt art. 6:102 BW daaraan het rechtsgevolg van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade, als uitzondering op de regel van art. 6:6 lid 1 BW waaruit verbondenheid voor gelijke delen zou volgen. Indien de benadeelde die hoofdelijkheid inroept zal hij daarom in theorie zo nodig moeten bewijzen dat de aangesprokene en andere veroorzakers ieder voor dezelfde schade aansprakelijk zijn. Dat is theorie, want in de praktijk laten zich niet goed situaties denken waarin dit tot een bewijslast leidt die de benadeelde niet reeds had uit hoofde van de grondslag waarop hij de aangesprokene(n) aansprakelijk stelt.
Als de benadeelde slechts ƩƩn persoon dagvaardt, zal hij voor de grondslag van zijn vordering reeds moeten stellen, en zo nodig bewijzen, dat de aangesprokene aansprakelijk is voor de schade. Art. 6:102 BW heeft dan geen ander effect dan dat de gedaagde zich niet gedeeltelijk van aansprakelijkheid kan ontdoen door aan te voeren dat een derde de schade mede heeft veroorzaakt. De door art. 6:102 BW voorgeschreven hoofdelijkheid snijdt die mogelijkheid nu juist af.
Als de benadeelde verschillende personen dagvaardt, is denkbaar dat ƩƩn of meer van hen aanvoert dat zij (ieder) slechts voor een (ander) deel van de schade aansprakelijk zijn. Vaak zal het dan gaan om kwesties van polycausaliteit. In dat geval zal de benadeelde om een hoofdelijke veroordeling van ieder voor het geheel te krijgen, ten aanzien van ieder van de gedaagden moeten stellen, en zo nodig bewijzen, dat zij de schade geheel hebben mede veroorzaakt, bijvoorbeeld doordat ieders gedraging condicio sine qua non voor het intreden van de gehele schade is geweest. Maar die stelplicht en bewijslast vloeien reeds voort uit bijv. art. 6:74 of 6:162 BW.
Regres
Een hoofdelijke schuldenaar heeft blijkens art. 6:10 lid 1 BW binnen zekere voorwaarden een regresrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaren. Voor stelplicht- en bewijslastverdeling ter zake daarvan wordt verwezen naar het commentaar op art. 6:10 BW. Op de hoofdelijke schuldenaar die een medeschuldenaar tot bijdragen aanspreekt rust volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast van feiten waaruit volgt dat de aangesprokene naast hem hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld. De regresnemende schuldenaar roept immers het rechtsgevolg van de hoofdelijkheid in, te weten de verplichting tot bijdragen in de onderlinge verhouding. De vaststelling van de omvang van de bijdrageplicht vergt een vooral juridische beoordeling aan de hand van de maatstaf van art. 6:101 BW. Op de regresnemende schuldenaar rusten in beginsel de stelplicht en bewijslast van relevante feiten voor de beoordeling van het deel dat de aangesprokene in de onderlinge verhouding aangaat. Zie overigens Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:101 BW, in het bijzonder wat betreft de toepassing van de billijkheidscorrectie.
Indien het gaat om hoofdelijkheid op de voet van art. 6:102 lid 1 BW valt verder het volgende op te merken. Het kan zijn dat de benadeelde in een procedure slechts ƩƩn persoon heeft aangesproken en de aangesprokene is veroordeeld tot vergoeding van schade. Indien de aangesprokene regres wil nemen op een ander die volgens hem mede-aansprakelijk is, ligt in de op hem rustende stelplicht en bewijslast ten aanzien van de hoofdelijkheid besloten dat hij moet stellen en zo nodig bewijzen dat degene die hij aanspreekt jegens de benadeelde aansprakelijk is tot vergoeding van dezelfde schade. Dat impliceert stelplicht en bewijslast ten aanzien van alle voorwaarden voor aansprakelijkheid voor zover die overeenkomstig de desbetreffende bepalingen op de benadeelde rust.
Maar ook indien al wel over de aansprakelijkheid van de medeschuldenaar is geoordeeld in een procedure tussen de benadeelde en deze medeschuldenaar, kan deze medeschuldenaar zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde in de regresprocedure in beginsel nog betwisten. Het vonnis in een procedure tussen de benadeelde en de medeschuldenaar heeft in een regresprocedure tussen de regresnemer en de medeschuldenaar geen gezag van gewijsde. De regresnemer kan er geen rechten aan ontlenen. Iets anders is dat een dergelijk vonnis feitelijk wel enige reflexwerking zal hebben in de regresprocedure. Zo zouden aan dat vonnis feitelijke vermoedens kunnen worden ontleend die maken dat de elementen voor aansprakelijkheid voorshands bewezen worden geacht behoudens tegenbewijs.1 Het ligt praktisch gesproken ook niet erg voor de hand de aansprakelijkheid van de medeschuldenaar geheel opnieuw, los van een reeds tussen hem en de benadeelde gewezen vonnis, te gaan beoordelen, zeker niet indien in een procedure van de benadeelde tegen zowel de regresnemer als de medeschuldenaar over de aansprakelijkheid van beiden is geoordeeld.2 De medeschuldenaar zal dan wel met sterke argumenten moeten komen waarom over zijn aansprakelijkheid in de regresprocedure anders moet worden geoordeeld dan in het eerdere vonnis is aangenomen.
Omgekeerd kan de medeschuldenaar op wie regres wordt genomen ook aanvoeren dat de regresnemer niet aansprakelijk is jegens de benadeelde. Dat is dan een betwisting van de feitelijke grondslag van de vordering van de regresnemer. Ook hiervoor geldt dat dit betoog in beginsel nog kan worden gevoerd indien tussen de benadeelde en de regresnemer reeds bij vonnis (al dan niet met kracht van gewijsde) de aansprakelijkheid is vastgesteld. Dat vonnis heeft immers jegens degene op wie regres wordt genomen geen gezag van gewijsde. Ook hier geldt echter dat dat vonnis wel feitelijk een zekere reflexwerking zal hebben (zie hiervoor).
De bijdrageverplichting geldt overigens onder de voorwaarde dat de regresnemende schuldenaar meer dan het aandeel dat hem in de onderlinge verhouding aangaat aan de schuldeiser heeft voldaan. De stelplicht en bewijslast daarvan rusten eveneens op grond van de hoofdregel op de regresnemende schuldenaar. In de praktijk zal dat doorgaans geen problemen opleveren omdat degene op wie regres wordt genomen, voorwaardelijk pleegt te worden veroordeeld. Voorwaardelijk voor het geval de regresnemende schuldenaar zelf meer dan zijn aandeel aan de schuldeiser werkelijk heeft voldaan.3
Wat betreft de omvang van de bijdrageplicht geeft art. 6:102 lid 1 BW een bijzondere maatstaf door art. 6:101 BW van overeenkomstige toepassing te verklaren. De stelplicht en de bewijslast van de omvang van de bijdrageplicht rust in beginsel op de regresnemende schuldenaar. Zie voor de stelplicht en bewijslastverdeling in dat opzicht nader het commentaar op art. 6:101 BW.
Eigen schuld (lid 2)
Art. 6:102 lid 2 BW geeft voorschriften voor de wijze van verdeling indien tevens sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde. Het gaat daarbij vooral om door de rechter uit te voeren rekenexercities. Bijzondere vragen van stelplicht en bewijslast rijzen hierbij niet.
Voetnoten
1.
Zie over dit een en ander: W.H. van Boom, Hoofdelijke verbintenissen, Den Haag: Boomjuridisch 2016, 7.1 e.v. Zie over de figuur van het voorshands bewijsoordeel ook: Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht en bewijslast, 4.3.1 (Inleiding).
2.
Ook in geval van een dergelijke subjectieve cumulatie blijft overigens formeel sprake van afzonderlijke, zij het gevoegde, procedures, waarbij het vonnis tegen de een geen gezag van gewijsde heeft tegen de ander.
3.
Dat het regresrecht volgens HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196 niet een voorwaardelijk vorderingsrecht is in de zin van art. 6:21 BW, maar eerst ontstaat indien en voor zover de aangesprokene aan de benadeelde meer heeft voldaan dan hem in de onderlinge verhouding aangaat, hoeft aan een voorwaardelijke veroordeling niet in de weg te staan.