Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling
Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/1.5:1.5 Onderzoeksopbouw en -methode
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/1.5
1.5 Onderzoeksopbouw en -methode
Documentgegevens:
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943400:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste deelvraag wordt in het eerstvolgende hoofdstuk behandeld. De verschillende verschijningsvormen van uitbesteding van werk worden dan uiteengezet mede ten behoeve van de afbakening van het onderzoek. Teneinde de verschillende verschijningsvormen in beeld te brengen, wordt allereerst geput uit de wet, waarin de juridisch gedefinieerde vormen vindbaar zijn. Literatuur, rechtspraak en parlementaire stukken vormen echter de voornaamste bron voor het in kaart brengen van de verschillende verschijningsvormen van uitbesteding van werk. Literatuur als bron moet daarbij ruim worden opgevat. Nu het gros van de verschijningsvormen niet juridisch gedefinieerde vormen zijn, zijn voor kennisneming van deze vormen bronnen van belang waarin verslag wordt gedaan van in de praktijk gesignaleerde vormen. Dergelijke bronnen zijn rapporten, adviezen en onderzoeken die door of voor de overheid zijn uitgevoerd of opgesteld, maar ook onderzoeken van vakbonden, journalistieke platformen, onderzoeksbureaus of anderszins maatschappelijke organisaties. Specifiek ten aanzien van de verschijningsvormen van uitbesteding van werk via online platformen vormen de websites van deze platformen en de daarop gepubliceerde informatie, zoals voorwaarden en overeenkomsten, een belangrijke bron van informatie.
In het derde hoofdstuk komt deelvraag 2 aan bod. Een toetsingskader wordt opgesteld, dat vervolgens toegepast kan worden bij beantwoording van de vierde deelvraag. Voor totstandkoming van dit toetsingskader wordt geanalyseerd in hoeverre in rechtsbronnen en bekende wetgevingsinitiatieven of -programma’s aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor een systematische arbeidsrechtelijke regulering van de uitbesteding van werk. Daarbij worden zowel nationale bronnen als uit de Europese Unie voortkomende bronnen geanalyseerd. Regulering van de uitbesteding van werk kan immers ook vanuit de EU tot stand komen, zoals al bleek ten aanzien van online platformen. De Europese Pijler van Sociale Rechten vormt in deze analyse een belangrijke inspiratiebron alsmede de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en nationale parlementaire stukken waarin reguleringskeuzes ten aanzien van de uitbesteding van werk worden toegelicht. Gezocht wordt naar een rode draad in de afwegingen die in deze bronnen worden gemaakt ten aanzien van de (geambieerde) regulering. Tezamen vormen deze bronnen inspiratie voor de totstandkoming van het toetsingskader.
Deelvraag 3 wordt in drie afzonderlijke hoofdstukken behandeld. Vanzelfsprekend gaat het de omvang van dit onderzoek te buiten de rechtspositie van arbeidskrachten in haar volledigheid te onderzoeken. Gekozen is daarom te focussen op een aantal fundamentele aspecten van de rechtspositie die direct van invloed zijn op de bestaanszekerheid van de arbeidskracht en ten aanzien waarvan de regulering bovendien geregeld ter discussie staat. Deze aspecten worden, verdeeld over hoofdstuk 4, 5 en 6, behandeld. In elk van deze hoofdstukken staat een ander aspect van de rechtspositie centraal. In die hoofdstukken wordt uiteengezet hoe het betreffende aspect van de rechtspositie per verschijningsvorm geregeld is. Vervolgens wordt door middel van toepassing van het toetsingskader per verschijningsvorm nagegaan of het aspect van de rechtspositie eventueel anders geregeld zou moeten zijn. Indien dat het geval blijkt te zijn, worden aanbevelingen voor wijziging van wet- en regelgeving geformuleerd. Deze aanbevelingen worden tevens schematisch weergegeven in de bijlage bij dit onderzoek.
In hoofdstuk 4 staan het loon voor werken en het pensioeninkomen centraal. Betaling van het loon is vanzelfsprekend een van de belangrijkste primaire arbeidsvoorwaarden. Loon voor werk is van essentieel belang voor de bestaanszekerheid van arbeidskrachten en is dan ook de voornaamste reden dat men werkt. Loon is bovendien een van de arbeidsvoorwaarden waar via uitbesteding van werk flink op kan worden geconcurreerd. Dat maakt het onderzoeken van deze arbeidsvoorwaarde uiterst relevant. Naast het loon voor werken, is voor de bestaanszekerheid ook essentieel dat sprake is van een inkomensvoorziening tijdens en bescherming tegen het ontstaan en voortbestaan van situaties waarin niet (meer) wordt gewerkt. Van dergelijke situaties is sprake ingeval van pensioen, ziekte of werkloosheid. Daarom is voorts gekozen het pensioeninkomen, het loon en de re-integratie tijdens ziekte en de ontslagbescherming in dit onderzoek per verschijningsvorm van uitbesteding van werk te onderzoeken. Het pensioeninkomen wordt tezamen met het loon voor werken in hoofdstuk 4 behandeld en getoetst aan de hand van het toetsingskader.
Hoewel pensioeninkomen vanuit arbeidsrechtelijk perspectief formeel niet als loon wordt aangemerkt, vervult het een belangrijke rol als inkomen van arbeidskrachten wanneer zij niet (meer) werken. Daarnaast valt pensioeninkomen wel onder het loonbegrip in andere rechtsperspectieven, zoals het Europese arbeidsrecht en in de Wet op de loonbelasting 1964.1 Bovendien wordt pensioen vaak aangemerkt als ‘uitgesteld loon’.
Dit hoofdstuk is wederom gebaseerd op onderzoek in wet, literatuur, rechtspraak en parlementaire geschiedenis, maar ook op cao’s en van toepassing zijnde overeenkomsten en voorwaarden.
Hoofdstuk 5 ziet op bespreking en toetsing van het loon en de re-integratie van zieke arbeidskrachten. Naast literatuur, jurisprudentie en parlementaire stukken, vormen de algemene voorwaarden van intermediairs, zoals uitzend- en payrollbureaus, een belangrijke bron van informatie over het loon en de re-integratie van zieke arbeidskrachten. Omdat het UWV een belangrijke regulerings- en monitoringsrol speelt bij de re-integratie van arbeidskrachten, worden ook enkele beleidsdocumenten van het UWV geanalyseerd.
In het zesde hoofdstuk wordt de ontslagbescherming besproken en getoetst. Teneinde deze in kaart te brengen worden de wet, in het bijzonder de Ontslagregeling, alsmede literatuur, rechtspraak, parlementaire stukken, cao’s en algemene voorwaarden van intermediairs geanalyseerd.
Tot slot worden de vierde en vijfde deelvraag tezamen beantwoord in hoofdstuk 7. De uitkomsten van de toetsing worden voor beantwoording van deelvraag 4 met elkaar vergeleken en voor beantwoording van deelvraag 5 met het Wetboek van Werk, de rapporten van de Commissie Regulering van Werk, de WRR en de SER en de plannen van de regering voor herziening van het arbeidsrecht. Op basis van deze vergelijkingen wordt gereflecteerd op het toetsingskader om zo tot beantwoording van de hoofdvraag te komen.
Dit onderzoek is afgesloten op 15 oktober 2023. Ontwikkelingen die na die datum plaatsvonden, zijn niet meer in dit onderzoek betrokken.