Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.1.2
1.1.2 ‘Billijkheidsuitzonderingen’
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS361959:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan het niet toepassen van een voorschrift door interpretatie; daarover gaat par. 1.5.7.
Vgl. Vrij (1947) 1980, p. 3, die gevallen waarin een rechtvaardigingsgrond van toepassing is ‘uitzonderingsgevallen’ noemt; Kamerstukken II 1981/82, 17496, 3, p. 10 (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1049): het leerstuk rechtsmisbruik beoogt ‘het de rechter mogelijk te maken uitzonderingen aan te brengen op veelal uit de wet voortvloeiende bevoegdheden die worden gehanteerd op een wijze die – kort gezegd – niet aanvaardbaar is’ (cursief FB); Hesselink 1999, p. 400: als ‘zich alle feiten uit de regel hebben voorgedaan, maar ook andere, die (in de ogen van de rechter) maken dat het door de regel gedicteerde rechtsgevolg niet op zijn plaats is’, aanvaardt de rechter ‘een uitzondering’; annotatie C.E. du Perron bij HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL 8168, NJ 2006/112 (Saelman): het buiten toepassing laten van de vijfjaarstermijn uit art. 3:310 lid 1 BW op grond van de redelijkheid en billijkheid is een ‘billijkheidsuitzondering’; HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524, Gst. 2010/29, m.nt. R.J.B. Schutgens, r.o. 3.4: ‘de parlementaire behandeling […] kan niet leiden tot een uitleg van de wet waarin een zo vergaande uitzondering op haar bewoordingen wordt aangenomen als belanghebbende voorstaat’ (cursief FB), een uitzondering werd aanvaard in de vorm van contra-legemwerking van het zorgvuldigheidsbeginsel (hoofdstuk 6, par. 6.3.1, c).
Vanzelfsprekend zijn de ‘billijkheidsuitzonderingen’ in dit onderzoek niet de correcties van de civielrechtelijke schadevergoedingsplicht bij eigen schuld krachtens art. 6:101 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt: ‘Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist’ (cursief FB). Toepassing van deze laatste zinsnede wordt meestal een ‘billijkheidscorrectie’ genoemd, maar ook wel eens een ‘billijkheidsuitzondering’ (bijv. conclusie A-G F.B. Ba-kels voor HR 30 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD5350; annotaties C.J.H. Brunner bij HR 1 juni 1991, ECLI:NL:HR:1990:AB7631, NJ 1991/720 en bij HR 24 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2260, NJ 1999/56).
Par. 1.4.
De term ‘billijkheidsuitzondering’ (en kortweg: ‘uitzondering’) wordt in dit onderzoek gebruikt voor het in een individueel geval om billijkheidsredenen buiten toepassing laten van een tekstueel toepasselijk, verbindend wettelijk voorschrift.1 In een uitzondering is het aristotelische inzicht herkenbaar, al zal het orgaan dat haar maakt, zich veelal niet van een link met Aristoteles bewust zijn. Voor ‘billijkheidsuitzondering’ is hier gekozen omdat deze term de belangrijkste aspecten van het aristotelische billijkheidsdenken tot uitdrukking brengt: als toepassing van een tekstueel toepasselijk wettelijk voorschrift in de ogen van de rechter in een individueel geval een evident onbillijke beslissing oplevert, maakt hij een uitzondering op het voorschrift door het buiten toepassing te laten.2
De term ‘billijkheidsuitzondering’ zou geassocieerd kunnen worden met het civiele recht, aangezien de notie ‘billijkheid’ zich daar manifesteert in het leerstuk van ‘de redelijkheid en billijkheid’ (zie onder andere art. 6:2 BW). Met de billijkheidsuitzonderingen in dit onderzoek wordt echter gedoeld op uitzonderingen in het gehele Nederlandse recht (waarvan art. 6:2 lid 2 BW wel een species is).3
Gaandeweg dit boek zal duidelijk worden dat voor billijkheidsuitzonderingen geen wettelijke grondslag nodig is. Dat volgt ook uit Aristoteles’ gedachtegang: de uitzonderingsbevoegdheid is inherent aan de bevoegdheid wetgeving toe te passen. Er worden echter ook uitzonderingen in dit onderzoek betrokken die wél een (grond)wettelijke grondslag hebben. De (grond-) wetgever kan immers expliciet de mogelijke wenselijkheid van een uitzondering hebben erkend. De grondslagen van uitzonderingen worden later uitgebreider behandeld.4