Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.3.2
2.3.2 Fiscale transparantie als middel en doel
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS381301:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De accountantsregelgeving spreekt veelal over het verkrijgen van ‘voldoende en geschikte controle informatie’; zie bijvoorbeeld Controle Standaard 500.4. De Nederlandse belastingdienst spreekt in het kader van boekenonderzoeken over ‘toereikende controle-informatie’. Belastingdienst, Handboek Controle, November 2016, p. 35. R.N.J. Kamerling, Handboek belastingcontrole (losbladige editie), p. 2.
Algemene wet inzake rijksbelastingen, Wet van 2 juli 1959 (AWR).
A.K.J.M. van Steenbergen, Legitimiteit en fiscale rechtshandhaving: Juridische en sociaalwetenschappelijke aspecten, 2013, p. 11-12.
R.N.J. Kamerling, Handboek belastingcontrole (losbladige editie), p. 2. ‘Wanneer een controlemedewerker voor zijn werkzaamheden namelijk louter en alleen zou zijn aangewezen op de vrijwillige medewerking van de belastingbetaler, dan zou zijn werk naar onze mening in veel gevallen een onmogelijke missie betekenen. Veel fiscaal relevante informatie zou buiten zijn gezichtsveld blijven en zo ook voor de Belastingdienst. En dat terwijl informatie het sleutelwoord is voor het heffen van belastingen.’
H.P.A.M. van Arendonk, Economische aspecten van belastingweerstand. In: Belastingontduiking: juridische, economische en psychologische aspecten van belastingweerstand, D.J. Hessing, H. Elffers en J.H. Christiaanse (red.), 1989, p. 1.
J.L.M. Gribnau, Rechtsbetrekking en rechtsbeginselen in het belastingrecht: rechtstheoretische beschouwingen over navordering, toezegging en fiscale vaststellingsovereenkomst (diss.), 1998, p. 266; zie ook J.L.M. Gribnau, Belastingmoraal en compliance: Het belang van legitimiteit van de Belastingdienst, WFR 2008/6790 p. 1325-1343.
De term ‘grenzeloos’ wordt ook in de letterlijke zin bedoeld: het verkrijgen van gegevens en inlichtingen over de landsgrenzen heen. E.C.J.M. van der Hel-van Dijk, Europese samenwerking en spelregels voor een intracommunautaire belastingcontrole (diss.), 2009.
Van vrijwillige medewerking is slechts sprake indien duidelijk is dat er daadwerkelijk, naar de perceptie van de gegevensverstrekker, geen verplichting daartoe bestaat. Hierbij past uiteraard geen verwijzing naar de AWR; laat staan het gebruiken van machtsmiddelen en het dreigen met sancties (zie onder meer HR 6 december 2000, LJN:AA8860, BNB 2001/53; HR 7 februari 2003, LJN:AF4117, BNB 2003/127).
G.J.M.E. de Bont, De informatievordering: de belastingplichtige als lijdend voorwerp?, Tribuut, oktober 2005, p. 22.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel van de leden Dezentjé Hamming- Bluemink en Groot houdende de wijziging van de Awb en enige andere wetten ten behoeve van de rechtsbescherming met betrekking tot de administratieplicht en controlehandelingen van de fiscus wordt de informatiehonger van de inspecteur in bepaalde situaties aangeduid als ‘Rupsje-Nooitgenoeg’ praktijken. Kamerstukken II 2010/11, 30 645, nr. 100, p. 8074.
Naar aanleiding van toenemende behoefte om (meer) recht te doen aan de belangenafweging, hebben de Tweede Kamerleden Dezentjé Hamming en Crone op 12 juli 2006 een initiatiefwetsvoorstel ingediend ‘ten behoeve van de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij controlehandelingen van de fiscus’, Kamerstukken II 2005/06, 30 645, nr. 2.
J.L.M. Gribnau, Legitieme belastingheffing: recht, governance en vertrouwen. In: MBB nr. 82(7-8), 2013, p. 203-216.
De begrippen Macht, gezag en heerschappij zijn elementen die behoren bij de ‘overheid’. Etymologisch betekent overheid: ‘zn. ‘magistraat, instantie waar het openbaar gezag berust’ mnl. Overheit ‘heerschappij’ in macht (…) ende overheit [1485: MNW}; vnnl. De overheyt oft overicheyt ‘de instantie waar het openbaar gezag berust’ [1573; Thes.]. Afleiding van ‘over’ in de betekenis ‘boven iets of iemand staande’ met het achtervoegsel ‘heid’ (philippa et al. (2003-2009). Etymologisch Woordenboek van het Nederlands.
E. Kirchler, E. Hoelzl en I. Wahl, Enforced Versus Voluntary Tax Compliance: The ‘Slippery Slope’ Framework, Journal of Economic Psychology 29, 2008, p. 210- 225 en J.L.M. Gribnau, Belastingen als moreel fenomeen, 2013, p. 107-108.
Elsevier Formeel recht, 2015, voorwoord.
Onrechtmatige overheidsdaad ex art. 6:162 lid 2 BW.
Zie bijvoorbeeld de relatie tussen ervaren disproportionaliteit in aard toezichtfrequentie van fiscale controles op de nalevingsbereidheid; dat kan het vertrouwen in de Belastingdienst uitwissen en de naleving ondermijnen, zie J.P. Mendoza, J.L. Wielhouwer en E. Kirchler, The Backfiring Effect of Auditing on Tax Compliance. Working paper, 2015, (https://ssrn.com/abstract=2597479).
Algemene wet inzake rijksbelastingen, wet van 2 juli 1959 (AWR).
J.L.M. Gribnau, Bijdragen aan een rechtvaardige belastingheffing, Reeks Jan Giele-lezing Amersfoort, 2007, p. 21.
R.E.C.M. Niessen, Fiscale handboeken, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, 2010, p. 223.
Kamerstukken II 2014/15, 34 000 IX, nr. 2, p. 40, De minister van Financiën bevordert, door inzet van de Belastingdienst, fiscale compliance door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.
E.A.M. Huiskers-Stoop, Horizontaal toezicht: een keuze tussen straffen en samenwerken, TFB 2013/2, p. 13.
A.K.J.M. van Steenbergen, Legitimiteit en fiscale rechtshandhaving: Juridische en sociaalwetenschappelijke aspecten, 2013, p. 11.
Zie onder andere Rapport Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, ministerie van Veiligheid en Justitie, Nieuwe technologieën in opsporing en veiligheidszorg, 3/16, juli 2016; zie ook intentieverklaring van 25 lidstaten van de Europese Unie tot samenwerking aan ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, de ‘Declaration of cooperation on Artificial Intelligence’, april 2018.
De staatssecretaris van Financiën in zijn bestuurlijke reactie conceptrapport Handhavingsbeleid Belastingdienst, Ministerie van Financiën, 10 november 2016, kenmerk 2016-0000199533.
Als voorbeeld noem ik de algemene regel voor het verdelen van de fiscale bewijslast; belasting verminderende omstandigheden dienen aannemelijk te worden gemaakt door belastingplichtige en verhogende omstandigheden daarentegen door de inspecteur.
Als verstrekkende bevoegdheden tot (verplichte) medewerking noem ik binnentreding en inbeslagneming (in zowel Wetboek van Strafvordering als AWR). In de Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden), ook genoemd de Wet BOB zijn verder strekkende bevoegdheden opgenomen die – zonder medeweten van betreffende personen – kunnen plaatsvinden, zoals observatie, infiltratie, pseudokoop, stelselmatig inwinnen van informatie en bevoegdheden in een besloten plaats ‘inkijken’. Een kenmerkende uitzondering voor deze sfeer is het zwijgrecht, ex art. 6 EVRM: dat geeft een legitieme beperking in de (verplichte) medewerking (zie par. 2.4.3).
Als uitzondering hierop geldt het zogenaamde ‘nemo tenetur-beginsel’. Zie voor uitgebreide beschouwingen daaromtrent L.C.A. Wijsman, Nemo tenetur in belastingzaken (diss.), 2017.
De Belastingdienst rekent opsporing van fiscale delicten – naast het heffen, uitkeren, innen en het uitoefenen van goederen toezicht [MS Douane]– tot zijn wettelijke taak. Het uitoefenen van toezicht maakt onderdeel uit van het uitoefenen van de wettelijke taak maar is onderscheidend aan het opsporen van fiscale delicten. Zie Overzicht van verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst, 24 mei 2018, p. 6, p. 20 en p. 25.
T.E. Rosier (red.), Grondslagen van het recht, Achtergronden, 2010, p. 148. Bij rechtvaardigheid gaat het om hetgeen personen aan elkaar verschuldigd zijn. Het ziet op de relaties tussen personen; eventuele plichten die personen zichzelf hebben opgelegd vallen hier niet onder. Het gaat om een verschuldigdheid waarbij er beperkingen worden opgelegd door de ander. Van die ander wordt vervolgens ook verwacht dat hij handelt overeenkomstig de daarbij geuite verwachtingen en voorwaarden.
HR 10 december 1974, LJN:AB4412, BNB 1975/52 (Stad Rotterdam); zie ook Rb. Breda 7 september 2012, LJN:BY0697.
Profiling is het construeren van profielen op basis van gegevens door middel van algoritmen ter ondersteuning van de besluitvorming (www.kennisagenda- belastingdienst.nl/kennis-uit-gegevens.php).
Het toepassen van ANPR gegevens is een voorbeeld van Big Data, zie S. Brinkhoff, Big data datamining door de politie, IJkpunt voor toekomstige opsporingsmethode, NJB 2016/994, p. 1401-1402. Een andere toepassing is iColumbo waarmee o.a. de Belastingdienst internetgegevens analyseert, zie E.J. Koops, G. Bodea, G. Broenink, C.M.K.C. Cuijpers, L. Kool, J.E.J. Prins en M.H.M. Schellekens, Juridische scan openbrononderzoek. Een analyse op hoofdlijnen van de juridische aspecten van de iRN/iColumbo-infrastructuur en HDIeF-tools. TILT 2012, p. 44-50 (https://pure.uvt.nl/ws/files/1498696/HDIeF_privacyscan_rapport_20120705def_cor. pdf) en Definitief Projectplan Verduurzaming iRN/iColumbo, Ministerie van Justitie en Veiligheid, 28 november 2011, p. 7 (www.nctv.nl/binaries/projectplan-verduurzamingirn-icolumbo_tcm31-30341.pdf).
Rb. Oost-Brabant, 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553. De rechter oordeelde: ‘Dat de Hoge Raad oog heeft voor de maatschappelijke ontwikkelingen en, bij gebreke aan voldoende heldere wettelijke kaders, open blijkt te staan voor het leveren van een bijdrage aan meer duidelijkheid bij het zoeken naar de balans tussen waarheidsvinding en bescherming van degenen die over de informatie beschikken, is recent gebleken uit een arrest van 13 september 2013, LJN:BZ9958. Het gaat daar om de mogelijkheid van bewijsbeslag in privaatrechtelijke kwesties en de daarbij in acht te nemen grenzen. De voorzieningenrechter onderkent natuurlijk dat de positie van de Belastingdienst gezien het bestaan van artikel 53 AWR niet gelijk is te stellen aan die van een procespartij in een privaatrechtelijke kwestie, maar een zekere mate van dwang tot het meewerken aan waarheidsvinding speelt ook in civiele kwesties (vgl. art. 21 en 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering) en vraagt ook daar om een balans tussen hetgeen inmiddels mogelijk is geworden en hetgeen aanvaardbaar is.’
HR, 18 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:885, 3.16. en conclusies van 16 augustus 2016 in drie zaken met nrs. 15/05826 (ECLI:NL:PHR:2016:853), 15/02068 (ECLI:NL: PHR:2016:884) en 15/02069 (ECLI:NL:PHR:2016:883).
Zie bijvoorbeeld EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98, par. 56, ECHR 2001-IX (P.G. en J.H. vs. Verenigd Koninkrijk).
Hof ’s-Hertogenbosch, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803. Het Hof sluit in zijn overweging aan bij de vaste jurisprudentie: ‘Het Hof stelt voorop dat uit de thans bekende jurisprudentie van de Hoge Raad niet lijkt te volgen dat het bevragen van een administratieplichtige op grond van art. 47 AWR ook in de ruime zin een strijd oplevert met art. 8 EVRM, nu een dergelijke inbreuk is gerechtvaardigd door de noodzaak in een democratische samenleving vanwege het belang van het economisch welzijn van het land. Verwezen kan onder meer worden naar HR 10 december 1974, BNB 1975/52 (Stad Rotterdam), en meer recent ook naar HR 28 januari 1998, BNB 1998/147 en HR 13 mei 2005, NJ 2005/423.’ Belanghebbende had geen argumenten aangevoerd om de rechtvaardigheid ter discussie te stellen en het hof oordeelde, ondanks de gewijzigde maatschappelijke situatie, in de lijn van de vaste maar gedateerde jurisprudentie. En daar bleef het bij. En dat terwijl de rechtbank de vordering juist had afgewezen met het oog op het verkrijgen van meer duidelijkheid in de balans tussen waarheidsvinding en bescherming van degenen die over de informatie beschikken.
J. de Zeeuw, Informatiegaring door de fiscus. Privacybescherming bij derdenonderzoeken. Registratiekamer, Achtergrondstudies en Verkenningen, 1998/8, p. 23; zie ook G.J. Zwenne, Belastingheffing en informatieverplichtingen: reikwijdte en begrenzing van informatiebevoegdheden in de verhouding tussen belastingdienst en banken (diss.), 1998; M.A. Wisselink, Privacybescherming bij fiscale derdenonderzoeken. Recente ontwikkelingen. In: MBB 1998/7; brieven van de Registratiekamer, V-N 1998, p. 3860.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, WRR-rapport nr. 95, Big Data in een vrije en veilige samenleving, 2016 p. 37-38.
EHRM 6 september 1978, nr. 5029/71 (Klass e.a. vs. Duitsland); EHRM 2 augustus 1984, nr. 8691/79 (Malone vs. Verenigd Koninkrijk). Zie met betrekking tot bewaren van gegevens: EHRM 16 februari 2000, nr. 27798/95 (Amann vs. Zwitserland).
Onder het begrip ‘fiscale toezichtgegevens’ versta ik in het kader van dit onderzoek de gegevens en inlichtingen die de Belastingdienst heeft verkregen van belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen, administratieplichtigen, publiekrechtelijke organen en buitenlandse belastingdiensten, ten dienste van het toezicht op de uitvoering van de eigen taak van belastingheffing en die al heeft opgenomen in de eigen bescheiden. In het algemeen hanteer ik voor de leesbaarheid het verzamel begrip ‘toezichtgegevens’ en alleen in die situaties dat een onderscheid in elementen noodzakelijk is, vermeld ik die afzonderlijk.
Onder het begrip ‘derden’ sluit ik in beginsel aan bij het fiscale begrip, zoals dat onder andere is bepaald door Rb. ’s-Gravenhage 28 december 1989, FED 1990/306; ‘Aangenomen moet worden dat met ‘derden’ slechts bedoeld is: anderen dan de belastinginspecteur en degene tot wie de vordering is gericht. Voor het door eiseres aangebrachte onderscheid tussen ‘derden’ en ‘vierden’ is in het recht geen steun te vinden. Aldus valt ook niet in te zien dat de vordering (…) wettelijke grondslag mist.’ De fiscale rechter sluit aan bij het algemene spraakgebruik, waar onder ‘derde’ wordt verstaan een persoon buiten de twee partijen die bij een handeling betrokken zijn. In juridische termen gaat het om ‘een ieder die buiten de handeling, verbintenis staat’. De twee handelende partijen zijn voor de toepassing van het derdenonderzoek de administratieplichtige en de Belastingdienst in zijn toezichthoudende rol. Een derde is naar deze definitie dus een ieder die buiten deze relatie staat, maar met wie de administratieplichtige een directe of indirecte relatie heeft.
Hof ’s-Hertogenbosch, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803, V-N 2014/ 43.6. ‘Daarbij is het niet van belang of de Belastingdienst ten tijde van het opvragen dan wel raadplegen van inlichtingen en gegevens bij een administratieplichtige ten behoeve van belastingheffing van derden nog niet weet of die inlichtingen en gegevens van belang zijn voor de belastingheffing bij een bepaalde belastingplichtige (HR 22 september 2006, BNB 2007/45).’ Dit is in tegenstelling tot de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg. De oproep van de rechtbank tot een maatschappelijke debat, was daarmee tevens beëindigd.
Rb. Zeeland-West-Brabant 8 maart 2017, nr. AWB-16-2732, V-N Vandaag 2017/ 1037.
C.P.M. van Houte, De Belastingdienst op fishing expedition, WFR 2005/6634, p. 1078; zie ook HR 22 september 2006, BNB 2007/45 (m.nt. Bijl) en vgl. E. Poelmann, De fiscale fishing expedition, TFB 2016/7, p. 8 e.v.
Hiertoe behoren volgens de wetgever ‘vragen die niet zijn geïndividualiseerd naar personen of lichamen en die al dan niet betrekking hebben op meer dan een jaar’, Kamerstukken II 1987/88, 19 393, nr. 3, p. 7-8.
Typerend is de prijs die de Belastingdienst in 2013 kreeg van de Bits of Freedom voor ‘het stofzuigen van parkeer- en kentekendata die door anderen is verzameld en eigenlijk gewist had moeten worden’, zie https://bba2013.bof.nl/2013/08/dit-zijn-de-winnaars-minister-opstelten-en-de-belastingdienst/index.html, geraadpleegd: 17 november 2017.
HR 10 december 1974, LJN:AB4412, BNB 1975/52 (Stad Rotterdam). Zie evenwel: Rb. Oost-Brabant 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553.
De Belastingdienst spreekt dan van een ‘derdenonderzoek’. Een administratieplichtige is dan verplicht om gegevens en inlichtingen te verstrekken ten behoeve van de belastingheffing van een ander. Een veelvoorkomende situatie is dat de Belastingdienst een onderzoek instelt bij leveranciers en/of afnemers van gecontroleerde. Andere voorbeelden van een veelvoorkomend derdenonderzoek is de dossierinzage bij een openbare accountant en inzage in het kredietdossier bij financiële instellingen. Onder het derdenonderzoek valt ook het laten uitvoeren van een onderzoek in het buitenland door een medewerker van de belastingdienst aldaar.
H. Kleven, C. Kreiner en E. Saez, Why can modern governments tax so much? An agency model of firms as fiscal intermediaries, NBER working paper, 15218, 2009.
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetging, Registratiekamer, 1999, p. 7.
In hoofdstuk 3 bepaal ik de reikwijdte van de taak van belastingheffing en bepaal de ‘ruimte’ om binnen die taakuitoefening gegevens (mede) te vergaren voor andere doeleinden.
Het in de praktijk gehoorde uitgangspunt dat bij fiscale overtreding ook andere regels overtreden worden, vindt geen wetenschappelijke fundering; regelovertreding is namelijk (veelal) domeingebonden. Zie bijvoorbeeld F. Geelhoed, Boerenbedrog, Spanningsvelden en domeingebonden regelovertreding onder varkenshouders, (Vrije Universiteit Amsterdam). 2017
Maatschappelijk aanvaard ‘machtsvertoon’
Het kunnen beschikken over toereikende informatie is voor de Belastingdienst een conditio sine qua non.1 De Belastingdienst verlangt in beginsel volledige fiscale transparantie voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak. De verplichting tot het verstrekken van die informatie is vanwege het onmiskenbare belang wettelijk verankerd.2 De bereidwillige aanlevering van relevante financiële informatie door burgers en bedrijven aan de Belastingdienst is daarbij onontbeerlijk.3 De Belastingdienst beschikt ook over mogelijkheden die informatie zonodig af te kunnen dwingen.4 Dat geldt met name voor de situaties waarin een be langentegenstelling bestaat tussen de Belastingdienst en degene die de informatie moet aanleveren.5 De informatieverstrekking vindt dan ook plaats vanuit een rechtsbetrekking met de Belastingdienst die gekenmerkt wordt door een asymmetrische verdeling van rechten en verplichtingen.6 Het gaat om uitgebreide en soms ingrijpende bevoegdheden.7 Vanuit dit perspectief bezien, heeft de Belastingdienst extensieve en in sommige situaties ‘grenzeloze middelen’ voor het vergaren van allerlei fiscaal relevante gegevens.8 Hoewel de Belastingdienst ook kan verzoeken om vrijwillige medewerking, verkrijgt hij ook veel gegevens onder verwijzing naar de wettelijke verplichtingen.9 In de maatschappelijke discussie noch in de literatuur staat echter ter discussie of de Belastingdienst deze bevoegdheden moet hebben om zijn taak naar behoren te kunnen vervullen.10
Ook in de parlementaire discussie rond de uitbreiding van de rechtsbescherming bij fiscale controlehandelingen, worden de aard en omvang van de bevoegdheden niet ter discussie gesteld. Dit laatste ondanks de karakteristieke kwalificatie van de belastinginspecteur als ‘Rupsje Nooitgenoeg’.11 Er wordt niet gesproken over een algemene inperking van de medewerkingsverplichtingen noch van de bevoegdheden: alleen de rechtsbescherming bij de uitoefening van die bevoegdheden moest worden versterkt.12
De reikwijdte van de wettelijke bevoegdheden van de Belastingdienst wordt klaarblijkelijk al jaren algemeen geaccepteerd: dit ondanks de kwalificatie als ‘ingrijpend’.13 In dit verband lees ik zelfs: ‘Zo de Staat een geweldsmonopolie heeft, zo heeft de Belastingdienst de macht om fiscale plichten af te dwingen. De Nederlandse belastingdienst heeft verregaande bevoegdheden om te handhaven en te sanctioneren. Het belang van dit verticale toezicht [MS: met de verplichte medewerking tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen] mag niet worden onderschat.’14 De aanwezigheid van wettelijk verankerde bevoegdheden en het (potentiële) gebruik ervan betekent dat de Belastingdienst over voldoende macht beschikt om het recht te kunnen handhaven.15 Dit is cruciaal voor het vertrouwen in de Belastingdienst en de compliance van de belastingplichtigen.16
De keerzijde van die bevoegdheden is neergelegd in rechtsbeschermende wettelijke bepalingen en de jurisprudentie.’17 Bij twijfels over de rechtmatige toepassing van bevoegdheden, kan een belastingplichtige het oordeel vragen van de fiscale rechter.18 Ook kan hij zich wenden tot de civiele rechter om de handelwijze van de
Belastingdienst te laten toetsen op rechtmatigheid.19 In dit verband merk ik op dat ook rechtmatig ‘machtsvertoon’ negatief kan worden ervaren en daardoor van negatieve invloed kan zijn op het fiscale nalevingsgedrag.20
Wettelijk gefundeerde ‘macht’ in uitvoering en toezicht
De reikwijdte van de bevoegdheden van de Belastingdienst heeft in de loop van de eeuwen zijn unieke vorm gekregen (zie par. 4.2.3 e.v.). Het fundament voor huidige wettelijke bevoegdheden is gelegd bij het tot stand komen van de AWR in de jaren vijftig van de vorige eeuw en is daarna steeds verder gemoderniseerd en uitgebreid.21 Hierin staan (nog steeds) de relatie van bevoegdheden voor de inspecteur (‘Belastingdienst’) en de verplichtingen van de belastingplichtige centraal; een stelsel dat een arsenaal aan ingrijpende maatregelen en sancties kent.22 Die afschrikking wordt echter nog steeds noodzakelijk (en effectief) geacht om de medewerking van de belastingplichtigen te verkrijgen.23 Het uitgangspunt dat burgers regels naleven uit angst voor de gevolgen van niet-naleving of uit morele instemming, combineert de Belastingdienst in het zogenoemde responsieve toezicht. Die vorm van toezicht gaat uit van vrijwillige naleving, maar houdt de mogelijkheid tot bestraffing achter de hand voor het geval dat nodig mocht zijn. Het handhaven door de Belastingdienst speelt zich af in alle vier de – de hierna te behandelen – sferen van uitvoering, toezicht, onderzoek en opsporing.24 Het gedrag van de ondertoezichtgestelde is bepalend voor de toezichtstrategie: samenwerken waar kan, straffen waar nodig.25 Het gebruik van de machtsmiddelen (‘dwang’) blijft ook in die benadering echter belangrijk. Hoewel in de huidige tijd van geautomatiseerde gegevensuitwisseling het toezicht in de virtuele omgeving een geheel andere dimensie heeft, blijft de Belastingdienst ‘machtig’ in zijn uitvoering en toezicht.26 Big Data lijkt één van de toverwoorden te zijn (zie hieronder). En dat naast ontwikkelingen als kunstmatige intelligentie.27 Een kleine nuancering is op haar plaats. Met de woorden van de staatssecretaris van Financiën plaats ik een kanttekening ‘(…) dat de buitenwereld zich niet helemaal laat vangen in data en daarmee in de informatiepositie van de Belastingdienst. Daarnaast geldt dat het gebruik van informatie door de Belastingdienst zijn grenzen kent zowel op grond van proportionaliteit als in de privacywetgeving.’28
Het fiscale toezicht kan vanuit dat perspectief plaatsvinden in de sfeer van de uitvoering, toezicht en onderzoek.
Fiscaal toezicht gepositioneerd binnen de handhavinssferen
Het fiscaal toezicht laat zich binnen de handhavingssferen niet eenvoudig positioneren. De benodigde informatie voor de taakuitoefening, als verzameling van vergaarde gegevens, is als een resultante te beschouwen van bevoegdheden en medewerkingsbereidheid. Dat verschilt per sfeer maar staat wel in relatie met elkaar. In de uitvoeringssfeer is vanwege het ‘eigen belang’ veelal sprake van een vrijwillige medewerking waarvoor weinig bevoegdheden zijn vereist.29 In de opsporingssfeer het tegenovergestelde.30 De sferen van (nalevings)toezicht en onderzoek zullen zich daartussen begeven. Dat bepaalt uiteindelijk de verzameling ‘beschikbare’ gegevens ten behoeve van het handhaven.
Dit is vereenvoudigd als volgt weer te geven:
Figuur 8: Fiscaal toezicht binnen de handhavingssferen
De fiscale bevoegdheden zijn niet gerelateerd aan een bepaalde handhavingssfeer. Het fiscale (uitvoerings)toezicht is zo breed dat het zich uitstrekt over de handhavingssferen van uitvoering, toezicht en onderzoek. Het fiscale uitvoeringstoezicht is gebaseerd op de verplichte transparantie (‘medewerking’) voor alle drie de sferen. Alleen de sfeer van de opsporing kent afwijkende – veelal verderstrekkende – medewerkingsverplichtingen (‘bevoegdheden’).31 En daarmee neemt de Belastingdienst een bijzondere positie in als ‘toezichthouder’.32
Een impressie van ongebreidelde fiscale transparantie
De Belastingdienst zal, net als andere ‘toezichthouders’, bij het inzetten van de handhavingsinstrumenten zijn bevoegdheden rechtvaardig en rechtmatig moeten aanwenden.33 De ‘informatiehonger’ van de inspecteur moet ‘gepast en geboden’ zijn. Die moet dienen voor de belastingheffing met een afweging van ieders belangen. Het individuele belang kan van ondergeschikt belang zijn voor het algemene maatschappelijke belang. De privacy van burgers is eind vorige eeuw expliciet van ondergeschikt belang verklaard aan het maatschappelijke belang van een juiste belastingheffing.34 Althans voor het vergaren van gegevens en inlichtingen.
In de tijd van de ‘Big Data’ analyse en ‘fiscale profiling’35 krijgen de bevoegdheden voor het vergaren van gegevens een dominante plaats.36 De bevoegdheid om deze gegevens vervolgens te gebruiken is echter van even groot belang. In de dynamiek van het huidige (elektronische) tijdsgewricht krijgen beide zaken echter een nieuwe dimensie. ‘Dat doet in de samenleving de vraag ontstaan naar begrenzing onder meer, maar niet uitsluitend, ten aanzien van de gegevens die mogen worden gebruikt en de wijze waarop het openbaar gezag dat mag doen. Anders gezegd, waar de vastgelegde informatie over burgers enorm is toegenomen, dringt zich in het maatschappelijk debat steeds meer de vraag op: wat is de hoofdregel van artikel 8 EVRM [MS: bescherming van de persoonlijke levenssfeer] voor de burger nog waard?’37 Het maatschappelijke belang van belastingheffing geeft blijkbaar niet zonder meer de grondslag voor het maken van een inbreuk op het fundamentele recht van privacy. Of een handeling een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer, hangt af van de vraag of de betrokkene mocht verwachten onbevangen zichzelf te kunnen zijn:38 oftewel van de vraag wat de ‘person’s reasonable expectations as to privacy’ zijn.39 Maatschappelijke gevoelens en ‘ervaringen’ zijn hiervoor dan ook van belang. Tot een dergelijk maatschappelijke debat is het echter tot nu toe nog niet gekomen.40 Maar duidelijk is dat de Belastingdienst deze belangen uitdrukkelijk moet afwegen;41 het al dan niet uitoefenen van de bevoegdheden moet vervolgens gepaard gaan met het treffen van waarborgen.42 Dit geldt temeer in een toenemende gedigitaliseerde omgeving waar de mogelijkheid voor dataopslag exponentieel groeit.43 De Belastingdienst hoeft zich bij de informatiegaring tevens niet te beperken tot belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen en administratieplichtigen, maar verkrijgt, desgewenst, gegevens van andere overheidsinstellingen en zelfs van buitenlandse belastingdiensten en aan Nederlandse ondernemingen gelieerde buitenlandse vennootschappen. Het vergaren van fiscale gegevens, evenals het bewaren daarvan, kan dan ook op velerlei wijze gepaard gaan met het inmengen in het persoonlijke domein.44
De wijze waarop de Belastingdienst de gegevens verkrijgt is zeer divers. Het grootste deel van de fiscale (toezicht)gegevens verkrijgt hij ‘automatisch’.45 De belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen dienen procesmatig, al dan niet op uitnodiging daartoe, periodiek hun aangiften in. Ook laat de Belastingdienst ‘automa tisch’ allerlei gegevens actief aanleveren door derden zoals banken en verzekeringsinstellingen.46 Het gaat daarbij ook om informatie die mogelijk van belang kan zijn voor een belastingplichtige.47 Met de ruime bevoegdheden is dat in de regel de kern bij het opvragen van gegevens en inlichtingen.48 Het uitvoeren van zogenaamde fishing expeditions – het ongedefinieerd hengelen naar informatie – behoort ‘maatschappelijk’ gezien niet tot de bevoegdheden van de Belastingdienst.49 Het stellen van serievragen 50 wordt echter het hanteren van een ‘sleepnettechniek’ op voorhand niet uitgesloten.51 En dat geeft de Belastingdienst de mogelijkheid tot het verkrijgen van allerlei ‘Big Data’ en ‘fiscale profiling’.52 Dit naast de mogelijkheid van de inspecteur om in specifieke situaties gegevens en inlichtingen te verkrijgen van derden.53 Naast deze repressieve vorm van toezicht blijkt dit ook een waardevolle bijdrage te leveren aan de compliance.54
Een grens voor de Belastingdienst ligt, met de woorden van de staatssecretaris van Financiën, in het ‘prudent’ gebruik.55 En, vanwege het karakter van systematisch verzamelen, in de wetgeving omtrent persoonsregistraties.56
Deze praktijk leidt ertoe dat de Belastingdienst voor het uitoefenen van zijn taak over een grote hoeveelheid (veelal vertrouwelijke) gegevens beschikt.57 Alles ten dienste van een algemeen maatschappelijk belang: een effectieve belastingheffing. De verkregen gegevens dienen dit belang en niet (per se) (alle) andere maatschappelijke belangen.58 De informatiewaarde beperkt zich dan ook veelal tot het fiscale domein. Dat zegt in beginsel niets over andere domeinen: zelfs niet wanneer de gegevens afkomstig zijn van een (fiscaal) niet-compliante belastingplichtige.59