Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief
Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.2:4.2 Hoofdstuk 6 van de grondwet
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.2
4.2 Hoofdstuk 6 van de grondwet
Documentgegevens:
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS497355:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.A. Levy, Handelingen der NJV 1883, deel II, p. 12.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 12 (Nng, deel 23, p. 16).
Zie C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 323.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 1-2, met verwijzing naar Hoofdstuk VII, p. 240-278 van het Eindrapport van de staatscommissie-Cals-Donner (1971).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De functie rechtspraak heeft, als een van de drie onderscheiden functies in een staat, altijd een eigen plaats gehad in de Nederlandse Grondwet. In het licht van de machtenscheiding is dat ook gewenst. De hoofdlijnen van de rechterlijke organisatie en haar bevoegdheid dienen grondwettelijk vast te liggen, zodat de regering en het parlement – immers behorend tot de andere staatsmachten – deze niet lichtvaardig kunnen wijzigen. De extra waarborg die de te volgen procedure voor grondwetswijziging inhoudt, is hier op zijn plaats. Van 1815 tot 1983 bestond het grondwetshoofdstuk ‘Van de Justitie’ uit twee paragrafen, te weten ‘Algemene beschikkingen’ en ‘Van den Hoogen Raad, de Hoven en Regtbanken’ (later ‘Van de rechterlijke macht’). Daarin was volgens Levy ‘een mozaïek van staatsrechterlijke aangelegenheden bijeengebracht, dat geen ander centraalpunt heeft dan de toevallige plaats, waarop zij in de Grondwet voorkomen’.1 Het grondwetshoofdstuk over de rechtspraak kende inderdaad bepalingen waarvan men de plaats, of zelfs het nut, in twijfel kon trekken. Met name in de eerste paragraaf stonden bepalingen die in de huidige Grondwet elders zijn opgenomen, onder meer in het hoofdstuk grondrechten. Voorschriften over bijvoorbeeld onteigening, het huisrecht en het briefgeheim stonden destijds in het hoofdstuk over rechtspraak wegens de exclusieve taak die daarbij voor de rechter was weggelegd. Veel belangrijker in het kader van de rechterlijke onafhankelijkheid waren de bepalingen uit de tweede paragraaf, die de rechtspositie van de leden van de rechterlijke macht betroffen, en nu nog grotendeels in hoofdstuk 6 van de Grondwet zijn terug te vinden.
De regering beoogde met het ontwerp van het hoofdstuk ‘Rechtspraak’ voor de huidige Grondwet een compleet beeld te geven van de verschillende vormen van berechting van overheidswege. Aldus werd aandacht geschonken aan de burgerlijke rechtspraak, de administratieve rechtspraak, de strafrechtspraak, het administratief beroep en door de overheid ingestelde tuchtrechtspraak.2 De drie laatstgenoemde vormen van berechting waren toen nieuwe elementen in de Grondwet. Iedereen was het er over eens dat de strafrechtspraak een duidelijke plaats verdiende in hoofdstuk 6 van de Grondwet, maar ten aanzien van het opnemen van het administratief beroep is dat – vanwege de bestuurlijke aard ervan – wel betwijfeld.3 De regering was echter van mening dat administratief beroep een plaats verdiende in hoofdstuk 6 van de Grondwet gezien de verwantheid ervan met administratieve rechtspraak. Al met al is de titel van hoofdstuk 6 misleidend. Want naast bepalingen inzake rechtspraak, vindt men er ook bepalingen die zien op besturen (administratief beroep, gratie), die een opdracht aan de wetgever in zich houden (inrichten van de rechterlijke macht, bevoegdheidsbepalingen, amnestie) en zelfs een grondrecht (verbod tot opleggen van de doodstraf), zij het dat er wel telkens een raakvlak met de rechtspraak is.
De memorie van toelichting bij het voorstel tot grondwetswijziging van 1983 stelt:
‘Bij de uitwerking van haar voorstellen heeft de staatscommissie als uitgangspunten genomen, dat van een grondwettelijke regeling van rechtspraak moet worden geëist, dat de hoofdlijnen van haar taak en organisatie voldoende vastliggen – zonder dat de wetgever te zeer in zijn mogelijkheden wordt beperkt – en voorts dat voldoende waarborgen zijn opgenomen ter verzekering van de belangen van justitiabelen. Deze uitgangspunten heeft zij uitgewerkt door (…) de bevoegdheid van de rechterlijke macht nauwkeurig vast te leggen en grondwettelijke waarborgen voor te stellen omtrent de onafhankelijkheid van de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast. (…) Op de rechters, die volgens de voorstellen van de staatscommissie niet tot de rechterlijke macht behoren, zoals de administratieve rechters en de militaire strafrechters, worden in die voorstellen de grondwettelijke onafhankelijkheidswaarborgen in beginsel van toepassing verklaard. Aan de wetgever wordt echter de bevoegdheid gegeven hiervan af te wijken. De genoemde uitgangspunten van de staatscommissie liggen ook ten grondslag aan onze voorstellen.’4
De rechterlijke onafhankelijkheid was begin jaren tachtig dus een van de uitgangspunten bij de vastlegging van de functie rechtspraak in de Grondwet.