Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.4.1:3.4.1 In beide landen geen eenduidige rechtsgrondslag
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.4.1
3.4.1 In beide landen geen eenduidige rechtsgrondslag
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394711:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit hoofdstuk 3.2.3 en 3.2.5 is gebleken dat Nederland worstelt met het vinden van een eenduidige (overtuigende) rechtsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. Uit hoofdstuk 3.3.3 blijkt dat er ook in Duitsland altijd discussie is geweest over het bestaan van de Körperschaftsteuer. Treffend vind ik de opmerking van Desens die aangeeft dat de Körperschaftsteuer vanaf haar bestaan tot nu wordt begeleid door een debat over de rechtvaardigheid.1 Kort samengevat, heb ik in Duitsland geen (andere) rechtsgrondslagen of zienswijzen ten aanzien van de Körperschaftsteuer en Gewerbesteuer gevonden, die ook van toepassing zouden kunnen zijn ten aanzien van de vennootschapsbelasting in Nederland. Gezien de gezamenlijke (fiscale) historie met Duitsland wat betreft de winstbelasting van lichamen is het mijns inziens ook niet verwonderlijk dat ik geen wezenlijke verschillen heb kunnen ontdekken in de aangevoerde rechtsgronden voor de vennootschapsbelasting en de Körperschaftsteuer (en de Gewerbesteuer). Datzelfde geldt voor de relatie met de inkomstenbelasting die in beide landen sterk aanwezig is. In beide landen geldt vandaag de dag een “semi’’ klassiek systeem, waarbij aan de inkomstenbelastingzijde rekening wordt gehouden met het feit dat reeds belasting is geheven.
Het ontbreken van een duidelijke rechtsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, respectievelijk Körperschaftsteuer en Gewerbesteuer zorgt er mijns inziens voor dat in beide landen niet, of in mindere mate voldaan is aan de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader. Onder die eis wordt (mede) verstaan dat van een wettelijke regeling de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen helder en volledig moeten worden geformuleerd. Dit lijkt mij niet het geval als een overtuigende rechtsgrondslag voor de belasting als geheel ontbreekt.
De bestaansreden van de vennootschapsbelasting kan in beide landen eigenlijk ontleend worden aan de feitelijke (complementaire) functie ervan.2 Deze keuze door Nederland en Duitsland voor een winstbelasting van lichamen is mijns inziens vanuit een praktisch en pragmatisch oogpunt begrijpelijk.