Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.5.3.1
3.5.3.1 Klassieke leer en jurisprudentie
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS592799:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HR 4 januari 1937, NJ 1937/586(Erik Schaaper); Korthals Altes 1944, p. 2; Korthals Altes 1956; Van der Grinten 1956, p. 209, Van der Ploeg 1961, p. 605; Asser/Van der Grinten 2-II 1980, p. 157; en Mohr 1987, p. 6.
HR 26 maart 1965, NJ 1966/328(De Rooy/De Rooy). Uitgebreid over dit arrest: Buining 1966.
In deze zin: Asser/Maeijer 5-V 1995/390 en 391; Heyman 1988, p. 20; en Heyman 2003, p. 209.
NJ-noot van J.M.M. Maeijer en JOR-noot van J.M. Blanco Fernández onder Hovuma/ Spreeuwenberg; Tervoort 2003a; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/390 en 405- 407; Van Olffen 2012, sub 3; en Assink | Slagter 2013, § 99.2, p. 1927.
Ook Van der Sangen 2005, p. 169 denkt niet in gemeenschapstermen.
De in Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/407 genoemde uitspraak Rb. Zwolle 3 september 2003, JOR 2003/278, NJ 2004/275(KCV) is evenmin duidelijk op dit punt.
Scheltema 1928, p. 60 en 71; en Van Brakel 1928, p. 303. Positief hierover bij de CV met één beherend vennoot: Wolfsbergen 1937; Mendel 1966; en Asser/Van der Grinten 2-II 1980, p. 157.
Volgens de klassieke leer dient ‘handelen in naam van de CV’ te worden opgevat als een bijzondere vorm van handelen in naam van de gewone vennoot. In de klassieke leer behoren goederen die in naam van een CV worden verkregen namelijk (slechts) toe aan de gewone vennoten en zijn alleen de gewone vennoten (en niet de commanditaire vennoten) de schuldenaren van de schulden die in naam van de CV zijn aangegaan.1
Mede naar aanleiding van het De Rooij-arrest uit 1965,2 is men hier anders over gaan denken. Verdedigd wordt dat de Hoge Raad in dit arrest impliciet heeft erkend dat bij een CV met één beherend vennoot sprake is van een vennootschappelijke gemeenschap. Men leidt dit af uit het door de partijen in die zaak gebruikte woord ‘verblijven’,3 ook al is de Hoge Raad in dit arrest helemaal niet ingegaan op de eigendomsverkrijging en de goederenrechtelijke verhoudingen. Het woord ‘verblijven’ werd gebruikt in de overeenkomst waarop het geschil betrekking had. Aan die overeenkomst (en het De Rooy-arrest) wordt in geen enkel opzicht geweld aangedaan, als men het ‘verblijven’ dat daar aan de orde was aldus opvat dat de commanditaire vennoot geen goederenrechtelijke aanspraken op het CV-vermogen verloor, maar (slechts) contractuele. In de zaak De Rooy waren de goederenrechtelijke verhoudingen niet relevant en ging het niet om de betekenis van handelen in naam van een CV. Dit arrest biedt volgens mij dan ook geen grond voor het verlaten van de klassieke leer. Zoals zal blijken, wil ik die leer wel om andere redenen verlaten.
Ook het arrest Hovuma/Spreeuwenberg, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de CV met één gewone vennoot een afgescheiden vermogen heeft, wordt door velen gezien als een bevestiging van hun visie dat bij de CV met één gewone vennoot sprake moet zijn van een goederenrechtelijke gemeenschap. Voor hen staat als een paal boven water dat een afgescheiden vermogen zonder gemeenschap niet denkbaar is.4 Volgens mij probeert men ook in dit geval iets uit de jurisprudentie te halen, dat er niet in zit.5 Een korte bespreking van het arrest kan dit verduidelijken.
Spreeuwenberg sluit als beherend vennoot in naam van de CV een overeenkomst waarin een boetebeding is opgenomen. Vervolgens wordt de CV ‘opgeheven’. Enkele jaren later beroept Spreeuwenberg (thans handelend in eigen naam) zich op het boetebeding. Het hof stelt dat Spreeuwenberg hoe dan ook bevoegd is ter zake van de vordering op te treden. Hetzij als beherend vennoot, dan wel na de ontbinding van de CV als de enig overgeblevene om de rechten voort te zetten en de plichten te vervullen. Volgens het hier relevante cassatiemiddel is Spreeuwenberg bij het beroep op het boetebeding juist niet ontvankelijk, omdat dit beroep (als het bestaat) niet toekomt aan hem persoonlijk, maar aan de CV. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Zou het hof hebben bedoeld dat Spreeuwenberg bevoegd was als beherend vennoot of vereffenaar in naam van de CV op te treden, dan is daarmee nog niet gezegd dat hij uit eigen hoofde mocht optreden. Zou het hof hebben bedoeld dat een CV met één beherend vennoot geen afgescheiden vermogen kent, dan ging het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. Verder gaat het oordeel van de Hoge Raad niet. Op de vraag of bij de CV met één gewone vennoot sprake is van een vennootschappelijke gemeenschap gaat de Hoge Raad dus niet in.6 En dat vermogensscheiding ook zonder gemeenschap bestaanbaar is, hebben Scheltema en Van Brakel in 1928 al uitgelegd.7