De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.5:5.5 Inleiding rechtsbescherming van de leerling
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.5
5.5 Inleiding rechtsbescherming van de leerling
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949469:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 31a, tweede lid, van de Wpo, artikel 7.8, tweede lid, van de Wvo 2020, artikel 4.1.a.1, tweede lid, van de Web en artikel 31a, tweede lid, van de Wec.
De Boer en Zoontjens 2015, p. 496.
Noorlander 2007, p. 36 en de Boer e.a. 2013, p. 9.
De Boer en Zoontjens 2015, p. 496.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het idee van de autonomie van de leraar bij het nemen van examenbeslissingen, zoals dit is vastgelegd in verschillende sectorwetten, is tevens terug te vinden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).1 In de Awb is bepaald dat geen beroep ingesteld kan worden tegen beslissingen inzake het kennen en kunnen van de student.2 Hieruit wordt afgeleid dat de rechter beoordelingsbeslissingen zeer terughoudend dient te toetsen om niet te treden in de inhoudelijke beoordeling van de examinator. Zoals beschreven in § 3.5 is dit idee inmiddels gecodificeerd in de Wpo, Wvo, Web en Wec. Hieruit vloeit voort dat de leraar een zelfstandige verantwoordelijkheid toekomt als het gaat om het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen.
Dat de leraar autonomie toekomt bij het beoordelen van de leerling speelt een grote rol bij de rechtsbescherming van de leerling inzake examenbeslissingen. Alvorens daar dieper op in te gaan wordt eerst in § 5.6 de vraag beantwoord of op deze beslissingen het bestuurs- of burgerlijk recht van toepassing is. Deze vraag is in het onderwijs niet eenduidig te beantwoorden. Uit artikel 23 van de Grondwet vloeit het duale onderwijsstelsel voort. Dit betekent dat het stelsel enerzijds bestaat uit van overheidswege gegeven openbaar onderwijs. Anderzijds bestaat het bestel uit bijzonder onderwijs dat middels privaat initiatief tot stand is gekomen. Dit levert spanning op.3 Hoewel alle scholen in hetzelfde onderwijsstelsel zitten en op hen per sector dezelfde onderwijswet van toepassing is, kunnen ze onder een ander regime vallen. Voor de rechtsbescherming van de leerling kan dit betekenen dat bij de ene school de leerling voor een geschil bij de burgerlijke rechter terecht moet, terwijl een leerling voor hetzelfde geschil bij een andere school naar de bestuursrechter moet.4 Dit terwijl leerlingen een kwetsbare groep zijn die behoefte hebben aan gemakkelijke, toegankelijke, eenduidige en kwalitatief hoogwaardige rechtsbescherming.5
Om te bepalen of het bestuurs- of burgerlijk recht van toepassing is, wordt in § 5.6 uiteengezet of het bevoegd gezag een bestuursorgaan is en of een examenbeslissing aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van de Awb. Vervolgens wordt in § 5.7 nader uitgewerkt waarom in het bestuursrecht geen beroep ingesteld kan worden tegen beslissingen inzake het kennen of kunnen van een leerling. Dit heeft een lange historie. Evenwel moet de regel dat geen beroep ingesteld kan worden tegen examenbeslissingen worden gerelativeerd. In § 5.8 wordt toegelicht dat in de praktijk de leerling in bepaalde gevallen met een geschil over een examen wel terecht kan bij de bestuursrechter, in andere gevallen is de burgerlijke rechter bevoegd. Het toepasselijke toetsingskader is mede afhankelijk van welke rechter bevoegd is.
In § 5.9 tot en met 5.11 wordt beschreven hoe de rechter de verschillende examens in de verschillende onderwijssectoren toetst en hoe het toetsingskader van zowel de burgerlijke als de bestuursrechter er uitziet. De precieze wijze van toetsen verschilt naargelang het examen dat in geding is en naar gelang de bevoegde rechter. Zo heeft het bevoegd gezag bij het schooladvies een zeer grote mate van beoordelingsvrijheid, terwijl bij het centraal examen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs een correctievoorschrift van het CvTE betrokken moet worden. Daarnaast kan de bestuursrechter in principe niet treden in de inhoud van de beoordeling, terwijl de burgerlijke rechter kan toetsen of de beoordeling evident onredelijk is. Ten slotte wordt in § 5.12 uiteengezet in hoeverre uit de jurisprudentie algemene beginselen van behoorlijke examinering afgeleid kunnen worden die als toetssteen voor examenbeslissingen kunnen dienen.