HR, 10-03-2026, nr. 25/02620
ECLI:NL:HR:2026:375
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2026
- Zaaknummer
25/02620
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:375, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:140
ECLI:NL:PHR:2026:140, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:375
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0074
Uitspraak 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder ander dan klager t.z.v. verdenking van rijden zonder rijbewijs, waarna auto in strafzaak tegen ander bij onherroepelijk vonnis verbeurd is verklaard. Bevoegdheid Rb. Is Rb bevoegd tot behandeling van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv, nu auto bij onherroepelijk vonnis van andere Rb verbeurd is verklaard? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Als gerecht dat bevoegd is tot afdoening van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv constateert dat sinds indiening daarvan betreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van ander zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer, moet dit klaagschrift worden opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. Indien dat gerecht, gelet op art. 552b.2 Sv, niet bevoegd is tot behandeling van zo opgevat klaagschrift dient het te bepalen dat griffier de stukken zal zenden naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht. In aanmerking genomen dat sinds indiening van klaagschrift de desbetreffende personenauto bij onherroepelijke beslissing is verbeurdverklaard, heeft Rb het klaagschrift aldus ten onrechte niet opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. HR bepaalt dat stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar (andere) Rb.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/02620 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2025, nummer 25/004672, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft de advocaat R. Moghni bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot bepaling dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de rechtbank Den Haag.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel strekt ertoe dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte niet heeft opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- bepaalt dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de rechtbank Den Haag.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Conclusie 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv tegen beslag ex art. 94 Sv op personenauto. Rechtbank heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard aangezien sinds indiening klaagschrift ex art. 552a Sv het voorwerp bij onherroepelijke beslissing is verbeurdverklaard in strafzaak tegen ander. Slagende klacht dat rechtbank klaagschrift ten onrechte niet heeft opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden beschikking en tot bepaling dat stukken ter verdere behandeling en afdoening worden gezonden naar o.g.v. art. 552b.2 Sv bevoegde gerecht.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02620 B
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de klaagster.
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Rotterdam (RK 25/004672), heeft bij beschikking van 26 mei 2025 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klaagster strekkende tot opheffing van het beslag op een personenauto van het merk Honda Civic met [kenteken] , met last tot teruggave aan klaagster, niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en R. Moghni, advocaat in Rotterdam , heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed, nu in een geval waarin de beklagrechter constateert dat sinds de indiening van het klaagschrift ex art. 552a Sv het voorwerp inmiddels bij onherroepelijke beslissing verbeurd is verklaard of is onttrokken aan het verkeer, het klaagschrift dient te worden opgevat als een klaagschrift ex art. 552b Sv.
2.2
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Procedure
Op 14 februari 2025 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 26 mei 2025 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. [Officier van Justitie] , de klaagster en de raadsman, mr. R. Moghni. zijn gehoord.
Feiten
Op 27 mei 2023 is te [plaats] onder een ander dan de klager, te weten [betrokkene 1] , beslag gelegd op het volgende voorwerp:
- Personenauto van het merk Honda Civic met [kenteken] .
Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
Dit beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek ter zake van rijden zonder rijbewijs.
Standpunt klaagster
Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klaagster van de personenauto. Aangevoerd is dat de klaagster de rechtmatige eigenaar is van de auto en dat er sprake is van disproportionaliteit tussen de belangen die worden gediend met de inbeslagname en de belangen van de klaagster. De personenauto heeft een grote sentimentele waarde voor haar. Het feit dat de auto reeds verbeurd is verklaard in de inhoudelijke zaak van de beslagene doet hier niet aan af. De klaagster is geen verdachte geweest en heeft wel baat bij een gegrondverklaring. Op die manier kan zij een schadevergoeding vorderen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beklag.
Ontvankelijkheid
Bij vonnis van 1 april 2025 is in de strafzaak tegen een ander dan de klaagster, te weten [betrokkene 1] . met betrekking tot de inbeslaggenomen personenauto beslist dat deze verbeurd verklaard dient te worden. De rechtbank kan daarom geen beslissing meer nemen over het inbeslaggenomen voorwerp. De aard van de beklagprocedure, die ziet op een voorlopig rechterlijk oordeel over het beslag, brengt immers met zich mee dat op het klaagschrift geen (andersluidend) oordeel meer kan volgen. Daartoe is niet van belang of de beslissing al dan niet onherroepelijk is. De klaagster zal om die reden niet ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de klaagster niet ontvankelijk in het beklag.”
2.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 26 mei 2025 vermeldt verder het volgende:
“De rechter stelt:
U heeft een klaagschrift ingediend dat ziet op het beslag op uw auto. De auto heeft een getaxeerde waarde van € 5.000.-. In de stukken zie ik dat u al eerder bij de rechtbank Den Haag bent geweest. Is deze rechtbank volgens u bevoegd?
De raadsman stelt:
Voor zover ik weet is destijds beslag gelegd in [plaats] , maar kan op basis van het domicilie adres ook een klaagschrift worden ingediend. Daarom hebben we het klaagschrift in [plaats] ingediend. De officier van justitie heeft niets opgemerkt over de bevoegdheid.
De rechter vraagt:
Klopt het dat de rechtbank Den Haag een beslissing heeft genomen omtrent onderhavig beslag?
De raadsman stelt:
Dat klopt. Ik meen echter dat er toch nog een bevoegdheid is om te beslissen door tijdsverloop. Er is toen geen inhoudelijke beslissing genomen. Het beklag is niet- ontvankelijk verklaard op 9 april 2024.
De rechter stelt:
Ik zie dat er nog een beslissing is van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023. Het beklag is toen ongegrond verklaard.
De officier van justitie stelt:
De beslissing van 26 september 2023 is op 24 maart 2024 onherroepelijk geworden. Op 1 april 2025 is het voertuig tevens verbeurdverklaard bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen [betrokkene 1] . [betrokkene 1] werd bijgestaan door uw kantoorgenoot mr. [plaats] .
De raadsman stelt:
Dit is mij allemaal onbekend.
De rechter stelt:
Normaliter wordt het klaagschrift behandeld voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. In dit geval heeft de strafrechter echter al een beslissing genomen, te weten de verbeurdverklaring van het voertuig. Dit betekent dat er voor mij geen ruimte is om een andere beslissing te nemen. Dat is voor u een vervelende conclusie.
De raadsman stelt:
Ik doe een beroep op bijzondere omstandigheden. De strafrechter heeft een beslissing genomen in de strafzaak van iemand anders dan klaagster. De klaagster is nooit verdachte geweest. Dit was voor haar de enige mogelijkheid om haar auto terug te krijgen. Ik meen dat de inhoudelijke behandeling niet af doet aan het feit dat ze via uw beslissing theoretisch een gegrondverklaring kan krijgen. Op die manier kan ze een schadevergoeding ontvangen.
De rechter spreekt de beslissing van de rechtbank uit.”
2.4
Op 27 mei 2023 is te [plaats] de personenauto met [kenteken] op grond van art. 94 Sv onder een ander dan klaagster, te weten onder [betrokkene 1] , in beslag genomen in verband met een verdenking van rijden zonder rijbewijs. Op 14 februari 2025 is – na twee eerdere klaagschriftprocedures – een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend bij de rechtbank [plaats] waarin opheffing van het beslag en teruggave aan klaagster is verzocht. Alvorens dit beklag in raadkamer werd behandeld, heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag op 1 april 2025 in de strafzaak tegen [betrokkene 1] de inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard.1.Nu de verdachte en de officier van justitie afstand hebben gedaan van het recht om hoger beroep in te stellen is deze uitspraak op 1 april 2025 onherroepelijk geworden. Het klaagschrift van klaagster is vervolgens op 26 mei 2025 in raadkamer behandeld. Op diezelfde datum heeft de beklagrechter klaagster op de onder 2.2 weergegeven grond niet-ontvankelijk verklaard.
2.5
Als het gerecht dat bevoegd is tot afdoening van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv constateert dat sinds de indiening daarvan de betreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van een ander zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer, moet dit klaagschrift worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. Indien dat gerecht, gelet op het tweede lid van dat artikel, niet bevoegd is tot behandeling van het zo opgevatte klaagschrift dient het te bepalen dat de griffier de stukken zal zenden naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht.2.
2.6
In aanmerking genomen dat sinds de indiening van het klaagschrift de desbetreffende personenauto bij onherroepelijke beslissing is verbeurdverklaard, heeft de rechtbank het klaagschrift aldus ten onrechte niet opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
3. Afronding
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot bepaling dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de rechtbank Den Haag.3.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑02‑2026
Zie HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284, rov. 6.4, nadien in iets andere bewoordingen herhaald in HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3419, rov. 2.3, HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1370, rov. 2.3, HR 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1559, rov. 2.3, HR 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:30, rov. 2.3 en HR 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:35, rov. 2.2. In al deze latere gevallen betrof het overigens een situatie waarin de strafzaak waarin het voorwerp verbeurd is verklaard of is onttrokken aan het verkeer pas in de cassatiefase van de beklagzaak onherroepelijk is geworden.