Gerechtshof Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2802.
HR, 13-12-2024, nr. 24/01051
ECLI:NL:HR:2024:1866
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-12-2024
- Zaaknummer
24/01051
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1866, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑12‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2802
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1024
ECLI:NL:PHR:2024:1024, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1866
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑02‑2024
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2024-0251
JPF 2025/40 met annotatie van mr. E.J.M. Cornelissen
JIN 2025/54 met annotatie van mr. R. Swager
Notamail 2024/254
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/622
PFR-Updates.nl 2024-0217
Uitspraak 13‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. Moet bij waardering van echtelijke woning rekening worden gehouden met door vrouw aan haar ouders verleend voorkeursrecht tot koop van grond? Heeft man stilzwijgend ingestemd met voorkeursrecht? Passeren bewijsaanbod.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01051
Datum 13 december 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken FA RK 21-1166 / C/09/607729 en FA RK 21-4414 / C/09/614354 van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022;
b. de beschikking in de zaak 200.314.806/01 van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2023.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2003 gehuwd in gemeenschap van goederen.
(ii) In 2017 hebben de ouders van de vrouw aan de vrouw een perceel grond geleverd tegen een koopprijs van € 90.000,--. De grond valt in de gemeenschap van goederen. Op het perceel is, na wijziging van de publiekrechtelijke bestemming, de echtelijke woning gebouwd. De bouw van de woning is in 2020 voltooid.
(iii) Bij notariële akte van 6 april 2020 heeft de vrouw aan haar ouders een voorkeursrecht tot koop op de grond verleend. Het voorkeursrecht houdt kort gezegd in dat als de vrouw het voornemen heeft de echtelijke woning te vervreemden, de ouders als eerste het recht hebben de grond te kopen voor € 90.000,--.
(iv) In een taxatierapport van 5 oktober 2020 is de echtelijke woning per die datum gewaardeerd op € 490.000,-- rekening houdende met het voorkeursrecht en op € 1.050.000,-- zonder rekening te houden met het voorkeursrecht.
2.2
In deze echtscheidingsprocedure verzoekt zowel de vrouw als de man vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Daarbij is in het bijzonder in geschil welke waarde van de echtelijke woning bij de toedeling daarvan in aanmerking moet worden genomen.
2.3
De rechtbank heeft de woning aan de vrouw toegedeeld op basis van de waarde zonder rekening te houden met het voorkeursrecht, onder de verplichting de helft van de overwaarde – € 1.050.000,-- minus de hypothecaire schuld – aan de man te voldoen.
2.4
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.1.Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
De vrouw stelt dat het vestigen van het voorkeursrecht een voorwaarde was voor haar ouders voor de verkoop van de grond aan de vrouw. De vrouw stelt dat de man daarvan van meet af aan op de hoogte was en daartegen nimmer bezwaar heeft gemaakt. De man is volgens de vrouw betrokken geweest bij de onderhandelingen tussen de vrouw en haar ouders en was van meet af aan op de hoogte van alle afspraken tussen de vrouw en haar ouders. Volgens de vrouw heeft de man feitelijk ingestemd met de gang van zaken. (rov. 5.6)
De man heeft uitdrukkelijk betwist dat hij op de hoogte was van het vestigen van het voorkeursrecht. De man is weliswaar nauw betrokken geweest bij de plannen rondom de koop van de grond en het realiseren van de echtelijke woning op de grond, maar het vestigen van een voorkeursrecht tot koop is daarbij volgens de man nimmer ter sprake gekomen. (rov. 5.7)
De vrouw had voor het vestigen van het voorkeursrecht toestemming van de man nodig op de voet van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder a, BW. De toestemming is in beginsel vormvrij, maar moet op grond van art. 1:88 lid 3 BW schriftelijk of langs elektronische weg worden verleend indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft. (rov. 5.8 en 5.9)
Partijen hebben samen, met de ouders van de vrouw, een lang traject doorlopen om de bouw van de echtelijke woning op de van de ouders van de vrouw gekochte grond te realiseren. De vrouw heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk gemaakt dat in dat traject ook het vestigen van een voorkeursrecht op de grond is besproken en dat de man daarvan op de hoogte was, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven. (rov. 5.10 en 5.11-5.13)
Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw omdat het enkel betrekking heeft op haar stelling dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond is verkocht en derhalve niet op de vraag waar het in deze zaak om draait, namelijk of de man toestemming heeft gegeven voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond. (rov. 5.15)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het hof heeft kennelijk tot uitgangspunt genomen dat voor het antwoord op de vraag of het voorkeursrecht betrokken moet worden bij de waardering van de echtelijke woning, beslissend is of de man heeft ingestemd met het verlenen daarvan. Dat uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
3.2
Onderdeel I van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.11) dat de vrouw niet reeds aannemelijk heeft gemaakt dat de man op de hoogte was van het vestigen van het voorkeursrecht, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven.
De klachten van het onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.3.1
Onderdeel II is gericht tegen rov. 5.15 waarin het hof het bewijsaanbod van de vrouw heeft gepasseerd. Het onderdeel klaagt dat hof heeft miskend dat de te bewijzen aangeboden stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de ouders van de vrouw de grond hebben verkocht, wel degelijk van belang is bij de beantwoording van de vraag of de man stilzwijgend akkoord is gegaan met het voorkeursrecht.
3.3.2
Zoals het hof in rov. 5.6 heeft vermeld, heeft de vrouw gesteld dat het voorkeursrecht een voorwaarde was voor de verkoop van de grond door haar ouders, dat de man daarvan van meet af aan op de hoogte was en daartegen nooit bezwaar gemaakt heeft en feitelijk heeft ingestemd met de gang van zaken. De man heeft, naar de vaststelling van het hof, gemotiveerd betwist dat hij op de hoogte was van het verlenen van het voorkeursrecht (rov. 5.7 en 5.11).
3.3.3
De vraag of de man in de door de vrouw gestelde omstandigheden heeft ingestemd met het verlenen van het voorkeursrecht, althans of de vrouw erop mocht vertrouwen dat de man daarmee instemde, moet worden beantwoord aan de hand van de art. 3:33 BW en 3:35 BW (de wilsvertrouwensleer). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Instemming met het voorkeursrecht kan gelegen zijn in een handelen, maar ook een niet-handelen van de man. Daarbij is van belang of de man, zoals de vrouw heeft gesteld, van meet af aan op de hoogte was van het voorkeursrecht als voorwaarde voor de verkoop van de grond door haar ouders.
Het oordeel van het hof dat die door de vrouw te bewijzen aangeboden stelling geen betrekking heeft op de vraag of de man toestemming heeft gegeven voor het verlenen van het voorkeursrecht, geeft daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk. Onderdeel II slaagt.
3.4
Onderdeel III heeft geen zelfstandige betekenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑12‑2024
Conclusie 04‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. Waardering echtelijke woning. Voorkeursrecht tot koop. Toestemming andere echtgenoot krachtens art. 1:88 BW.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01051
Zitting 4 oktober 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de vrouw]verzoekster tot cassatie,hierna: de vrouw,advocaat: mr. H.J.W. Alt
tegen
[de man]verweerder in cassatie,hierna: de man,advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.
1. Inleiding en samenvatting
In deze echtscheidingsprocedure twisten partijen over de vraag hoe de echtelijke woning gewaardeerd moet worden. Niet in geschil is dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld, waarbij de vrouw de helft van de overwaarde aan de man moet voldoen. Volgens de vrouw dient bij de waardebepaling van de echtelijke woning rekening te worden gehouden met een voorkeursrecht tot koop op de grond waarop de woning is gebouwd, zodat de woning gewaardeerd moet worden op € 490.000,-. De man stelt zich op het standpunt dat geen rekening gehouden moet worden met het voorkeursrecht, omdat hij daarvan niet op de hoogte was en niet heeft ingestemd met de verlening ervan, waardoor de woning gewaardeerd moet worden op € 1.050.000,-. Rechtbank en hof hebben geoordeeld dat bij de verdeling moet worden uitgegaan van een waarde van € 1.050.000,-. De vrouw komt met diverse rechts- en motiveringsklachten op tegen dit oordeel. Naar ik meen zijn de klachten tevergeefs voorgesteld.
2. Feiten
2.1
Partijen zijn gehuwd op 19 juni 2003 te Leidschendam-Voorburg. Ze zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.1.
2.2
Op 6 september 2017 is bij notariële leveringsakte2.door de ouders van de vrouw een perceel grond (hierna: de grond) geleverd aan de vrouw. De leveringsakte vermeldt alleen de vrouw en niet ook de man. De grond is in de gemeenschap van goederen van partijen gevallen, waardoor de man mede-eigenaar daarvan is geworden. Op de grond is de echtelijke woning van partijen gebouwd. De bouw van de woning is in 2020 voltooid.3.
2.3
Op 6 april 2020 is bij notariële akte4.door de vrouw ten behoeve van haar ouders een voorkeursrecht tot koop op de grond verleend.5.
2.4
In het taxatierapport van 5 oktober 2020 zijn per waardepeildatum van 5 oktober 2020 twee marktwaardes voor de echtelijke woning vermeld: een marktwaarde van € 490.000,- waarbij wel rekening is gehouden met het voorkeursrecht tot koop en een marktwaarde van € 1.050.000,- waarbij geen rekening is gehouden met het voorkeursrecht tot koop.6.
3. Procesverloop
3.1
De vrouw heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 18 februari 2021 bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank), verzocht de echtscheiding uit te spreken met een aantal nevenvoorzieningen, waaronder − voor zover in cassatie van belang − de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waartoe de echtelijke woning behoorde.
3.2
De man heeft een verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift ingediend, waarbij hij heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken met een aantal nevenvoorzieningen, waaronder − voor zover in cassatie van belang − de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder de grond en de echtelijke woning.
3.3
De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022. Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal is opgemaakt.
3.4
De rechtbank heeft bij beschikking van 9 juni 20227.de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en – voor zover in cassatie van belang − de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. In dat kader is de echtelijke woning aan de vrouw toegedeeld onder de voorwaarde dat zij kan aantonen dat zij in staat is de aan de woning verbonden hypothecaire lening voor haar rekening te nemen onder ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor die lening, waarbij de vrouw de helft van de overwaarde van de echtelijke woning – zijnde de taxatiewaarde van € 1.050.000,- minus de schuld van de hypothecaire geldlening – aan de man moet voldoen.
3.5
Daartoe heeft de rechtbank overwogen, voor zover in cassatie van belang:8.
“ad a) de echtelijke woning gelegen te [adres] en de bijbehorende hypothecaire geldlening
(…)
De rechtbank stelt voorop dat een voorkeursrecht op een onroerend goed slechts kan worden gevestigd wanneer alle eigenaren de notariële akte daartoe, al dan niet bij volmacht, ondertekenen. Alle eigenaren moeten immers akkoord zijn met bezwaring van hun eigendom. Vast staat dat in de notariële akte waarbij het voorkeursrecht is gevestigd slechts de vrouw als eigenaar staat vermeld, terwijl ook vaststaat dat partijen samen eigenaar zijn. Wat er verder ook zij van de juridische status van dat voorkeursrecht − partijen zullen zich daarvoor zo nodig tot de handelsrechter kunnen wenden − de rechtbank zal in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap geen rekening houden met dat voorkeursrecht. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de man daarmee akkoord was en het komt de rechtbank voor dat als dat zo zou zijn, de man de notariële akte mee had kunnen en moeten tekenen. Niet gebleken is dat de notaris de man heeft betrokken in het tot stand komen van de akte. Reeds om die reden gaat de rechtbank aan het standpunt van de vrouw voorbij.
(…)
Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk dat bij de verdeling van de echtelijke woning uitgegaan wordt van de waarde van € 1.050.000,-, zijnde de taxatiewaarde zonder rekening te houden met het voorkeursrecht.”
3.6
De vrouw is op 22 augustus 2022 bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 9 juni 2022. Zij heeft het hof verzocht de beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat – kort gezegd – bij de verdeling van de echtelijke woning rekening dient te worden gehouden met het daarop gevestigde voorkeursrecht tot koop, zodat zij, bij toedeling van de echtelijke woning aan haar, de helft van de overwaarde, te weten de taxatiewaarde van € 490.000,- minus de schuld van de hypothecaire geldlening, aan de man moet voldoen.
3.7
De man heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft het hof verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
3.8
De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2023. Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal is opgemaakt.
3.9
Bij beschikking van 20 december 20239.(hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt:
“5.4 Het hof is van oordeel dat de rechtbank juist heeft beslist door bij de waardering van de echtelijke woning geen rekening te houden met het voorkeursrecht tot koop en dat derhalve terecht is uitgegaan van een marktwaarde van € 1.050.000,-. Het hof overweegt daartoe als volgt.
(…)
5.8
Het hof is van oordeel dat de vrouw voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub a BW de toestemming van de man (als niet handelende echtgenoot) nodig had. Hiermee gaat het hof voorbij aan de stelling van de vrouw ter zitting dat in dit geval geen sprake is van het bezwaren van de echtelijke woning in de zin van voormeld artikel omdat het voorkeursrecht enkel betrekking heeft op de grond. Het hof overweegt dat nu op de grond de echtelijke woning is gebouwd en het voorkeursrecht na de bouw van de woning is gevestigd, de grond een onlosmakelijk onderdeel was van de echtelijke woning ten tijde van het bezwaren zodat daarvoor toestemming van de man vereist was.
5.9
De toestemming in de zin van voormeld artikel is in beginsel vormvrij, maar moet gelet op het derde lid van dat artikel schriftelijk of langs elektronische weg worden verleend indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft.
5.10
Het is het hof op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden dat partijen samen, met de ouders van de vrouw, een lang traject (van enkele jaren) hebben doorlopen om de bouw van de echtelijke woning op de van de ouders van de vrouw gekochte grond te kunnen realiseren, waarbij ook jarenlange onderhandelingen met de gemeente zijn gevoerd over de bestemmingswijziging van de grond voordat er überhaupt gebouwd zou mogen worden. De man erkent dat ook volmondig.
5.11
Het hof is echter van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het traject dat partijen samen hebben doorlopen in het bijzonder ook het vestigen van een voorkeursrecht op de grond is besproken en dat de man daarvan op de hoogte was, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
5.12
In de conceptakte van levering van de grond van 1 september 2017 zijn de vrouw én de man gezamenlijk als ‘koper’ opgenomen, terwijl in de definitieve akte de man niet langer als koper is opgenomen. De vrouw heeft, desgevraagd, geen deugdelijke onderbouwing kunnen geven voor de wijziging van de partijnamen in de akte. Het antwoord van de vrouw ‘dat daarvoor geen reden is geweest’, is voor het hof niet bevredigend, gelet op de aard van de wijziging en de inhoud van de notariële akte. De man is hoogstwaarschijnlijk mede daardoor evenmin partij geweest bij de akte voorkeursrecht tot koop, die door de notaris is verleden op 6 april 2020. Uit de door de vrouw overgelegde correspondentie blijkt niet dat de man door de notaris op enigerlei wijze zelf is betrokken bij de totstandkoming van die akte. De door de vrouw overgelegde correspondentie met het notariskantoor over het vestigen van het voorkeursrecht acht het hof niet bepalend omdat die correspondentie de man niet rechtstreeks aangaat.
5.13
Het hof heeft het voorgaande mede bezien tegen de achtergrond van de toelichting van de man ter zitting, waarin hij heeft verklaard dat hij wel op de hoogte was van de aankoop van de grond, maar zich met de juridische implicaties daarvan niet bezig heeft gehouden. Dit betrof een zaak tussen de vrouw en haar ouders, derhalve binnen de familiesfeer, waarbij de verhouding tussen de man en de ouders van de vrouw op dat moment nog heel goed was. De man was ook nauw betrokken bij de gezamenlijke wens van partijen om op de grond een nieuwe woning te kunnen realiseren, maar zijn focus lag al die tijd op de technische aspecten die daarbij kwamen kijken, vanwege de technische achtergrond die hij heeft. De omstandigheid dat de man in 2018 is getroffen door een hersenbloeding, waardoor zijn energie vanaf dat moment beperkt was, heeft daarbij ook een rol gespeeld.
5.14
Het hof zal gelet op het voorgaande de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
5.15
Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw, nu dat enkel betrekking heeft op de stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond is verkocht en derhalve niet op de vraag waar het in deze zaak om draait, namelijk of de man toestemming heeft gegeven voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond.
5.16
Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht vergt, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.”
3.10
Bij procesinleiding van 20 maart 2024 heeft de vrouw – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man heeft een verweerschrift ingediend.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdelen I en II vallen op hun beurt uiteen in diverse subonderdelen.
4.2
Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.4 dat bij de waardering van de echtelijke woning geen rekening hoeft te worden gehouden met het voorkeursrecht, de uitwerking van dat oordeel in r.o. 5.10 tot en met 5.14, en de overweging in r.o. 5.16 dat hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht geen bespreking meer behoeft omdat het niet tot een ander oordeel kan leiden.
4.3
De subonderdelen I.1 tot en met I.4 houden, samengevat, de klachten in dat het hof heeft miskend dat voor de vraag of de man al dan niet stilzwijgend met het verlenen van het voorkeursrecht heeft ingestemd, bepalend is wat partijen uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben kunnen en mogen afleiden, onder verwijzing naar de artikelen 3:33 en 3:35 BW en de Haviltex-maatstaf. Het hof heeft deze artikelen en/of maatstaf niet kenbaar toegepast, dan wel verkeerd toegepast, dan wel zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, aldus de klachten.
4.4
Daartoe wordt in het onderdeel aangevoerd dat uit de stellingen van de vrouw blijkt dat van aanvang af met alle partijen, dus ook met de man, is afgesproken dat de ouders van de vrouw aan haar en haar zus grond zouden verkopen voor een veel lagere prijs dan de marktwaarde, onder de voorwaarde dat in ruil daarvoor een voorkeursrecht zou worden gevestigd. De door het hof in zijn oordeel betrokken en in onderlinge samenhang te beschouwen omstandigheden doen er niet aan af dat de vrouw – gelet op haar stellingen a tot en met n met hypothetisch feitelijke grondslag − voldoende heeft gesteld om de op zijn minst stilzwijgende instemming van de man te kunnen vaststellen, althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd, aldus het eerste onderdeel.
4.5
Onderdeel II bevat, uitgewerkt in de subonderdelen II.1 tot en met III.3, klachten gericht tegen het passeren van het bewijsaanbod van de vrouw door het hof in r.o. 5.15.
4.6
Naar ik begrijp, komen de klachten er in de kern op neer dat het voor het antwoord op de vraag of de man − impliciet − toestemming heeft gegeven voor het verlenen van het voorkeursrecht van belang is dat bewijs is aangeboden van de stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond aan hem en de vrouw is verkocht. Nu de verkoop van de grond uitsluitend zou worden gedaan onder de voorwaarde van de verlening van een voorkeursrecht kon en mocht de vrouw erop vertrouwen dat de man heeft ingestemd met het vestigen van dit voorkeursrecht, zo begrijp ik het onderdeel.
4.7
Het hof heeft dan ook miskend dat het bewijsaanbod ter zake dienend en voldoende gespecificeerd is, dan wel, indien het hof van oordeel is dat het aanbod niet voldoende gespecificeerd is, is dit oordeel rechtens onjuist althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
4.8
Onderdeel III bevat een voortbouwklacht.
Juridisch kader
4.9
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
4.10
Voor zover in deze zaak van belang luidt artikel 1:88 lid 1 onder a BW als volgt:
Een echtgenoot behoeft de toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:
a. overeenkomsten strekkende tot vervreemding, bezwaring (…) van een door de echtgenoten tezamen (…) bewoonde woning of van zaken die bij een zodanige woning of tot de inboedel daarvan behoren; (…)
4.11
Artikel 1:88 BW strekt ertoe echtgenoten, in hun belang en dat van het gezin, tegen elkaar te beschermen, onder meer wat betreft het verrichten van rechtshandelingen die kunnen ingrijpen in hun financiële positie.10.
4.12
4.13
Het geven van toestemming is een eenzijdige gerichte rechtshandeling waarop in beginsel de algemene regels voor eenzijdige rechtshandelingen van toepassing zijn, zoals de bepaling over de wilsgebreken (art. 3:44 BW) en de beschermingsregels van artikel 3:35-3:36 BW.11.
4.14
Het toestemmingsvereiste ziet blijkens de wettekst niet alleen op de echtelijke woning zelf, maar ook op zaken die daartoe behoren. In dat kader kan gedacht worden aan een bij de woning horende tuin of garage, maar ook aan een stuk grond.12.Of een bepaald stuk grond bij de echtelijke woning behoort, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden ten tijde van het aangaan van de rechtshandeling waarvan de rechtsgeldigheid wordt betwist. De omstandigheden moeten worden beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven, zoals de ligging ten opzichte van de echtelijke woning, de inrichting van het perceel, het gebruik dat ervan wordt gemaakt, en de plaatselijke verkeersopvattingen.13.
4.15
Een voorbeeld van een rechtshandeling strekkende tot vervreemding in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub a BW is de verkoop van de echtelijke woning of de daartoe behorende zaken. ‘Strekkende tot’ brengt volgens de wetgever tot uitdrukking dat niet alleen overeenkomsten van koop en dergelijke onder de bepaling vallen, maar ook bijvoorbeeld het verlenen van een koopoptie (art. 6:219 lid 3 BW). Daarvan kan misschien niet worden gezegd dat dit een overeenkomst tot vervreemding is, maar wel een overeenkomst die strekt tot vervreemding, aldus de parlementaire geschiedenis.14.
4.16
In deze zaak gaat het niet om een koopoptie, maar om een voorkeursrecht tot koop.15.De vraag is of ook voor het verlenen van een voorkeursrecht tot koop op de echtelijke woning of op de daartoe behorende zaken, zoals de grond, toestemming is vereist krachtens artikel 1:88 lid 1 sub a BW. Alvorens die vraag te beantwoorden, zal ik eerst kort ingaan op het voorkeursrecht tot koop.
4.17
Een voorkeursrecht tot koop is een door de wet of bij een rechtshandeling, zoals een contract, verleend vorderingsrecht, dat aan de gerechtigde de bevoegdheid geeft om, bij voorgenomen verkoop of vervreemding van een zaak, te vorderen dat die zaak allereerst aan hém wordt aangeboden.16.
4.18
De verlening van een voorkeursrecht tot koop is gericht op het ontstaan van slechts een aanbiedingsplicht. Op grond van deze plicht kan de gerechtigde van de eigenaar die de zaak wil vervreemden, eisen dat laatstgenoemde de zaak eerst aan hem aanbiedt. Het verlenen van een voorkeursrecht houdt dus niet het doen van een onherroepelijk aanbod in. Anders dan bij een koopoptie, komt door het inroepen van het recht dan ook nog geen koop tot stand.17.
4.19
Nu blijkens de parlementaire geschiedenis het verlenen van een koopoptie een overeenkomst strekkende tot vervreemding in de zin van artikel 1:88 lid 1 onder a BW is, kan in het verlengde daarvan mijn inziens hetzelfde aangenomen worden voor het verlenen van een voorkeursrecht tot koop.18.Betoogd zou immers kunnen worden dat het voorkeursrecht tot koop, net als de koopoptie, strekt tot vervreemding van de zaak aan de gerechtigde indien deze dat wenst.
4.20
Het gaat bij een voorkeursrecht tot koop mijns inziens dus niet op een overeenkomst strekkende tot bezwaring, zoals rechtbank en hof in deze zaak wel lijken te menen.19.Bij bezwaring moet men denken aan het vestigen van een hypotheek of een beperkt recht, zoals een erfdienstbaarheid of een recht van opstal.20.
4.21
Het antwoord op de hierboven gestelde vraag of voor het verlenen van een voorkeursrecht tot koop op de echtelijke woning of op zaken die daarbij behoren, zoals de grond, toestemming van de andere echtgenoot is vereist, luidt mijns inziens dus bevestigend.
4.22
De wet kent in beginsel geen vormvereisten voor de toestemming op grond van artikel 1:88 BW. Dat is alleen anders als voor de rechtshandeling waarvoor toestemming moet worden gegeven een wettelijk vormvereiste geldt. In zo’n geval moet de toestemming schriftelijk of langs elektronische weg worden verleend, aldus artikel 1:88 lid 3 BW.21.
4.23
Zoals hierboven onder 4.17 bleek, kan een voorkeursrecht tot koop volgen uit de wet22.of uit een rechtshandeling, zoals een overeenkomst.
4.24
In deze zaak is sprake van een contractueel voorkeursrecht tot koop. De wet bevat daarvoor geen specifieke bepalingen. Er gelden dan ook geen bijzondere vormvereisten voor het verlenen van het voorkeursrecht. Ook de toestemming van de andere echtgenoot voor het verlenen van een voorkeursrecht tot koop is dus vormvrij en hoeft dus niet schriftelijk of langs elektronische weg verricht te worden (vgl. art. 1:88 lid 3 BW).
4.25
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
Belang van de vrouw bij haar cassatieberoep
4.26
Ik zal eerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van de man dat de vrouw geen belang bij haar cassatieberoep zou hebben. Dit verweer slaagt niet.
4.27
De man voert aan dat in appel en cassatie als uitgangspunt zou gelden dat voor de rechtsgeldige verlening van een voorkeursrecht op de grond een notariële akte als vormvoorschrift geldt, omdat de vrouw in appel geen grief gericht zou hebben tegen de volgende overweging van de rechtbank:23.
“De rechtbank stelt voorop dat een voorkeursrecht op een onroerend goed slechts kan worden gevestigd wanneer alle eigenaren de notariële akte daartoe, al dan niet bij volmacht, ondertekenen. Alle eigenaren moeten immers akkoord zijn met bezwaring van hun eigendom. Vast staat dat in de notariële akte waarbij het voorkeursrecht is gevestigd slechts de vrouw als eigenaar staat vermeld, terwijl ook vast staat dat partijen samen eigenaar zijn. (…)
De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de man daarmee (met het voorkeursrecht; A-G) akkoord was en het komt de rechtbank voor dat als dat zo zou zijn, de man de notariële akte mee had kunnen en moeten tekenen.”
4.28
De vrouw heeft echter in haar toelichting op de grief in haar beroepschrift in appel het volgende aangevoerd:
“20. De rechtbank volgt ten onrechte de man, in die zin dat de man geen weet zou hebben gehad van het voorkeursrecht en stelt dat een voorkeursrecht op een onroerend goed slechts kan worden gevestigd wanneer alle eigenaren de notariële akte daartoe, al dan niet met volmacht, ondertekenen. In de visie van de vrouw is deze overweging onjuist en niet op de wet gebaseerd. (..)”
4.29
Hierin lees ik wel degelijk dat door de vrouw gegriefd wordt tegen het door de man bedoelde oordeel van de rechtbank, zodat dit oordeel van de rechtbank niet tot uitgangspunt in appel en cassatie dient te gelden.
4.30
Bovendien ben ik van mening dat voor het verlenen van een voorkeursrecht tot koop geen vormvereisten gelden en dat daarmee, anders dan de man meent, ook de door de man te geven toestemming voor het verlenen van het voorkeursrecht vormvrij is (art. 1:88 lid 3 BW). Zie immers hiervoor onder 4.24.
4.31
Gelet op het voorgaande heeft de vrouw naar mijn mening dus wel belang bij haar cassatieberoep en kan beoordeling van het cassatiemiddel daarom niet achterwege blijven. Ik kom daar nu aan toe.
Beoordeling van het cassatiemiddel
4.32
In deze zaak draait het in de kern om de vraag of bij de bepaling van de waarde van de echtelijke woning wel of geen rekening gehouden moet worden met het voorkeursrecht tot koop op de bij de woning behorende grond dat de vrouw aan haar ouders heeft verleend.
4.33
In cassatie lijkt de zaak zich verengd te hebben tot de vraag of de man heeft ingestemd met het verlenen van het voorkeursrecht tot koop op de grond. Tussen partijen geldt dat de vrouw voor het verlenen van het voorkeursrecht tot koop aan haar ouders op grond van artikel 1:88 BW de toestemming van de man nodig had.24.
4.34
Partijen lijken er in cassatie, met het hof,25.ook van uit te gaan dat de waarde van de echtelijke woning in het kader van de te verdelen huwelijksgemeenschap afhangt van het antwoord op de vraag of de man heeft ingestemd met het verlenen van het voorkeursrecht op de grond. Daarbij moet bedacht worden dat als uiteindelijk vast zou komen te staan dat de man niet heeft ingestemd met het verlenen van het voorkeursrecht, niet voldaan is aan het vereiste van artikel 1:88 lid 1 BW, op straffe van vernietigbaarheid op grond van artikel 1:89 lid 1 BW.
4.35
De subonderdelen van onderdeel I lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. In dit onderdeel is, naar ik begrijp, het centrale betoog van de vrouw dat de man al dan niet stilzwijgend heeft ingestemd met het voorkeursrecht tot koop en dat zij in ieder geval op die instemming mocht vertrouwen. Zij voert daartoe aan dat de man vanaf het begin ervan op de hoogte was dat de grond door de ouders van de vrouw uitsluitend aan de vrouw en de man26.verkocht zou worden tegen een lage prijs onder de voorwaarde dat op de grond een voorkeursrecht tot koop ten behoeve van de ouders gevestigd zou worden. Het hof zou dit hebben miskend, dan wel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk of niet toereikend gemotiveerd.
4.36
Het onderdeel slaagt naar mijn mening niet.
4.37
In appel heeft de vrouw al aangevoerd dat het voorkeursrecht tot koop een voorwaarde was voor de verkoop van de grond door haar ouders. De man zou hiervan steeds op de hoogte zijn geweest, nu hij vanaf het begin bij de gesprekken en onderhandelingen met de ouders aanwezig is geweest, aldus de vrouw in haar beroepschrift.27.
4.38
Het hof volgt de vrouw niet in deze redenering. Het hof oordeelt immers in r.o. 5.11 dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat 1) het vestigen van een voorkeursrecht is besproken en 2) de man daarvan op de hoogte was, laat staan 3) dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven.
4.39
In de daaropvolgende r.o. 5.12 en r.o. 5.13 motiveert het hof waarom het van oordeel is dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verlenen van het voorkeursrecht met de man is besproken en dat de man van het voorkeursrecht op de hoogte was. Kort gezegd acht het hof van belang dat de man geen partij was bij de leveringsakte van de grond en de akte voorkeursrecht tot koop, dat de man niet door de notaris betrokken is bij de totstandkoming van laatstgenoemde akte, dat de man zich niet heeft beziggehouden met de juridische implicaties van de koop van de grond en dat zijn focus lag op de technische aspecten van de te bouwen woning en dat zijn energie vanwege een hersenbloeding vanaf 2018 beperkt was.
4.40
Als logische gevolgtrekking van zijn oordeel dat de man niet op de hoogte was van het voorkeursrecht overweegt het hof in r.o. 5.11 dat de man daarvoor dan ook niet expliciet toestemming heeft kunnen geven.
4.41
Vervolgens wordt in cassatie geklaagd dat het hof heeft miskend dat de man tenminste stilzwijgend heeft ingestemd, althans dat de vrouw daarop mocht vertrouwen.28.Maar ook voor stilzwijgende instemming met een te verlenen of verleend voorkeursrecht tot koop is vereist dat iemand daar wel kennis van heeft. Het hof had nu juist geoordeeld dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man van het voorkeursrecht op de hoogte was. Aan de beoordeling van de vraag of de man met het voorkeursrecht heeft ingestemd, komt het hof derhalve niet toe. Van miskennen door het hof dat de man tenminste stilzwijgend heeft ingestemd met het voorkeursrecht, zoals de klacht luidt, kan dan ook geen sprake zijn. Het oordeel van het hof dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man van het voorkeursrecht op de hoogte was, sluit immers uit dat de man daarvoor toestemming heeft kunnen geven, expliciet of impliciet. De klachten slagen dus niet.
4.42
In onderdeel II wordt geklaagd dat het hof in r.o. 5.15 ten onrechte het bewijsaanbod van de vrouw heeft gepasseerd. De subonderdelen van ook dit onderdeel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
4.43
Ook dit onderdeel slaagt naar mijn mening niet.
4.44
Het bewijsaanbod van de vrouw luidt:29.
“De vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen middels alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van het horen van getuigen. Zo kunnen haar ouders verklaren dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond aan hem aan de vrouw werd verkocht. Zulks geldt ook voor de zus van de vrouw en haar echtgenoot. Het betreft de heer en mevrouw [naam] wonende te [adres]. De heer en de mevrouw [naam] wonende te [adres].”
4.45
Het hof passeert dit bewijsaanbod als volgt in r.o. 5.15:
“Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw, nu dat enkel betrekking heeft op de stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond is verkocht en derhalve niet op de vraag waar het in deze zaak om draait, namelijk of de man toestemming heeft gegeven voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond.”
4.46
In het onderdeel wordt gewezen op het belang van het bewijs van de stelling van de vrouw dat de man vanaf het begin op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond zou worden verkocht. Tot deze voorwaarden behoorde volgens de vrouw de noodzakelijke voorwaarde van het verlenen van een voorkeursrecht tot koop. Zonder voorkeursrecht geen koop, zo begrijp ik de vrouw. Als bewezen kan worden dat de man op de hoogte was van deze voorwaarde, kon en mocht de vrouw erop vertrouwen dat de man minstens stilzwijgend had ingestemd met het voorkeursrecht, zo leid ik af uit het onderdeel. In de visie van de vrouw is het op de hoogte zijn door de man van het voorkeursrecht dus niet alleen een noodzakelijke, maar ook een voldoende voorwaarde voor het aannemen van instemming door de man met het voorkeursrecht.
4.47
Het hof heeft in r.o. 5.11 geoordeeld dat de vrouw, slechts, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voorkeursrecht met de man is besproken en dat hij van dat voorkeursrecht op de hoogte was. Nader bewijs door het horen van de door de vrouw aangeboden getuigen over juist dit door haar gespecificeerde punt van het op de hoogte zijn door de man zou tot meer duidelijkheid daarover kunnen leiden. Als wel vast zou komen te staan dat de man op de hoogte was van het voorkeursrecht als voorwaarde voor de koop, zou alsnog de vervolgvraag relevant kunnen worden of deze kennis van de man ook zijn stilzwijgende instemming impliceert.
4.48
Het belang van deze vervolgvraag is door de vrouw echter pas in cassatie in volle omvang opgevoerd. De vrouw had in appel nog niet zo centraal en expliciet het punt gemaakt dat kennis van de man van het voorkeursrecht ook zijn stilzwijgende instemming met het voorkeursrecht impliceerde, althans dat zij daarop mocht vertrouwen. Het oordeel van het hof waarbij het bewijsaanbod is gepasseerd en de klachten daartegen moeten echter beoordeeld worden naar de stand van het debat ten tijde van het hoger beroep.
4.49
Blijkens de motivering van het hof is het op de hoogte zijn door de man van het voorkeursrecht wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor het aannemen van instemming van de man met het voorkeursrecht. Mocht in het getuigenverhoor bewezen worden dat de man wel op de hoogte was van het voorkeursrecht als voorwaarde voor de koop, zoals de vrouw aanbiedt te bewijzen, staat daarmee nog niet vast dat hij ook heeft ingestemd met het verlenen van het voorkeursrecht, aldus volgt uit de motivering van het hof voor het passeren van het bewijsaanbod. Gelet op de stand van het debat in appel vind ik dit oordeel van het hof niet onjuist en is de motivering ook niet onbegrijpelijk. De klachten slagen dus niet.
4.50
Tot slot bevat onderdeel III een voortbouwklacht, gericht tegen r.o. 5.14 tot en met 5.17 en het dictum. Deze klacht faalt in het voetspoor van de voorgaande.
4.51
Nu geen van de klachten slaagt, luidt de slotsom dat de bestreden beschikking in stand kan blijven.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑10‑2024
Feiten ontleend aan r.o. 3.2 van de beschikking van het hof Den Haag van 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2802 (hierna ook: de bestreden beschikking).
Overgelegd als productie 2.4 bij het beroepschrift van de vrouw in appel.
Feiten ontleend aan r.o. 5.5 van de bestreden beschikking.
Overgelegd als productie 3.5 bij het beroepschrift van de vrouw in appel.
Feiten ontleend aan r.o. 5.5 van de bestreden beschikking.
Feiten ontleend aan r.o. 5.2 van de bestreden beschikking. Het taxatierapport van 5 oktober 2020 is als productie 5 bij het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg in het geding gebracht.
Rb. Den Haag 9 juni 2022, zaaknrs. C/09/607729 en C/09/614354 (nog niet gepubliceerd).
Rb. Den Haag 9 juni 2022, zaaknrs. C/09/607729 en C/09/614354 (nog niet gepubliceerd), p. 7.
Hof Den Haag van 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2802.
Zie HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:41, NJ 2015/45 met red. aant. ( […] /Dexia), r.o. 3.3.2. Zie ook Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Aanpassing BW 1991, p. 18 tot en met 22 en J.H. Lieber, GS Personen- en Familierecht, art. 1:88 BW, aant. 4 (actueel t/m 30-12-2023).
Zie o.m. J.H. Lieber, GS Personen- en Familierecht, art. 1:88 BW, aant. 1 (actueel t/m 30-12-2023).
Vgl. HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6013, NJ 2004/397, r.o. 3.3.
Zie de notariële akte waarbij het voorkeursrecht is verleend, overgelegd als productie 3.5 bij het beroepschrift van de vrouw in appel. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel is dit voorkeursrecht tijdens de zitting ook soms aangeduid als koopoptie. In de literatuur wordt erop gewezen dat het voorkeursrecht tot koop en de koopoptie in de praktijk niet altijd even makkelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Zie Asser/Hijma 7-I 2019/320.
Zie hierover o.a. Asser/Hijma 7-I 2019/320; W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Monografieën Privaatrecht nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022, 2022/39. Vgl. ook A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, par. 3.5.2.
Zie ter illustratie hof Den Haag 25 november 1997, nr. 94/3562 (niet gepubliceerd; wel samengevat in Notamail 1998/47). Ook in de onderhavige zaak gaan partijen en de gerechten in feitelijke instantie ervan uit dat toestemming krachtens art. 1:88 BW vereist is voor het verlenen van het voorkeursrecht tot koop.
Vgl. de beschikking van de rechtbank van 9 juni 2022, zaaknrs. C/09/607729 en C/09/614354 (nog niet gepubliceerd), p. 7 en de bestreden beschikking van het hof, r.o. 5.8.
Zie o.m. M.J.A.van Mourik & F.W.J.M. Schols, Relatievermogensrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 12), p. 36, J. van Duijvendijk-Brand, T&C BW, commentaar op art. 1:88 BW, aant. 3 (actueel t/m 1 april 2024).
Zie hierover o.m. Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023/204 (actueel tot 01-06-2023).
Zie over de wettelijke voorkeursrechten aan pachters en aan gemeenten, provincies en de Staat o.m. Asser/Hijma 7-I 2019/322-324; W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Monografieën Privaatrecht nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022, 2022/39.
Zie Rb. Den Haag 9 juni 2022, zaaknrs. C/09/607729 en C/09/614354 (nog niet gepubliceerd), p. 7.
Zie het daartoe strekkende oordeel in de bestreden beschikking, r.o. 5.8, over welk oordeel niet geklaagd wordt in cassatie. Dit oordeel van het hof lijkt mij overigens juist, zie hiervoor onder 4.19-4.21.
Zie de betreden beschikking, r.o. 5.4 in samenhang te lezen met in het bijzonder r.o. 5.8 en 5.11.
In het cassatiemiddel wordt een aantal keer vermeld dat de grond aan de vrouw en de man verkocht zou worden. Nu de grond alleen aan de vrouw is verkocht en geleverd, meen ik dat in het middel bedoeld is dat de grond gezamenlijk eigendom van partijen is geworden, doordat het in de huwelijksgemeenschap is gevallen.
Zie het beroepschrift in appel, in het bijzonder onder 12 en 18.
Zie daarvoor m.n. de subonderdelen I.2 en I.4.
Beroepschrift van de vrouw in appel, onder 25.
Beroepschrift 01‑02‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiseres tot cassatie is [de vrouw], wonende te [woonplaats], hierna: de vrouw, voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten, van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirante als zodanig is aangewezen om haar te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure.
Verweerder te dezen is:
[de man], wonende te ([postcode]) [woonplaats], aan de [adres] hierna: de man, voor wie in hoger beroep als (proces)advocaat is opgetreden mr. M. Haasjes, kantoorhoudende te (2491XR) Den Haag aan de Bordewijklaan 40 (Spaa Haasjes Advocaten);
De vrouw stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2023, gewezen onder zaaknummer 200.314.806/01, hierna: de beschikking;
De vrouw voert tegen de beschikking aan het volgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist gelijk in de beschikking vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Inleiding en feiten
1.
De rechtbank heeft bij beschikking van [scheidingsdatum] 2022 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. Daarbij is onder meer bepaald dat de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat zij de aan de woning verbonden hypothecaire lening voor haar rekening zal nemen en de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor die lening, alsmede onder de voorwaarde dat de vrouw de helft van de overwaarde van de echtelijke woning — te weten de taxatiewaarde ad € 1.050.000,- minus de schuld van de hypothecaire geldlening — aan de man moet voldoen.
2.
De vrouw is daartegen in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de bestreden beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen voor zover het betreft de waarde waartegen de echtelijke woning aan haar wordt toebedeeld. Zij komt uitdrukkelijk niet op tegen de toewijzing als zodanig en de man evenmin. De vrouw stelt blijkens rov 4.2 dat bij de verdeling van de echtelijke woning rekening dient te worden gehouden met het daarop bij notariële akte van [datum] 2020 gevestigde voorkeursrecht van koop. Zij verzoekt te bepalen dat als gevolg van die toedeling zij de helft van de overwaarde, te weten de taxatiewaarde ad € 490.000,- minus de schuld van de hypothecaire geldlening van de echtelijke woning aan de man moet voldoen, waarbij de kosten in verband met de toedeling van de echtelijke woning voor rekening van de vrouw komen.
3.
Het hof wijst dit verzoek af. De vrouw kan zich daar niet in vinden en voert daartegen de navolgende klachten aan.
B. Klachten
I
Dit onderdeel is gericht tegen:
- —
rov. 5.4 waarin het hof de conclusie voorop zet dat het van oordeel is dat de rechtbank juist heeft beslist door bij de waardering van de echtelijke woning geen rekening te houden met het voorkeursrecht tot koop en derhalve terecht is uitgegaan van een marktwaarde van € 1.050.000,-, alsmede tegen
- —
de uitwerking van dat oordeel in rovv. 5.10 t/m 5.14 en tegen
- —
het oordeel in rov. 5.16 waarin het hof overweegt dat hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht vergt, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden
Het hof oordeelt in rov. 5.11 dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het traject dat partijen samen hebben doorlopen in het bijzonder ook het vestigen van een voorkeursrecht op de (van de ouders gekochte) grond is besproken en dat de man daarvan op de hoogte was, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven. Het hof geeft daarop een toelichting in rovv 5.12. en 5.13:
- (i)
In de conceptakte van levering van de grond van 1 september 2017 zijn de vrouw en de man als koper gezamenlijk opgenomen en in de definitieve akte de vrouw alleen. Het antwoord dat daarvoor geen reden is geweest acht het hof niet bevredigend.
- (ii)
De man is hoogstwaarschijnlijk mede daardoor evenmin partij geweest bij de akte voorkeursrecht tot koop, die door de notaris is verleden op [datum] 2020.
- (iii)
De door de vrouw overgelegde correspondentie met het notariskantoor over het vestigen van een voorkeursrecht acht het hof niet bepalend, omdat die correspondentie de man niet rechtstreeks aangaat.
- (iv)
Dit mede bezien tegen de achtergrond van de toelichting van de man ter zitting dat hij wel op de hoogte was van de aankoop van de grond, maar zich met de juridische implicaties daarvan niet heeft beziggehouden. Dit betrof een zaak tussen de vrouw en haar ouders, binnen de familiesfeer.
- (v)
De man was wel nauw betrokken bij de wens van partijen om op de grond een nieuwe woning te kunnen realiseren, maar zijn focus lag al die tijd op de technische aspecten die daarbij kwamen kijken. De omstandigheid dat de man in 2018 is getroffen door een hersenbloeding, waardoor zijn energie vanaf dat moment beperkt was, heeft daarbij ook een rol gespeeld.
In rov. 5.14 oordeelt het hof dan dat het ‘gelet op het voorgaande’ de bestreden beschikking zal bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, waarbij het volgens rov. 5.16 verder niet van belang is wat partijen verder nog hebben aangevoerd.
Dit oordeel in rovv. 5.4, 5.11 t/m 5.14 en 5.16 is rechtens onjuist, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
1.1
Het hof miskent in rovv. 5.4, 5.11 t/m 5.14 en 5.16 allereerst dat voor de vraag of de man al dan niet stilzwijgend heeft ingestemd bepalend is wat partijen uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben kunnen en mogen afleiden (artt. 3:33 en 3:35 BW en Haviltex). Het hof heeft er geen blijk van gegeven deze artikelen en/of deze maatstaf te hebben toegepast. Indien en voor zover het hof die artikelen en/of die maatstaf al heeft toegepast, dan heeft het hof die, gelet op het hierna in onderdeel 1.2 gestelde, verkeerd toegepast, dan wel zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, alles door niet alle omstandigheden van het geval (voldoende kenbaar) bij zijn beoordeling te betrekken. Althans had het hof op dit punt van de Haviltexmaatstaf en artt. 3:33 en 3:35 BW zijn oordeel beter moeten motiveren.
1.2
Indien en voor zover het hof artikel 3:33 en 3:35 BW en/of de Haviltexmaatstaf wel heeft toegepast, dan heeft het hof die artikelen en/of die maatstaf als gezegd verkeerd toegepast. Immers in dat geval, maar ook overigens, miskent het hof in rovv. 5.4, 5.11 t/m 5.14 en 5.16 allereerst dat voor de vraag of de man al dan niet stilzwijgend heeft ingestemd (en of de vrouw daarvan mocht uitgaan) met de vestiging van het voorkeursrecht alle omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld. Die zijn dus niet beperkt tot hetgeen het hof in zijn oordeel sub (i) t/m (v) weergeeft en is het oordeel in rov. 5.16 zoals hierboven weergegeven eveneens om dezelfde redenen rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd. Om die redenen zijn de navolgende stellingen essentiële stellingen nu die voor de uitkomst van de procedure het verschil kunnen maken en die, nu het hof de juistheid daarvan in het midden heeft gelaten, in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag hebben:
- a.
Door de vader van de vrouw is op [datum] 2017 grond verkocht aan zijn beide dochters. Die grond is gelegen op het voormalig bedrijfsterrein van de ouders. De ouders hebben hun dochters en hun echtgenoten de mogelijkheid geboden om naast de eigen woning twee zelfstandige, vrijstaande woningen te bouwen. Daartoe werd de grond aan de vrouw en haar zus geleverd voor een prijs beneden de marktwaarde.1.
- b.
Zowel de vrouw als haar zus hebben onder de zelfde voorwaarden de grond van de ouders gekocht.
- c.
De man is van meet af aan betrokken geweest bij de gesprekken c.q. de onderhandelingen met betrekking tot de koop van de grond, de te betalen prijs en de door de ouders aan de verkoop verbonden voorwaarden, waaronder het voorkeursrecht van koop.2. Zo is door partijen de prijs voor de grond van € 90.000,-- voldaan; de helft van dat bedrag kwam van een bankrekening welke op naam stond van de eenmanszaak van de man.3. Vanwege redenen gelegen bij het notariskantoor is de akte houdende voorkeursrecht tot koop eerst later gepasseerd. 4.
- d.
De vrouw heeft blijkens beroepschrift randnummer 13 de navolgende e-mailwisseling met de notaris inzake de aankoop van de grond in het geding gebracht. De berichten zijn als producties 2.1 tot en met 2.4 aan het beroepschrift gehecht:
Productie 2.1:
31-08-2017; bericht van de ouders van de vrouw aan de notaris over de hoogte van de prijs voor de grond en e.e.a. te voldoen middels een lening;
Productie 2.2
01-09-2017: bericht van de notaris met ontwerp leveringsakten; dit bericht met bijlagen is door de ouders van de vrouw doorgestuurd naar de gezamenlijke mailbox op 2 september 2017;
Productie 2.3
05-09-2017: bericht van de notaris aan de ouders van de vrouw met aangepaste leveringsakten; dit bericht is door de ouders van de vrouw doorgestuurd naar de gezamenlijke mailbox van partijen op 5 september 2017;
Productie 2.4
08-09-2017: brief van de notaris aan de vrouw met toezending van het eigendomsbewijs naar het woonadres van partijen.
- e.
De man heeft op 15 november 2017 de helft van het aankoopbedrag van een op naam van de eenmanszaak [A] staande bankrekening aan de vrouw overgemaakt. Vervolgens heeft de vrouw op 20 november 2017 van een op haar naam staande bankrekening het totale aankoopbedrag voor de grond aan haar ouders overgemaakt.5. De vrouw heeft blijkens het beroepschrift rnr. 15 de navolgende e-mailwisseling met de notaris in het geding gebracht inzake het vestigen van het voorkeursrecht (de berichten zijn als producties 3.1 tot en met 3.6 aan het beroepschrift gehecht).
Productie 3.1
07-03-2019; bericht van de notaris aan partijen in de gezamenlijke mailbox dat bij de ondertekening van de hypotheekakte voor de nieuwe woning niet direct het voorkeursrecht koop op de grond kan worden geregeld;
Productie 3.2
08-03-2019; bericht van partijen aan de notaris dat zij graag vernemen of alles in één keer geregeld kan worden6.;
Productie 3.3
07-10-2019 notaris stuurt aan de ouders van de vrouw het ontwerp van de twee akten met betrekking tot het voorkeursrecht; dit bericht is geprint en aan partijen gegeven;
Productie 3.4
26-03-2020 heeft de notaris aan de ouders van de vrouw de aangepaste akten toegezonden. Ook deze is geprint aan partijen overhandigd.
De akten ter zake het voorkeursrecht zijn uiteindelijk op [datum] 2020 gepasseerd.
Productie 3.5
07-04-2020: brief van de notaris aan de vrouw met toezending van de akte met het voorkeursrecht tot koop naar het woonadres van partijen.
- f.
In het beroepschrift rnr. 16 heeft de vrouw gesteld dat de zus van de vrouw de notaris op 27 juni 2019 een e-mail heeft gestuurd met het verzoek het voorkeursrecht tot koop te regelen (productie 3.6). Een afschrift van de door de notaris ten behoeve van de zus opgestelde akte is als productie 3.7 bijgevoegd. Ook in deze akte wordt uitsluitend de zus genoemd. Wel staat vermeld dat zij gehuwd is, maar haar echtgenoot heeft evenmin de akte mede ondertekend.
- g.
In het beroepschrift rnr. 17 heeft de vrouw gesteld dat, naast bovenstaande correspondentie met de notaris, in de jaren 2017, 2018 en 2019 ook alle andere correspondentie via de gezamenlijke mailbox van partijen verliep. Zoals de totstandkoming van de oprichtingsakte voor [A] B.V. en de aanpassingen van de testamenten van partijen. De gebruikte mailbox werd dus door partijen, derhalve ook door de man, als standaard communicatie middel gebruikt om contact te onderhouden met de notaris. Ook bij het passeren van bovengenoemde akten is de notaris bovendien mondeling gevraagd naar de stand van zaken omtrent het opstellen van de akte voor het voorkeursrecht (beroepschrift rnr 17).
- h.
In het beroepschrift rnr. 18 concludeert de vrouw dat klip en klaar blijkt dat de man op de hoogte was van de aankoop van de grond en de voorwaarden waaronder de grond aan hem en zijn echtgenote werd verkocht en dat de man op de hoogte was van het voorkeursrecht tot koop.
- i.
In randnummer 19 van het beroepschrift wijst de vrouw voorts nog op de verklaring van haar ouders (productie 4) en haar zus en zwager (productie 5). De ouders van de vrouw verklaren dat zij hun dochters en echtgenote de mogelijkheid wilden bieden om een vrijstaande woning te laten bouwen. Op deze wijze zouden de dochters buren worden en later aan hun ouders mantelzorg kunnen verlenen. De totale procedure heeft 4 jaar geduurd en in die periode is veel met elkaar gesproken, ook over de voorwaarden en de bedoeling. Uit de verklaring van de zus en haar echtgenoot blijkt evenzeer dat e.e.a. veelvuldig aan de keukentafel is besproken en dat voor alle betrokkenen de bedoeling duidelijk was.
- j.
In randnummer 20 van het beroepschrift stelt de vrouw dat zij na de uitspraak van de rechtbank contact heeft opgenomen met deze notaris en hem in kennis heeft gesteld van het oordeel van de rechtbank. Zij verwijst naar de verklaring van de notaris d.d. 29 juni 2022 (productie 6). De notaris heeft gelet op zijn communicatie met partijen en gedragingen van de man kunnen afleiden dat de man akkoord was en is met de door hem opgestelde akten. In de visie van de vrouw blijkt uit de verklaring van de notaris dat de man de leveringsakte voor de grond en de daarmee samenhangende akte met het voorkeursrecht niet mede heeft moeten ondertekenen. Uit het voorgaande blijkt dat de man wel degelijk op de hoogte was van het gevestigde voorkeursrecht. In ieder geval was hij, gelet op het taxatierapport van 9 september 2020, bekend met de akte. Tegen het bestaan van die akte is nimmer geageerd door de man. Evenmin is door hem de nietigheid van de notariële akte ingeroepen, ondanks dat de man in zijn verweerschrift van 4 mei 2021 (punt 38) zulks wel heeft aangekondigd.
- k.
In rnrs. 1 t/m 3 van de Pln. HB herhaalt de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van alle afspraken zoals die door partijen en de ouders van de vrouw zijn gemaakt, dat hij feitelijk heeft ingestemd met de gang van zaken (rnr. 1) en dat hij bij alle gesprekken aanwezig was met de ouders en nergens buiten is gehouden. Daartoe was ook geen reden want een echtscheiding was niet aan de orde. De man was op de hoogte van de bedoeling (lage overdrachtsprijs, mantelzorg ouders). Hij was bij alles nauw betrokken en was bij de voorbereidingen zoals de bouwvergunning en was daarin vaak leidend. Het is dan ook niet goed te volgen dat hij bij alles nauw betrokken was maar de juridische kant niet zou hebben meegekregen (Pln. HB rnr. 2). Partijen hebben de levering van de grond en het voorkeursrecht bij een aan beide partijen bekende notaris laten opstellen (Pln. HB rnr 3).
- l.
In juli 2020 heeft de man te kennen gegeven dat hij wilde scheiden (Pln. HB rnr 4). Door partijen zijn vervolgens afspraken gemaakt over het laten taxeren van de onroerende zaken. Eerst na de taxatie heeft de man bemerkt dat het voorkeursrecht invloed had op de waarde.(Pln HB rnr. 4).
- m.
De vrouw heeft in eerste aanleg al ter comparitie aangegeven dat de reden voor de naamswijziging op de akte niet relevant is, omdat de grond/woning toch in de gemeenschap van goederen valt.7.
- n.
De man heeft weliswaar betwist dat hij dit emailadres gebruikte, maar de vrouw heeft bij brief van 1 oktober 2023 diverse e-mails overgelegd waaruit blijkt dat de man het gezamenlijke emailadres van partijen wel degelijk gebruikte, zowel zakelijk als privé. Het hof overweegt daar niets over. 8.
Uit deze stellingen a t/m n kan in onderlinge samenhang niet anders worden geconcludeerd dan dat:
- (1)
de man van aanvang af overal bij betrokken was9.,
- (2)
ook bij de afspraak met de ouders — die volgt uit de getuigenverklaringen10. — dat er een voorkeursrecht zou worden gevestigd ten gunste van de ouders vanwege het feit dat de grond tegen een gunstige prijs werd geleverd,
- (3)
dat de betwisting dat de man niet op de hoogte was niet geloofwaardig is, gelet op het onder (1) gesteld en de weerlegging van zijn ontkenning dat hij het bewuste emailadres zelf voor communicatie gebruikte11.
- (4)
ook de notaris verklaart dat naar zijn overtuiging de man overal van op de hoogte was, ook van het voorkeursrecht12. en
- (5)
de man ook op de hoogte was van de akte van vestiging daarvan,13.
- (6)
de man daar toen nadat hij daarmee bekend was niet tegen heeft geprotesteerd14.
- (7)
en uiteindelijk, nadat hij heeft aangegeven te willen scheiden, heeft bemerkt dat het voorkeursrecht invloed had op de waarde15., waarin besloten ligt dat de man volgens de vrouw de instemming alsnog pour besoin de la cause is gaan ontkennen.
Uit dit feitelijke verloop (1) t/m (7) kan geen andere conclusie worden getrokken, ook vanuit het perspectief dat een aanwijzing voor wat partijen bij het aangaan van een overeenkomst voor ogen heeft gestaan is hoe partijen daaraan invulling hebben gegeven, dat inderdaad van aanvang af met alle partijen (dus ook met de man) is afgesproken dat de ouders aan de beide zussen grond op het voormalige bedrijventerrein zouden verkopen voor een veel lagere prijs dan de marktwaarde, onder het beding dat in ruil daarvoor (kennelijk als een vorm van antispeculatiebeding) een voorkeursrecht zou worden gevestigd, hetgeen de man niet alleen wist maar, waartegen hij pas in het geweer is gekomen toen er een echtscheiding aan de orde was en hij zag dat het verschil maakte in waarde.16.
Aldus getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting (miskenning artt 3:33 en 3:35 BW en het Haviltexcriterium en toepassing van alle omstandigheden van het geval), althans is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het traject dat partijen samen hebben doorlopen in het bijzonder ook het vestigen van een voorkeursrecht op de grond is besproken en dat de man daarvan op de hoogte was, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven.
Het hof miskent dat het niet gaat om de vraag of ‘partijen het traject samen hebben doorlopen’ maar of de man — al dan niet stilzwijgend — heeft ingestemd met de vestiging van het voorkeursrecht, waarbij zowel in het scenario dat hij daar heel actief bij betrokken is, dan wel dat hij dat aan de notaris en de vrouw heeft overgelaten er in het geheel niet toe doet.
Immers van belang dat de man van aanvang af bij alle besprekingen en onderhandelingen met de ouders betrokken is geweest, dus wist van de voorwaarde van de ouders (voorkeursrecht) en waarom dat was (verkoop tegen een lagere prijs dan de marktwaarde). Indien de man dus wist dat dit ging gebeuren en hij vervolgens aan de aankoop heeft meegewerkt (onder meer door betaling van een deel van de koopprijs) dan maakt dus het vestigen van een voorkeursrecht onderdeel uit van de overeenkomst tussen de ouders enerzijds en de man en de vrouw anderzijds. Dat betekent dat de man dan ook (toen al) stilzwijgend akkoord is gegaan met het vestigen van het voorkeursrecht (nu dat immers onderdeel uitmaakte van de afspraken met de ouders), althans dat de vrouw er in elk geval gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de man daarmee instemde. Het vervolgens gezamenlijk doorlopen van het traject is dus, anders dan het hof overweegt niet van belang.
Om die reden is vervolgens evenmin hetgeen de man blijkens rov. 5.7 daartegen ingebracht, noch zoals hierna nog uiteen wordt gezet, hetgeen het hof overweegt sub (i) t/m (v) daartoe van enig belang, laat staan doorslaggevend. Uit de stellingen sub a t/m n kan immers geen andere conclusie worden getrokken dat de man volledig op de hoogte was en daarmee instemde, althans dat de vrouw daar in redelijkheid op mocht vertrouwen. Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het geen, althans onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Althans miskent het hof aldus oordelend rovv. 5.4, 5.11 t/m 5.14 en 5.16 dat uit de stellingen sub a t/m n, waarvan in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag van moet worden uitgegaan, hoe dan ook geen andere conclusie worden getrokken dat de man zich zodanig heeft gedragen dat de vrouw er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de man met de vestiging van het voorkeursrecht heeft ingestemd, nu die voorwaarden vooraf bekend waren (zie het bewijsaanbod ter zake in onderdeel II), de man naar eigen zeggen alles aan de vrouw en de notaris heeft overgelaten omdat hij zich meer met de technische kant heeft beziggehouden17. en ook nadat hij kennis had genomen van de akte daartegen niet heeft geprotesteerd (en dus kennelijk er van uitging dat dit onderdeel van de afspraken was).18.
1.3
Althans miskent het hof aldus oordelend rovv. 5.4, 5.11 t/m 5.14 en 5.16 dat de omstandigheden tezamen en in onderling verband moeten worden beschouwd doordat het blijkens overwegingen sub (i) t/m (v), de omstandigheden die het dan wel meeweegt, los van elkaar beschouwt c.q. beoordeelt en niet in onderlinge samenhang. De vraag of er sprake is van een instemming hangt van alle omstandigheden van het geval af in samenhang beschouwd. Indien het hof dat niet heeft miskend heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
1.4
Verder miskent het hof aldus oordelend rovv. 5.4, 5.11 t/m 5.14 en 5.16 dat de door het hof wel beoordeelde omstandigheden door mij-HJWA aangeduid met sub (i) t/m (v), gelet op de stellingen sub a t/m n, hoe dan ook niet tot de conclusie leiden dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het traject dat partijen samen hebben doorlopen in het bijzonder ook het vestigen van een voorkeursrecht op de grond is besproken en dat de man daarvan op de hoogte was, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven. Niet alleen is, als gezegd, niet van belang of partijen het traject gezamenlijk hebben doorlopen, het gaat immers of de man heeft ingestemd met het voorkeursrecht, maar daarnaast volgt nu juist uit de stellingen a t/m n dat partijen dit traject wel gezamenlijk hebben doorlopen, ook indien, zoals de man stelt en de vrouw betwist, de focus van de man meer zou zijn gelegen op de technische aspecten. Anders gezegd, de stellingen (i) t/m (v) doen er niet aan af dat de vrouw voldoende heeft gesteld om die — op zijn minst stilzwijgende — instemming gelet op art 149 Rv te kunnen vaststellen, althans is het oordeel onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd. Dit om navolgende redenen.
Allereerst miskent het hof dat die toestemming vormvrij is en dus ook stilzwijgend kan worden gegeven. Het hoeft dus niet expliciet te gebeuren.
Voorts vormen de overwegingen sub (i) t/m (v) geen weerlegging van hetgeen is aangevoerd sub a t/m n.
Immers terzake van het oordeel sub (i), is noch de vaststelling dat in de conceptakte van levering van de grond van 1 september 2017 de vrouw en de man als koper gezamenlijk zijn opgenomen en in de definitieve akte de vrouw alleen, noch dat daarvoor geen reden zou zijn, noch dat het hof dat antwoord niet bevredigend acht, relevant voor de vraag of de man al dan niet stilzwijgend heeft ingestemd en vormt geen weerlegging van de stellingen c, k en i, inhoudend dat de man overal bij betrokken was, overal van wist en ook na het vestigen van het voorkeursrecht daar niet tegen heeft geprotesteerd.19. Bovendien heeft de vrouw ter zitting in eerste aanleg aangegeven dat het de tenaamstelling van de akte niet uitmaakte omdat partijen toch in gemeenschap van goederen zijn gehuwd.20. Met dat laatste bedoelt de vrouw dat de tenaamstelling van de echtelijke woning op haar naam niet tot gevolg heeft dat deze tot haar privévermogen zou gaan horen. Bepalend is immers (slechts) of de man op de hoogte was van de voorwaarde waaronder de grond door de ouders werd verkocht aan de beide dochters en of de man nu die daaraan meebetaalde en dus deel uitmaakte van die overeenkomst van die voorwaarde op de hoogte was en daarmee instemde. De uitwerking van die overeenkomst is dan niet van belang.
Evenmin is daarbij relevant of kan een weerlegging van de stellingen van a t/m n zijn hetgeen het hof sub (ii) overweegt, te weten dat de man is hoogstwaarschijnlijk mede daardoor evenmin partij geweest bij de akte voorkeursrecht tot koop, die door de notaris is verleden op [datum] 2020. Immers, ook hier geldt dat het gaat om de overeenkomst met de ouders en de voorwaarden waaronder de koop heeft plaatsgevonden en niet de uitwerking daarvan. Dit nog daargelaten dat het voor de vermogensrechtelijke verhouding geen verschil maakt: de echtelijke woning valt in de gemeenschap van goederen. Daar kan dus niet worden afgeleid of er sprake is van een stilzwijgende instemming met het voorkeursrecht of juist niet. Deze overweging legt dus evenmin als die van sub (i) gewicht in de schaal indien de man overal bij is geweest (alle besprekingen) op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de ouders van de vrouw de grond aan de beide dochters wilden verkopen en de man ook toen de akte waarbij het voorkeursrecht was gevestigd daartegen niet heeft geprotesteerd (en dus kennelijk er toen van uit is gegaan dat dit geheel conform de afspraak was met de ouders (tussen de ouders en de man en de vrouw).
In de overweging sub (iii) acht het hof de door de vrouw overgelegde correspondentie met het notariskantoor over het vestigen van een voorkeursrecht niet bepalend, omdat die correspondentie de man niet rechtstreeks aangaat. Het hof miskent echter dat die correspondentie niet los kan worden gezien van de stellingen c, i en k , waarin telkens wordt gesteld dat de man bij alle besprekingen is betrokken en derhalve van alles op de hoogte was. In dat kader kan die correspondentie, zeker in onderling verband beschouwd met de overige stellingen a t/m n weldegelijk ertoe leiden dat moet worden aangenomen dat de man al dan niet stilzwijgend met het vestigen van het voorkeursrecht heeft ingestemd.
In dat kader is evenmin van belang en overigens ook ongeloofwaardig de stelling die het hof voor waar aanneemt (en daarmee, gelet op de stellingen van de vrouw sub c, i en k art 149 Rv miskent) sub (iv) , te weten ‘dit mede bezien tegen de achtergrond van de toelichting van de man ter zitting dat hij wel op de hoogte was van de aankoop van de grond, maar zich met de juridische implicaties daarvan niet heeft beziggehouden omdat dit een zaak tussen de ouders van de vrouw en de vrouw binnen de familiesfeer betrof’. Dit oordeel is bovendien onbegrijpelijk want innerlijk tegenstrijdig: partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd en de man heeft ook — naar vaststaat -de helft van de koopprijs van de grond van zijn ondernemingsrekening betaald.21. Daarmee betrof het dus niet ‘een zaak tussen de ouders van de vrouw en de vrouw binnen de familiesfeer’. Het betrof een overeenkomst waar de man bij betrokken was omdat hij een deel van de kooprijs heeft betaald en volgens de stellingen van de vrouw op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de ouders die grond wilden verkopen (vestigen voorkeursrecht).
Deze stelling had het hof bovendien, gelet op het bepaalde in artikel 149 Rv niet als vaststaand mogen aannemen, gelet op de expliciete stellingen van de vrouw dat de man overal bij betrokken was en overal van op de hoogte was (sub c, h, i en k) Het hof laat hiermee in het bijzonder ook de verklaringen van de ouders van de vrouw en van de zus onbesproken (zie sub i). Althans is het oordeel niet toereikend gemotiveerd.
Het hof miskent verder dat het hier gaat om of er tussen partijen een stilzwijgende instemming met het vestigen van het voorkeursrecht tot stand is gekomen (althans of de vrouw daar gelet op 3:33 en 3:35 BW daarvan mocht uitgaan). Dan is dus irrelevant of de man stelt dat hij zich met de juridische kant niet zo heeft bezig gehouden (en of partijen samen het hele traject hebben doorlopen, dan wel dat hij de uitvoering aan de vrouw en de notaris heeft gelaten). Indien hij immers overal bij was, de voorwaarden kende, met de akte stilzwijgend heeft ingestemd ook doordat hij toen hij daarvan kennisnam daartegen niet heeft geprotesteerd22. dan is overweging sub iv hoe dan ook geen rechtens relevant argument voor de vraag of er een stilzwijgende toestemming is gegeven.
Dit geldt mutatis mutandis voor overweging sub (v) dat de man wel nauw betrokken was bij de wens van partijen om op de grond een nieuwe woning te kunnen realiseren, maar dat zijn focus al die tijd lag op de technische aspecten die daarbij kwamen kijken, alsook de omstandigheid dat de man in 2018 is getroffen door een hersenbloeding, waardoor zijn energie vanaf dat moment beperkt was, daarbij ook een rol heeft gespeeld. Ook hier miskent het hof Haviltex en artt 3:33 en 3:35 BW. Indien immers de man overal bij was, ook bij de gesprekken aan de keukentafel waarbij ook het voorkeursrecht is besproken als voorwaarde voor de verkoop van de grond voor een lage prijs en ook dat dit met de notaris besproken is en vervolgens ook dat de man heeft kennisgenomen van het feit dat het voorkeursrecht is gevestigd en dit kennelijk (steeds) heeft geaccepteerd totdat er sprake was van een echtscheidingssituatie en uit de taxatie bleek dat er sprake was van een verschil in waarde, dan kunnen geen van de overwegingen sub i t/m v daaraan afdoen. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
II
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 5.15 waarin het hof het bewijsaanbod van de vrouw passeert, nu dat volgens het hof enkel betrekking heeft op de stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond is verkocht en derhalve niet op de vraag waar het in deze zaak om draait, namelijk of de man toestemming heeft gegeven voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond.
II.0
Het bewijsaanbod luidt in het beroepschrift rnr. 25:
- ‘25.
De vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen middels alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van het horen van getuigen. Zo kunnen haar ouders verklaren dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond aan hem aan de vrouw werd verkocht. Zulks geldt ook voor de zus van de vrouw en haar echtgenoot. Het betreft de heer en mevrouw [betrokkene 1 en 2] wonende te [a-plaats] aan de [a-straat 1]. De heer en mevrouw [betrokkene 3 en 4] wonende te [a-plaats] aan de [a-straat 2].’
II.1
Zoals in onderdeel I al uiteen is gezet dient aan de hand van art 3:33 en 3:35 en/of de Haviltexmaatstaf te worden bepaald of de man stilzwijgend heeft ingestemd met het vestigen van het voorkeursrecht. Ook is in onderdeel I aangevoerd onder verwijzing naar de stellingen sub a t/m n dat de man van aanvang af volledig op de hoogte was van de voorwaarde waaronder de ouders van de vrouw grond aan de vrouw en aan haar zus wilden verkopen (voorkeursrecht tegenover lagere prijs dan de marktwaarde) en hebben verkocht. Op basis daarvan is een overeenkomst gesloten waarbij de man betrokken was omdat hij ook een deel van de koopprijs van de grond heeft betaald. De vrouw heeft daaromtrent ook verklaringen van de ouders23. en de zus24. overgelegd en daar een beroep op gedaan.25. Indien die voorwaarden bekend zijn en nu de man en de vrouw in gemeenschap van goederen gehuwd waren en de man ook via zijn onderneming de helft van de koopprijs voor de grond heeft voldaan26. is dus in het kader van de vraag of de man stilzwijgend akkoord is gegaan (welke vraag moet worden beantwoord aan de hand van art 3:33 en 3:35 BW en Haviltex) weldegelijk van (cruciaal) belang dat te bewijzen wordt aangeboden dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond aan hem aan de vrouw werd verkocht en daarmee ook heeft ingestemd. Alsdan miskent het hof dat het bewijsaanbod ten zeerste ter zake dienend en ook voldoende gespecificeerd is. Het hof mocht dit bewijsaanbod dan ook niet passeren.
II.2
Althans is het ook overigens rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat het hof het bewijsaanbod afwijst omdat dat volgens het hof enkel betrekking heeft op de stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond is verkocht en derhalve niet op de vraag waar het in deze zaak om draait, namelijk of de man toestemming heeft gegeven voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond. Immers, de vraag of de man — impliciet — toestemming heeft gegeven draait mede om de vraag of de man op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond aan de man en de vrouw werd verkocht. Immers als dat uitsluitend zou worden gedaan onder de voorwaarde van de vestiging van een voorkeursrecht (waarbij ook is aangegeven dat dit verband hield met de lage grondprijs), dan kon en mocht de vrouw er dus op vertrouwen dat de man dus instemde met het vestigen van dit voorkeursrecht. Ook dan is er dus sprake van een terzake dienend en voldoende gespecificeerd bewijsaanbod.
II.3
Indien en voor zover het hof van oordeel is dat het aanbod niet voldoende gespecificeerd is dan getuigt dat oordeel hetzij van een onjuiste rechtsopvatting (want stelt het te hoge eisen aan een bewijsaanbod) en als het hof het niet voldoende gespecificeerd acht dan is dat oordeel rechtens onjuist (te hoge maatstaf) althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Immers er wordt aangeboden wat men wil bewijzen en ook hoe. Er gelden in dit specifieke geval geen hogere motiveringseisen voor het bewijsaanbod.
III.
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten vitiëert ook rov. 5.14 t/m 5.17 en het dictum.
Weshalve:
De vrouw op grond van dit middel de vernietiging van de beschikking verzoekt met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerder in cassatie in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na het te deze te wijzen beschikking van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑02‑2024
Beroepschrift rnr. 12. Het hof noemt in rov. 5.6 bij de opsomming van de stellingen van de vrouw wel dat het voorkeursrecht een voorwaarde was, maar niet dat dit verband hield met het feit dat de grond onder de marktwaarde werd verkocht en dat het voorkeursrecht daarom werd bedongen.
Het hof noteert dit wel in rov. 5.6 als een stelling van de vrouw, mar betrekt dit vervolgens, niet althans onvoldoende in zijn beoordeling.
Beroepschrift rnr. 12
Beroepschrift rnr. 12
Beroepschrift zijdens de vrouw rnr 14.
Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het al van aanvang af duidelijk was dat dit voorkeursrecht zou worden gevestigd en dat dit door omstandigheden toe te rekenen aan de notaris niet is gebeurd.
P-v p. 17 derde woordblok van onderen.
Dit wordt ook met zoveel woorden in de begeleidende brief van 1 oktober 2023 aan het hof gemeld.
Zie sub c, i en k.
Zie sub i en k.
Sub n.
Sub j.
Sub k.
Sub j en k.
Sub l.
Overigens correspondeert de lagere taxatiewaarde met de lagere koopprijs voor de grond. De man is dus op geen enkele wijze benadeeld.
Rov 5.13.
Zie in het bijzonder sub j, k en l.
Sub j.
Sub m.
Beroepschrift zijdens de vrouw rnr 14 en sub e.
Sub j.
Zie sub i en k.
Zie eveneens sub i en k.
Andermaal: zie sub i en k.
Zie sub e.