Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/8.3
8.3 De beperking tot samenwerking met de doelvennootschap
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS366328:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Ginneken 2010, p. 203 en Sanders 2006, p. 436.
Zie art. L. 233-10-1 tweede zin Code de Commerce. In Duitsland is dit weliswaar ook zo, maar de desbetreffende regel (§ 2 Abs. 5 WpÜG) is niet van toepassing bij de biedplicht (zie eerder § 5.4.2.1).
Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 9, p. 16 (tweede nota van wijziging).
Zie hierover Beckers 2009, p. 27.
Rebers/Maatman 2008, p. 387-388 en Rebers 2007, p. 362.
De toenmalige CEO van Fairstar maakte in een brief aan bieder Dockwise bekend dat aandeelhouders met een gezamenlijk belang van 40% hun stukken niet zouden aanbieden voor minder dan 12 Noorse kronen, terwijl het bod van Dockwise 9,30 kronen bedroeg, zie “Dockwise moet bod op Fairstar verhogen”, Belegger.nl 14 mei 2012.
Naar Nederlands recht kan alleen samenwerking met de doelvennootschap tot een biedplicht wegens defensief acting in concert leiden; samenwerking door aandeelhouders onderling valt buiten dit kader. Dit is opmerkelijk.1 Van de onderzochte lidstaten kennen alleen de Franse regels een dergelijke beperking.2 Onduidelijk is waarom samenwerking door aandeelhouders onderling niet tot een biedplicht zou moeten leiden.
Volgens de toelichting volgt deze beperking uit de Overnamerichtlijn3, waar defensief acting in concert expliciet is beperkt tot samenwerking met de doelvennootschap. Inderdaad lijkt de richtlijn in deze zin beperkt. Echter, nu de richtlijn niet dwingend is gelet op haar karakter van minimumharmonisatie-light (zie eerder § 3.3.4), is nog niet verklaard waarom de richtlijn op dit punt gevolgd is. Een verklaring voor de bedoelde beperking had te meer voor de hand gelegen nu de wetgever op andere punten wel de mogelijkheid heeft benut om de acting in concert-regels uit te breiden; “offensief” acting in concert is immers niet beperkt tot samenwerking met de bieder, zoals in de Overnamerichtlijn.4
In de literatuur wordt gesuggereerd5 dat de Minister met de eis van samenwerking met de doelvennootschap heeft willen voorkomen dat beleggers die een bod dwarsbomen, bijvoorbeeld omdat zij het bod op een of meer punten aangepast willen zien, biedplichtig zouden zijn. Ik denk dat dit terecht is (zie hierna), maar uiteindelijk is dit een rechtspolitieke keuze. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom minderheidsaandeelhouders geen behoefte aan bescherming zouden hebben bij samenwerking zonder de doelvennootschap. De rechtvaardiging voor de beperking tot samenwerking met de doelvennootschap zou ook kunnen worden gezocht in het verhoogde gevaar van benadeling van minderheidsaandeelhouders. Als gevolg van de betrokkenheid van (het bestuur van) de doelvennootschap krijgt de samenwerking in zekere zin een vennootschappelijke dimensie, hetgeen zich vertaald in een groter risico op benadeling van minderheidsaandeelhouders (vgl. § 4.3.4.2).
Uiteraard is niet in abstracto te zeggen wanneer sprake is van samenwerking met de doelvennootschap. Steeds zal daaraan, net als bij het offensieve acting in concert, een overeenkomst in de zin van art. 6:213BW aan ten grondslag moeten liggen (§ 9.2). Het enkele feit dat het bestuur stelt dat een groep aandeelhouders niet zal aanbieden bij een bepaalde prijs6, is daarvoor onvoldoende. Emissie van beschermingspreferente aandelen aan een stichting continuïteit zal vaak geschieden op basis van een optieovereenkomst; een biedplicht ligt hier echter niet voor de hand (§ 8.5.3.2 sub I).