NJB 2024/2673:Bilateraal investeringsverdrag. Arbitrage. Vernietigingsprocedure. Een Oekraïense bank voert een arbitrageprocedure in Nederland tegen de Russische Federatie op basis van een bilateraal investeringsverdrag uit 1998. De Russische Federatie voert het verweer dat het bilateraal investeringsverdrag niet van toepassing is en dat het scheidsgerecht daarom niet bevoegd is. De Russische Federatie vordert bij de Nederlandse rechter vernietiging van de arbitrale vonnissen. Hoge Raad: 1. Geldige arbitrageovereenkomst. a. Toetsing overheidsrechter. Een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het ontbreken van een arbitrageovereenkomst wordt niet terughoudend getoetst. b. Bewijslastverdeling. De stelplicht en bewijslast ter zake van het bestaan van een geldige arbitrageovereenkomst rusten op de partij die zich daarop beroept. Dat geldt ook in een vernietigingsprocedure waarin de andere partij het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst als vernietigingsgrond aanvoert. 2. Vreemd recht. Toetsing in cassatie. Nederland is geen partij bij het bilateraal investeringsverdrag en is daaraan ook niet anderszins gebonden. Het verdrag wordt beschouwd als recht van een vreemde staat. Oordelen van het hof omtrent de inhoud en uitleg daarvan kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Klachten over de uitleg en toepassing van het Weens Verdragenverdrag kan de Hoge Raad wel volledig beoordelen. 3. ‘Territory’ als bedoeld in het bilateraal investeringsverdrag. Het hof heeft geoordeeld dat de Krim valt onder de territory van de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag. Het hof heeft kenbaar toepassing gegeven aan een in het Weens Verdragenverdrag neergelegde regel van verdragsuitleg en ook overigens geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, of een onbegrijpelijk oordeel gegeven. 4. ‘In accordance with its legislation’ als bedoeld in het bilateraal investeringsverdrag. Beoordeling in fasen. Er is geen regel die meebrengt dat een scheidsgerecht een illegaliteitsverweer als hier bedoeld steeds ten volle moet beoordelen in de bevoegdheidsfase en niet (deels) kan behandelen in de fase betreffende de omvang van de schadevergoeding. In deze vernietigingsprocedure kon het hof dus afzien van het beoordelen van illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie op de grond dat deze nog aan de orde zullen komen bij het scheidsgerecht.