Deze zaak hangt samen met de zaken 22/03895, 22/03901 en 22/03902, waarin vandaag eveneens uitspraak is gedaan.
HR, 06-12-2024, nr. 22/03897
ECLI:NL:HR:2024:1807
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-12-2024
- Zaaknummer
22/03897
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1807, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑12‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:45
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:1294
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:184
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑10‑2022
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0002
NJ 2025/229 met annotatie van C.G. van der Plas
Uitspraak 06‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Internationale arbitrage. Vernietigingsprocedure en herroepingsprocedure, art. 1064 en 1065 Rv. Bilateraal investeringsverdrag Russische Federatie – Oekraïne (BIT 1998). Onteigening bezittingen op de Krim, schadevergoeding. Uitleg begrip ‘territory’ in BIT 1998, Weens Verdragenverdrag. Splitsing arbitrale procedure, vraag of investering is gedaan ‘in accordance with (…) legislation’ in zin BIT 1998, bevoegdheid scheidsgerecht, beoordeling in latere fase arbitrale procedure. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van bestaan geldige arbitrageovereenkomst. Samenhang met ECLI:NL:HR:2024:1813, ECLI:NL:HR:2024:1812 en ECLI:NL:HR:2024:1810.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03897
Datum 6 december 2024
ARREST
In de zaak van
DE RUSSISCHE FEDERATIE,
zetelend te Moskou, Russische Federatie,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
advocaten: [advocaat 1] en [advocaat 2],
tegen
JSC CB PRIVATBANK,
gevestigd te Kiev, Ukraine,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Privatbank,
advocaten: [advocaat 3] en [advocaat 4].
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het arrest in de zaken 200.266.442/01 en 200.266.444/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 juli 2022.
De Russische Federatie heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Privatbank heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Privatbank mede door [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3].
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Privatbank is bij het Permanente Hof van Arbitrage (hierna: het PHA) te Den Haag een arbitrageprocedure begonnen tegen de Russische Federatie op basis van een tussen Oekraïne en de Russische Federatie in 1998 gesloten bilateraal investeringsverdrag (hierna: het BIT 1998). Volgens Privatbank zijn – met haar bankactiviteiten samenhangende – investeringen die zij deed op de Krim na de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie onteigend in strijd met dit verdrag, waardoor zij schade heeft geleden. Het scheidsgerecht heeft een tussenuitspraak en een gedeeltelijke einduitspraak gedaan, waarin het onder meer heeft geoordeeld over zijn bevoegdheid en over de vraag of de Russische Federatie het BIT 1998 heeft geschonden. De Russische Federatie heeft – nu de plaats van arbitrage in Nederland is gelegen – bij de Nederlandse rechter een vernietigingsprocedure en een herroepingsprocedure aanhangig gemaakt, die gevoegd zijn behandeld. In de vernietigingsprocedure voert de Russische Federatie op meerdere gronden aan dat het BIT 1998 in dit geval toepassing mist en dat het scheidsgerecht daarom ten onrechte bevoegdheid heeft aangenomen. Verder stelt zij dat de arbitrale uitspraken moeten worden vernietigd wegens strijd met de openbare orde. In de herroepingsprocedure voert de Russische Federatie aan dat de arbitrale uitspraken moeten worden herroepen onder meer omdat Privatbank in de arbitrale procedure bedrog zou hebben gepleegd en stukken zou hebben achtergehouden.1.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De gebeurtenissen op de Krim
(i) De achtergrond van de arbitragezaak is gelegen in de gebeurtenissen op de Krim in 2014. De Krim was tot (in ieder geval) 6 maart 2014 onderdeel van Oekraïne.
(ii) Op 6 maart 2014 maakte het parlement van de Krim zijn voornemen bekend om aan te sluiten bij de Russische Federatie en agendeerde het een referendum over de onafhankelijkheid. Na een referendum onder de bevolking van de Krim op 16 maart 2014 verklaarde het parlement van de Krim op 17 maart 2014 de Krim onafhankelijk van Oekraïne met als doel om een onafhankelijke soevereine staat te worden en de Russische Federatie te verzoeken om zich bij haar te mogen aansluiten. Op 18 maart 2014 ondertekende de Russische Federatie een verdrag inzake de toelating van de Republiek de Krim tot de Russische Federatie (hierna: het Annexatieverdrag). Op 21-22 maart 2014 keurde het Russische parlement het Annexatieverdrag goed en ratificeerde het dat verdrag. Op 21 maart 2014 nam de Russische Federatie een wet aan waarin de toetreding van de Republiek de Krim en de stad Sebastopol tot de Russische Federatie per 18 maart 2014 werd bevestigd (hierna: de Toelatingswet). De Toelatingswet erkende onder meer de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen eigendomsrechten per 18 maart 2014.
(iii) De Republiek de Krim wordt niet erkend door Oekraïne en evenmin door de internationale gemeenschap. Feitelijk staat de Krim sinds maart 2014 onder bestuur van de Russische Federatie.
Privatbank
(iv) Privatbank is in 1992 in Oekraïne opgericht naar Oekraïens recht. Vanaf de oprichting tot aan de nationalisatie in 2016 (zie hierna onder (v) en volgende) waren de meerderheid van de aandelen en de zeggenschap in handen van twee personen met (onder meer) de Oekraïense nationaliteit, [twee aandeelhouders]. Privatbank werd op 19 maart 1992 door de Nationale Bank van Oekraïne (hierna: NBU) in de State Register of Banks geregistreerd. Het was Privatbank daarmee toegestaan om bankactiviteiten te ontplooien in Oekraïne. In 1994 breidde Privatbank haar activiteiten uit naar de Krim, waaronder Sebastopol. Vanaf 1996 begon de NBU licenties aan banken uit te geven. Aan Privatbank heeft de NBU toen een volledige banklicentie uitgegeven. Privatbank had filialen op de Krim en beheerde aldaar investeringen als geldautomaten en zelfbedieningsloketten. Privatbank heeft leningen uitgegeven aan bedrijven en particulieren op de Krim.
(v) Op 21 april 2014 nam de Russische Centrale Bank het besluit de activiteiten van Privatbank op de Krim te beëindigen. De Russische Centrale Bank gaf daarvoor als reden het falen van Privatbank “to perform obligations to creditors (depositors)” (Central Bank of the Russian Federation Resolution No. PH-33-1 “On Terminating the Activities of Standalone Business Units of the Public Joint Stock Company PrivatBank Commercial Bank of Dnepropetrovsk. Ukraine on the territory of the Republic of Crimea and the City of Sevastopol, a City of Federal Significance”). Tussen maart 2014 en dit besluit waren al filialen en andere activa van Privatbank op de Krim door de Russische Federatie in beslag genomen. In april 2014 vaardigde de State Council of the Republic of Crimea een verordening uit waarin stond dat bepaalde bezittingen van Privatbank op de Krim werden genationaliseerd (Decree No. 2085-6/14 of the State Council of the Republic of Crimea dated 30 April 2014 and amendments thereto dated 3 september 2014 to 27 February 2015 (CE-88-E)).
(vi) Op 18 december 2016 heeft de NBU Privatbank in Oekraïne failliet laten verklaren. De reden daarvoor was de slechte kapitaalpositie van Privatbank. Op voorstel van de NBU is Privatbank vervolgens voor 1 Oekraïense grivna verkocht aan de Oekraïense staat. Na de nationalisatie werd een herkapitalisatie van Privatbank uitgevoerd. In totaal vond herkapitalisatie plaats voor een bedrag van meer dan USD 5,5 miljard.
(vii) Voorafgaand aan het faillissement van Privatbank heeft de NBU een onderzoek laten uitvoeren naar onder meer Privatbank door een extern internationaal onderzoeksbureau, Kroll Inc. (hierna: Kroll). Naar aanleiding van dit onderzoek heeft NBU op 16 januari 2018 een persbericht doen uitgaan waarin zij de belangrijkste bevindingen van het onderzoek omschreef. Dit persbericht luidt als volgt:
“The results of an independent investigation by the company Kroll have been presented to the National Bank of Ukraine. The investigation has identified that PrivatBank was subjected to a large scale and coordinated fraud over at least a ten year period ending December 2016, which resulted in the Bank suffering a loss of at least USD 5.5 billion. Key findings of the investigation include:
1. Extraction of funds. There are clear indications that loan proceeds were used to purchase assets and to finance business enterprises inside and outside of Ukraine for the benefit of former shareholders and their affiliates.
2. Disguising the origins of funds. The mechanisms used to disguise the origin and destination of loan funds demonstrated the characteristics of a large-scale money laundering scheme. The volume and timing of the transactions within minutes of
each other and with no declared connection between the entity repaying the loan and
the original borrower and the extensive use of Special Purpose Vehicle (SPV)
companies based in off-shore jurisdictions, demonstrated indications of a concerted
attempt to disguise the true nature of the economic purpose from regulatory and
other stakeholders for the benefit of the former shareholders and their affiliates.
3. Bank within the bank. Central to the coordinated manipulation of the loan book,
and extraction of benefit was a shadow banking structure within PrivatBank. The
secretive structure processed and facilitated the movement of the proceeds of
hundreds of loans worth billions of USD to parties related to the former
shareholders and their affiliates. This shadow banking structure used hundreds of
employees embedded within the bank.
4. Structure and administration of the loansThe shadow bank administered the
related party corporate loan portfolio. It issued new loans, typically used to repay
principal and interest on existing related party loans (Recycling Scheme), and was
the architect of fund flow mechanisms to disguise the origin and destination of the
loan funds, presenting a façade of an ordinary client-focused bank. The Bank
attracted funds from private and commercial depositors from Ukraine and other
countries, which facilitated the Loan Recycling Scheme. This long term hiding of
such a large exposure to related parties required PrivatBank to make repeated false
representations of its financial position. This misrepresentation could only have been
achieved through multiple instances of banking fraud and false accounting by the
former management of the bank.
5. Balance sheet. Prior to nationalisation in December 2016, more than 95 percent of corporate lending was to parties related to former shareholders and their
affiliates. Towards the end of 2016, 75% of the loan book was consolidated into
loans to 36 borrowers related to the former shareholders and their affiliates. The
majority of these loans remain overdue and unpaid, resulting in a loss to the Bank of
at least USD 5.5 billion.”
Het BIT 1998
(viii) Op 27 november 1998 hebben Oekraïne en de Russische Federatie het BIT 1998 (Agreement between the Government of the Russian Federation and the Cabinet of Ministers of Ukraine on the encouragement and mutual protection of investments) gesloten. Dit verdrag, dat op 27 januari 2000 in werking is getreden, voorziet onder meer in bescherming van investeringen (investments), gedaan door investeerders van de ene lidstaat op het grondgebied (territory) van de andere lidstaat. De authentieke taalversies van het BIT 1998 zijn in het Russisch en het Oekraïens.
(ix) Enkele relevante artikelen uit het BIT 1998 luiden, in de Engelse vertaling, als volgt.
“Article 1
Definitions
For the purposes of this Agreement:
1. The term “investments” means any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other
Contracting Party in accordance with its legislation, including
(...)
Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not
affect their nature as investments, provided that such alteration is not contrary to
legislation of a Contracting Party in the territory of which the investments were
made.
2. The term “investor of a Contracting Party” means:
a) any natural person having the citizenship of the state of that Contracting Party and
who is competent in accordance with its legislation to make investments in the
territory of the other Contracting Party:
b) any legal entity constituted in accordance with the legislation in force in the
territory of that Contracting Party, provided that the said legal entity is competent in
accordance with legislation of that Contracting Party, to make investments in the
territory of the other Contracting party.
(…)
4. The term “territory” means the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well as their respective exclusive economic zone and the continental
shelf, defined in accordance with international law.
5. The term “legislation of the Contracting Party” means legislation of the Russian
Federation or Ukraine, respectively.
(…)
Article 12
Application of the Agreement
This Agreement shall apply to all investments made by investors of one Contracting
Party in the territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992.
Article 13
Amendments
By their mutual consent, the Contracting Parties may make necessary amendments
and addenda to this Agreement, which shall be formalized as relevant Protocols and
shall constitute an integral part of this Agreement after each of the Contracting
Parties has notified the other that the national procedures necessary for the Protocol
to take effect have been completed.”
De arbitrale procedure
(x) Op 1 april 2015 betekenden Privatbank en Finance Company Finilon LLC (hierna: Finilon) de Notice of Arbitration aan de Russische Federatie. Finilon was een entiteit die een deel van de investeringen van Privatbank had verkregen. In de vernietigings- en herroepingsprocedure speelt Finilon geen rol, omdat in de arbitrale procedure Finilon geen compensatie voor door haar geleden schade heeft geëist. Hierna zal enkel nog van Privatbank worden gesproken.
(xi) Privatbank liet bij de Notice of Arbitration weten wie zij als arbiter benoemde. Omdat de Russische Federatie geen eigen arbiter benoemde, is overeenkomstig artikel 7 lid 2 onder (b) van de UNCITRAL-regels een tweede arbiter benoemd. Beide arbiters hebben vervolgens een derde arbiter als voorzitter benoemd. De arbiters hebben Den Haag als plaats van arbitrage aangewezen.
(xii) Privatbank stelde zich kort gezegd op het standpunt dat de Russische Federatie haar verplichtingen op grond van de artikelen 2, 3, 5 en 6 van de BIT 1998 heeft geschonden door het nemen van de hiervoor in 2.2 onder (v) genoemde maatregelen (kort gezegd: de nationalisatie en/of onteigening). Volgens Privatbank was sprake van een onwettige onteigening van de investeringen van Privatbank op de Krim en heeft de Russische Federatie daarvoor geen compensatie verstrekt.
(xiii) De Russische Federatie heeft het PHA bij brief van 16 juni 2015 van het ministerie van Justitie van de Russische Federatie en begeleidende brief van 1 juli 2015 van de toenmalige ambassadeur van de Russische Federatie in Nederland medegedeeld dat zij elk scheidsgerecht, hoe ook samengesteld, onbevoegd acht om over de tegen haar ingestelde vorderingen te beslissen.
(xiv) De Russische Federatie is gedurende de arbitrageprocedure op de hoogte gehouden van alle procedurestappen en heeft kopieën ontvangen van alle bij de procedure behorende stukken, verzoeken en brieven met alle bijlagen. Zij heeft tot aan het wijzen van het deelvonnis van 4 februari 2019 niet deelgenomen aan de arbitrageprocedure.
(xv) Het scheidsgerecht heeft de arbitrageprocedure gesplitst met als doel om kwesties betreffende bevoegdheid (jurisdiction) en aansprakelijkheid (liability) in een preliminaire fase van de procedure te behandelen (bifurcation). Op 24 februari 2017 heeft het scheidsgerecht een tussenuitspraak (Interim Award) gedaan, die is gecorrigeerd op 27 maart 2017.2.Het dictum van deze uitspraak luidt als volgt:
“For the foregoing reasons, the Tribunal finds that:
1. the Russian Federation has assumed obligations under the Treaty in respect of the Claimants and their claimed investments in the Crimean Peninsula as of 21 March 2014;
2. there is a dispute between the Parties arising in connection with what the Claimants allege to constitute “investments” under the Treaty; and
3. the Claimants have satisfied the notice and negotiation requirements under Article 9 of the Treaty.”
(xvi) Het scheidsgerecht heeft hierna de arbitrage verder opgesplitst in een aansprakelijkheidsfase en een fase betreffende de omvang van de schadevergoeding (quantum phase). Op 4 februari 2019 heeft het scheidsgerecht een deeluitspraak (Partial Award) gedaan.3.Het dictum van deze uitspraak luidt als volgt:
“For the foregoing reasons, the Tribunal finds that:
1. the Tribunal has jurisdiction over PrivatBank’s claims under the Treaty;
2. PrivatBank’s claims are admissible; and
3. the Russian Federation has breached Article 5 of the Treaty in respect of
PrivatBank’s investments.
The issue of compensation due in the light of this finding of liability and any decision of the costs of arbitration are deferred to the next phase of the arbitration.”
(xvii) Bij brief van 21 mei 2019 heeft de Russische Federatie aan het scheidsgerecht te kennen gegeven alsnog deel te zullen nemen aan de arbitrale procedure. Zij heeft bij die brief diverse verzoeken gedaan waarop het scheidsgerecht heeft gerespondeerd in de Procedural Order no. 7 van 12 september 2019. Het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren met betrekking tot (de omvang van) de schadevergoeding, waarbij zij in dat kader ook in de gelegenheid is gesteld om haar Illegality Objection nader uit te werken. De relevante passages van de Procedural Order no. 7 luiden als volgt:
“2.11 In any event, having reviewed the jurisdictional objections summarized in the Respondent’s recent correspondence, as well as the Respondent’s Set Aside and Revocation Writs, the Tribunal considers that its Awards address both the threshold jurisdictional issue of the application of the Treaty between the Russian Federation and Ukraine in respect of the Crimean Peninsula in the period from February 2014 onwards, and all other applicable jurisdictional and admissibility requirements under the Treaty.
2.12
That said, the Tribunal notes that, in support of its argument that “PrivatBank does ... not qualify as an investor within the meaning of Article 1(1) of the [Treaty] who has made investments within the meaning of Article 1(2) of the [Treaty] because PrivatBank obtained its investments through corruption, fraud and violence, among other things” (the “Illegality Objection”), the Respondent has put forward in its Set Aside and Revocation Writs a set of arguments and factual evidence that was neither put before the Tribunal by the Claimant, nor addressed by the Tribunal in its Awards. Although the Respondent could have raised this issue at an earlier stage of these proceedings, the Tribunal considers that, in view of the substantial new evidence now adduced by the Respondent, as well as the serious nature of its allegations, it would be appropriate to allow the Respondent to make submissions on its Illegality Objection, should it wish to do so. In order to minimize any delay resulting from such submissions and given that the Respondent’s arguments and evidence in respect of the Illegality Objection will likely also be relevant to the damages issues in these proceedings, the Tribunal considers that any such submissions should be made in the Respondent’s submissions on compensation (as to which, see paragraph 2.24 below).
2.13
The Tribunal accordingly denies the Respondent’s request for permission to make written and oral submissions on jurisdiction, save that in its submissions on compensation (as to which, see paragraph 2.24 below) the Respondent may make submissions in respect of its Illegality Objection.”
2.3
In deze procedure heeft de Russische Federatie gevorderd de arbitrale vonnissen van 24 februari 2017, zoals gecorrigeerd op 27 maart 2017, en van 4 februari 2019 te vernietigen. Daarnaast heeft zij in de herroepingsprocedure verzocht om de arbitrale vonnissen (van 24 februari 2017, 27 maart 2017 en 4 februari 2019) te herroepen en te vernietigen.
2.4
Het hof heeft de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen.4.Daartoe heeft het, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Tussenarrest:
De inzagevorderingen van de Russische Federatie in de onderhavige procedure overlappen met de inzagevordering van de Russische Federatie in de arbitrale procedure. De Russische Federatie zal in de disclosure phase van de arbitrale procedure opnieuw stukken bij Privatbank kunnen opvragen. Vanwege deze overlap en het feit dat in de quantum phase van de arbitrale procedure ook de rechtmatigheid van de investeringen ter discussie staat, heeft de Russische Federatie in dit stadium niet voldoende belang bij haar inzagevordering in deze procedure. (rov. 4.8)
In beide zaken steunen de vorderingen van de Russische Federatie op gestelde corruptie, fraude en geweld bij de verkrijging van de investeringen van Privatbank in de Krim. Privatbank heeft gesteld dat zelfs als de verwijten van corruptie, fraude en geweld van de Russische Federatie ten aanzien van bepaalde investeringen gegrond zouden zijn, de onteigening door de Russische Federatie in ieder geval ook rechtmatige investeringen van Privatbank in de Krim heeft getroffen. De Russische Federatie heeft deze stelling niet of althans niet voldoende gemotiveerd betwist. De Russische Federatie heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij met de stukken waarvan zij in dit incident afschriften vordert, ten aanzien van alle investeringen van Privatbank in de Krim zou kunnen aantonen dat zij door corruptie, fraude of geweld zijn verkregen. (rov. 4.9)
In deze omstandigheden heeft de Russische Federatie in dit stadium onvoldoende belang bij haar inzagevorderingen. Een vaststelling dat een deel van de investeringen van Privatbank in de Krim door corruptie, fraude of geweld is verkregen of dat Privatbank informatie dienaangaande in de arbitrale procedure heeft achtergehouden, kan immers niet leiden tot herroeping of vernietiging van het arbitrale tussenvonnis of het gedeeltelijk eindvonnis. Het tussenvonnis steunt niet op een oordeel ten aanzien van de rechtmatigheid van de investeringen, zodat het niet zou kunnen worden aangetast als zou worden vastgesteld dat een deel van die investeringen onrechtmatig is, of Privatbank in de arbitrale procedure informatie heeft achtergehouden waaruit de onrechtmatigheid van een deel van die investeringen blijkt. In het gedeeltelijk eindvonnis heeft het scheidsgerecht wel een algemeen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de investeringen, maar dat oordeel berust op een analyse van de wetgeving van de Russische Federatie waarbij de Russische Federatie de Krim heeft geïncorporeerd. Het gedeeltelijk eindvonnis gaat niet in op (de rechtmatigheid van) specifieke investeringen, kennelijk omdat de Russische Federatie die rechtmatigheid in dat stadium van de arbitrale procedure niet heeft aangevochten. Een vaststelling dat specifieke investeringen van Privatbank in de Krim niet gekwalificeerd kunnen worden als ‘investeringen’ in de zin van het Verdrag omdat zij onrechtmatig zijn verkregen, zou dus evenmin kunnen leiden tot vernietiging van het gedeeltelijk eindvonnis wegens algehele onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Er kan immers van uit gegaan worden dat er ook investeringen van Privatbank in de Krim zijn die wel rechtmatig zijn verkregen, en ten aanzien van die investeringen kan niet worden gezegd dat het scheidsgerecht onbevoegd is. De vraag of het scheidsgerecht ten aanzien van specifieke investeringen van Privatbank in de Krim onbevoegd is omdat deze investeringen onrechtmatig zijn verkregen, kan pas worden beantwoord nadat ook de quantum phase is afgerond, waarin het scheidsgerecht zal oordelen over de (on)rechtmatigheid van specifieke investeringen naar aanleiding van de stellingen van de Russische Federatie. Pas met het oog op een vordering tot herroeping of vernietiging van dat eindoordeel van het scheidsgerecht zou de Russische Federatie een belang kunnen hebben bij inzage in stukken waarmee zij de onrechtmatigheid van specifieke investeringen zou kunnen aantonen. (rov. 4.10)
Eindarrest:
Met haar brieven van 16 juni en 1 juli 2015 (zie hiervoor 2.2 onder (xiii)) is de Russische Federatie niet in de arbitrale procedure verschenen. Zij heeft dus niet het recht verwerkt om bepaalde bevoegdheidsgronden in de vernietigingsprocedure naar voren te brengen. (rov. 5.4.6-5.4.7)
Het standpunt van de Russische Federatie dat het, om de toepasselijkheid van het BIT 1998 te beoordelen, nodig is om een oordeel te geven over de soevereiniteitsstatus van de Krim, wordt verworpen. (rov. 5.5.5 e.v.)
Het standpunt van de Russische Federatie dat het BIT 1998 geen gelding heeft op de Krim wegens gebrek aan reciprociteit wordt afgewezen. (rov. 5.6.5)
Met het begrip territory in art. 1 lid 4 BIT 1998 wordt niet uitsluitend gedoeld op sovereign territory. (rov. 5.7.9 e.v.)
De investeringen van Privatbank moeten als investments in de zin van art. 1 lid 1 BIT 1998 worden beschouwd. Daaraan staat niet in de weg dat zij niet van meet af aan op het grondgebied van de Russische Federatie zijn gedaan. (rov. 5.8.9 e.v.)
De investeringen van Privatbank voldoen aan de legaliteitseis van art. 1 lid 1 van het BIT 1998, die inhoudt dat een investment moet zijn gedaan in accordance with its legislation, dat wil zeggen de wetgeving van de gaststaat. (rov. 5.10.11 e.v.)
Als de investering illegaal is, is er geen sprake van een investering, zodat het scheidsgerecht niet bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. Om de bescherming van het BIT 1998 te verliezen, moet het dan wel gaan om onwettigheid die het doen van de investering zelf aantast en niet alleen om illegaal handelen bij de uitvoering van de investering. (rov. 5.10.11)
De Russische Federatie heeft gewezen op volgens haar tot de zogenoemde Privat Group behorende entiteiten waarbij sprake zou zijn geweest van onregelmatige privatisering of corporate raiding en het gebruik van corrupte rechters. Het verband tussen deze entiteiten en (de oprichting van) Privatbank is echter onvoldoende toegelicht. Dit leidt tot de conclusie dat de stelling dat Privatbank onderdeel uitmaakt van de zogenoemde Privat Group niet tot het oordeel leidt dat de investering niet voldoet aan het legaliteitsvereiste. (rov. 5.10.14)
Het hof gaat – in ieder geval veronderstellenderwijs – uit van het bestaan van fraude binnen Privatbank, erin bestaande, kort samengevat, dat structureel zakelijke leningen werden verstrekt aan offshore entiteiten verbonden aan de voormalige bestuurders, welke leningen niet waren gesecuriseerd met zekerheden en vervolgens niet werden afgelost. (rov. 5.10.15-5.10.16)
Deze fraude leidt echter om twee redenen niet tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Bij gebreke van concrete stellingen waaruit het tegendeel blijkt, gaat het hof ervan uit dat Privatbank zowel op het moment van de aanvang van de bankactiviteiten als op het (latere) moment van het verkrijgen van de banklicentie voldeed aan de vereisten die voor het verrichten van bancaire activiteiten en het verkrijgen van een zodanige licentie gesteld werden. Niet is gesteld dat de oprichting van de bank of het verkrijgen van de banklicentie met onregelmatigheden (zoals omkoping of vervalsing van licenties) gepaard is gegaan. De afgegeven licentie heeft tot de onteigening haar gelding behouden. De activiteiten van Privatbank (het aantrekken van gelden en het verstrekken van leningen) zijn verder naar hun aard niet illegaal. De slotsom is dat geen sprake is van onwettigheden bij het doen van de investering. (rov. 5.10.17-5.10.19)
Ook als zou moeten worden aangenomen dat fraude bij de uitoefening van de onderneming een beroep op de illegality clause kan rechtvaardigen, kan niet worden aangenomen dat elke vorm van fraude binnen een onderneming de investering als geheel aantast. In dit geval besmet de geconstateerde fraude niet de investering als geheel. Bij een onderneming van een omvang als die van Privatbank kan niet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder het BIT 1998 onttrekken. Daarvoor is te minder aanleiding nu Procedural Order no. 7 duidelijk maakt dat het scheidsgerecht in de quantum phase de illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie op het niveau van de schadevergoeding uitputtend zal behandelen. Het hof onderschrijft ook niet de stelling van de Russische Federatie dat het scheidsgerecht al heeft aangenomen dat de investering als één geheel heeft te gelden; het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie immers uitdrukkelijk toegestaan om in haar submission on quantum uitgebreid in te gaan op de gestelde illegaliteiten per (categorie van) investering(en). (rov. 5.10.20-5.10.25)
Drie argumenten voor de stelling van de Russische Federatie dat de arbitrale vonnissen in strijd zijn met de openbare orde, worden afgewezen. (rov. 5.12-5.14)
Het beroep op herroeping wegens het achterhouden van stukken faalt. (rov. 6)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Een deel van de klachten in het principale beroep houdt in dat het hof heeft miskend dat het BIT 1998 om meerdere redenen niet van toepassing is op de verhouding tussen partijen en dat het scheidsgerecht daarom onbevoegd was van de vorderingen kennis te nemen. Bij de beoordeling van de klachten dient het volgende tot uitgangspunt.
3.1.2
Ingevolge art. 1020 lid 1 Rv kunnen partijen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen. Het aldus benoemde scheidsgerecht is gerechtigd te oordelen over zijn bevoegdheid (art. 1052 lid 1 Rv), maar het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt mee dat de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten, uiteindelijk aan de rechter is opgedragen.5.Het fundamentele karakter van dit recht brengt verder mee dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het ontbreken van een overeenkomst tot arbitrage (art. 1065 lid 1, onder a, Rv) door de rechter niet terughoudend wordt getoetst.
3.1.3
In dit geval heeft het scheidsgerecht zijn bevoegdheid ontleend aan het BIT 1998. Nederland is geen partij bij het BIT 1998 en is daaraan ook niet anderszins gebonden. Dat betekent dat het BIT 1998 wordt beschouwd als recht van een vreemde staat in de zin van art. 79 lid 1, onder b, RO, zodat oordelen van het hof omtrent de inhoud en uitleg van het BIT 1998 in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht.6.Motiveringsklachten over de door het hof aan het BIT 1998 gegeven uitleg kunnen slechts worden beoordeeld voor zover dit mogelijk is zonder daarbij de juistheid van de oordelen van het hof omtrent de inhoud en uitleg van het BIT 1998 te betrekken. Klachten over de uitleg en toepassing van het Weens Verdragenverdrag (hierna: WVV)7.kan de Hoge Raad wel volledig beoordelen..
3.2.1
Onderdeel 1.1 van het middel is gericht tegen rov. 5.7.9-5.7.26 van het bestreden arrest, specifiek tegen rov. 5.7.9-5.7.11 en 5.7.12. Daarin heeft het hof geoordeeld dat de Krim deel uitmaakt van het grondgebied (territory) van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT 1998, nu dat begrip niet beperkt is tot het soevereine grondgebied van de betrokken staten, maar zich ook uitstrekt tot grondgebied waarover een staat rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Het onderdeel klaagt dat het hof hiermee toepassing heeft gegeven aan het BIT 1998 in een situatie die de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag niet voorzagen en daarmee de art. 31, 39 en 63 WVV heeft miskend.
3.2.2
In de bestreden overwegingen heeft het hof beoordeeld of het begrip territory uit art. 1 lid 4 BIT 1998 enkel verwijst naar sovereign territory. Daarbij heeft het hof terecht tot uitgangspunt genomen dat een verdrag op grond van art. 31 WVV te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag (rov. 5.7.9). Vervolgens heeft het hof onder meer overwogen dat uit de bewoordingen van het BIT 1998 niet blijkt dat partijen de bedoeling hadden de werking van het verdrag te beperken tot het soevereine grondgebied (rov. 5.7.10-5.7.11) en dat dit ook niet blijkt uit de tot het verdrag behorende travaux préparatoires (rov. 5.7.19). Een dergelijke uitleg zou volgens het hof ook niet passen bij de bedoeling van verdragspartijen, die was en is om investeringen over en weer op hun grondgebieden aan te moedigen en te beschermen (rov. 5.7.20-5.7.23). Het hof is tot de slotsom gekomen dat er geen reden is om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag, en dat daaraan niet afdoet dat partijen de huidige feitelijke situatie destijds niet hebben voorzien, nu het erop aankomt wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan (rov. 5.7.25). Hiermee heeft het hof kenbaar toepassing gegeven aan de in art. 31 WVV neergelegde regel van verdragsuitleg en ook overigens geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van die bepaling of enige andere bepaling uit dat verdrag, of een onbegrijpelijk oordeel gegeven. De klacht faalt daarom.
3.3.1
De onderdelen 3-7 zijn gericht tegen het oordeel van het hof over de vraag of is voldaan aan het vereiste van art. 1 lid 1 BIT 1998 dat de investeringen zijn gedaan op het grondgebied van een verdragsstaat “in accordance with its legislation” (zie hiervoor in 2.4).
3.3.2
Een verweer dat ertoe strekt dat in strijd met de wet is gehandeld bij het doen van een investering, kan tot de conclusie leiden dat niet is voldaan aan het toepassingsvereiste van art. 1 lid 1 BIT 1998 dat de investeringen zijn gedaan op het grondgebied van een verdragsstaat “in accordance with its legislation”. Het kan daarmee raken aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Mogelijk is echter ook dat gegrondbevinding van een dergelijk illegaliteitsverweer de toepasselijkheid van het BIT 1998 en daarmee de bevoegdheid van het scheidsgerecht onverlet laat, maar in de weg staat aan (volledige) toewijsbaarheid van de vorderingen tot schadevergoeding. In hoeverre illegaliteit van de investering leidt tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht hangt onder meer af van de uitleg van het BIT 1998, en van de aard en omvang van het illegale handelen.
In deze zaak heeft het scheidsgerecht de procedure gesplitst in een fase betreffende bevoegdheid en ontvankelijkheid, een aansprakelijkheidsfase en een fase betreffende de omvang van de schadevergoeding (quantum phase) (zie hiervoor in 2.2 onder (xv) en (xvi)). Er is geen regel die meebrengt dat een illegaliteitsverweer als hier bedoeld, ook als het raakt aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht, steeds ten volle beoordeeld moet worden in de bevoegdheidsfase en niet (deels) in de quantum phase kan worden behandeld. Voor dat laatste kan in het bijzonder aanleiding zijn als de betrokken investering deel uitmaakt van een groter geheel. Voor zover het scheidsgerecht beslissingen ten aanzien van de legaliteit van de investeringen die mogelijk gevolgen hebben voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht heeft ‘doorgeschoven’ naar de quantum phase, en het zich in de quantum phase vervolgens bevoegd acht om over een bepaalde investering te oordelen, staat tegen die beslissing te zijner tijd, indien overigens aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, een vernietigingsprocedure op de voet van art. 1065 lid 1, onder a, Rv open, waarin de betrokken beslissing volledig kan worden getoetst (zie hiervoor in 3.1.2, slot). Anders dan onderdeel 3 aanvoert, kon het hof in deze procedure dus afzien van het beoordelen van illegaliteitsargumenten op de grond dat deze nog in de quantum phase aan de orde zullen komen.
3.3.3
Onderdeel 6 is gericht tegen rov 5.10.11-5.10.25. Het klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat niet kan worden geoordeeld dat de investering niet voldoet aan het legaliteitsvereiste en dat de geconstateerde fraude niet de investering als geheel besmet, onjuist, althans onbegrijpelijk is omdat het hof heeft geweigerd te oordelen over de rechtmatigheid van de deelinvesteringen.
Onderdeel 7 bevat de klacht dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de oprichting of de verkrijging van de banklicentie in Oekraïne iets zeggen over het moment van het doen van andere investeringen op de Krim.
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.3.4
De klachten missen feitelijke grondslag voor zover zij ervan uitgaan dat het hof heeft geoordeeld dat, omdat de oprichting van Privatbank en de verkrijging van de banklicentie niet onrechtmatig zijn geweest, ten aanzien van de latere deelinvesteringen evenmin sprake is van illegaliteit. Met zijn oordelen (in rov. 5.10.18-5.10.19) dat de fraude binnen Privatbank niet kan worden gekwalificeerd als een onwettigheid die het doen van de investering zelf aantast en dat geen sprake is van onwettigheden bij het doen van de investering, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat die fraude niet meebrengt dat de gehele investering van de aanvang af illegaal was en er dus in het geheel geen taak voor het scheidsgerecht was weggelegd. Uit de rov. 5.10.20-5.10.25 volgt dat het hof de arbitrale uitspraak aldus heeft uitgelegd dat het scheidsgerecht de vraag of de verschillende, latere deelinvesteringen al dan niet illegaal zijn verkregen, per specifieke (deel)investering nog zal beoordelen in de quantum phase en dat het bevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht in zoverre slechts een generiek karakter heeft. Zoals hiervoor in 3.3.2 is overwogen, stond dit het scheidsgerecht vrij, en behoefde het hof bij die stand van zaken in de onderhavige vernietigingsprocedure geen oordeel te geven over de legaliteit van de verschillende deelinvesteringen. De klachten kunnen dus niet tot cassatie leiden.
3.3.5
Onderdeel 5 klaagt onder meer dat het hof bij zijn oordeel over de vraag of is voldaan aan het vereiste dat de investeringen zijn gedaan op het grondgebied van een verdragsstaat “in accordance with its legislation” heeft miskend dat de stelplicht ten aanzien van het bestaan van een geldige arbitrageovereenkomst rust op de eiser in de arbitrage. Privatbank moet stellen en bewijzen dat bij haar vorderingen is voldaan aan de vereisten uit het BIT 1998; het hof kon en mocht daarom niet veronderstellen dat sprake was van legale investeringen, aldus het onderdeel.
3.3.6
De klacht neemt terecht tot uitgangspunt dat de stelplicht en bewijslast ter zake van het bestaan van een geldige overeenkomst tot arbitrage rusten op de partij die zich daarop beroept.8.Dat geldt ook in een vernietigingsprocedure bij de overheidsrechter waarin de andere partij het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage als vernietigingsgrond aanvoert. Het hof heeft dit echter niet miskend. De desbetreffende overwegingen van het hof (rov. 5.10.11 e.v., zie hiervoor in 2.4) moeten aldus worden begrepen dat de Russische Federatie haar betwisting van de stelling dat voldaan is aan het legaliteitsvereiste, op verschillende punten onvoldoende heeft gemotiveerd. De klacht kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
3.3.7
Het onderdeel klaagt voorts onder meer dat het hof heeft miskend dat Privatbank de legaliteit van haar afzonderlijke investeringen had moeten aantonen. Deze klacht ziet eraan voorbij dat het hof heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht in de quantum phase de illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie uitputtend zal behandelen. De klacht treft dus geen doel.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.5
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt de Russische Federatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Privatbank begroot op € 14.229,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Russische Federatie deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑12‑2024
PCA Case No. 2015-21, JSC CB Privatbank v. The Russian Federation, Interim Award (corrected), 27 maart 2017.
PCA Case No. 2015-21, JSC CB Privatbank v. The Russian Federation, Partial Award, 4 februari 2019.
Tussenarrest: gerechtshof Den Haag 16 februari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:184. Eindarrest: gerechtshof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1294.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, rov. 4.2.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, rov. 4.4.3.
Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, Wenen, 23 mei 1969, Trb. 1972, 51 en 1985, 79.
Vgl. HR 21 februari 1913, ECLI:NL:HR:1913:36.
Beroepschrift 19‑10‑2022
Griffierecht ten laste van rekening courant Salomons Beelaerts Advocaten nr 88320867
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
Eiseres in cassatie:
DE RUSSISCHE FEDERATIE, zetelend te Moskou (‘Russische Federatie’).
De Russische Federatie kiest woonplaats bij de advocaten bij de Hoge Raad mrs. A.H.M. van den Steenhoven, gevestigd te (2583 CM) Den Haag aan de Doctor Lelykade 10c en M.A.M. Wagemakers, gevestigd te (2514 AC) Den Haag aan de Koninginnegracht 35. Zij zijn door de Haagse deken en daarna door de Russische Federatie aangewezen om de Russische Federatie als zodanig te vertegenwoordigen in deze cassatieprocedure.
Verweerder in cassatie:
JSC CB Privatbank,
gevestigd te Kiev, Oekraïne
hierna: Privatbank, gedaagde in feitelijke instantie, bijgestaan door haar advocaat mr. D. Horeman te Amsterdam.
Bestreden arrest
De Russische Federatie stelt cassatieberoep in tegen het op 16 februari 2021 gewezen tussenarrest (TA) en het eindarrest, gewezen op 19 juli 2022 (EA) van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummers: 200.266.442/01 en 200.266.444/01 tussen de Russische Federatie als eiseres en Privatbank als gedaagde.
Verschijningsdatum voor 6 januari 2023
Verweerder wordt opgeroepen om ten laatste op vrijdag 6 januari 2023, om 10.00 uur 's ochtends, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends.
Middel van cassatie
De Russische Federatie voert tegen het Arrest het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen, doordat het hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van het Arrest is omgeschreven en op de gronden die in het lichaam van het Arrest zijn vermeld, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
Inleiding
Deze zaak gaat over —in elk geval naar Oekraïens recht— illegaal verrichte investeringen door Privatbank op de Krim. Privatbank tracht die investeringen te legaliseren door zich te beroepen op een bilateraal investeringsverdrag (het ‘BIT 1998’) en in een arbitrale procedure schadevergoeding van de Russische Federatie te vorderen. Het scheidsgerecht heeft een tussenuitspraak en een gedeeltelijke einduitspraak gedaan. Daarin heeft het zich uitgelaten over diens bevoegdheid en of de Russische Federatie het investeringsverdrag heeft geschonden.
Onjuiste toepassing artikel 31 Weens Vedragenverdrag
Bij de- met de benefit of hindsight- uitleg van het BIT 1998 (vreemd recht) heeft het hof artikel 31 van het Weens Verdragenverdrag onjuist toegepast. Dat is in cassatie toetsbaar. De Russische Federatie meent verder dat het hof bij de toetsing van de bevoegdheid van het scheidsgerecht zich niet heeft gebaseerd op objectieve en integrale uitgangspunten.
Het scheidsgerecht heeft bevoegdheid aangenomen om over de vorderingen van Privatbank jegens de Russische Federatie te beslissen.1. Er bestaat samenhang met de zaken van de Russische Federatie tegen Aeroport Belbek, Everest en Naftogaz c.s.. In de voetnoten worden de arresten in die zaken geduid als B-arrest, E-arrest en N-arrest. ‘P-arrest’ verwijst naar het bestreden eindarrest in dit cassatieberoep.
Illegaliteit van de investeringen niet beoordeeld
De Russische Federatie heeft uitgebreid onderbouw gesteld dat dat de overgrote meerderheid van de activa zijn verkregen in strijd met de wet. Die stellingen heeft het hof niet onderzocht. Ook heeft het hof niet gemotiveerd geoordeeld over de vraag of zulks niet minstgenomen de partiële vernietiging van het vonnis zou rechtvaardigen.
Partijdebat en beoordeling
In deze zaak heeft het hof meermaals te kennen gegeven niet te willen oordelen over de rechtmatigheid van de door Privatbank gestelde afzonderlijke deelinvesteringen. Het hof gaf aan deze kwestie liever over te laten aan het Scheidsgerecht. Het Scheidsgerecht moet de hoogte van de schadevergoeding nog vaststellen en heeft in dat kader aangegeven ook te zullen kijken naar illegaal handelen door Privatbank.
Tussenarrest
Dit blijkt reeds uit het tussenarrest in het 843a Rv incident. De inzagevordering is toen afgewezen omdat deze prematuur zou zijn. Het hof oordeelt dat de rechtmatigheid van de afzonderlijke (deel)investeringen pas aan de orde zou kunnen komen als de Arbitrage geheel is afgerond:2.
Standpunt Russische Federatie
De Russische Federatie heeft helder en duidelijk te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze vorm van ‘rechtsweigering’.3. In de Arbitrage is een gedeeltelijk eindvonnis gewezen (het ‘Gedeeltelijk Eindvonnis’). Het Scheidsgerecht heeft zich in het dictum daarvan bevoegd verklaard kennis te nemen van de gehele vordering en voorts geoordeeld dat alle afzonderlijke deelinvesteringen onrechtmatig zouden zijn onteigend:
- ‘204.
On the basis of the above, the Tribunal concludes that PrivatBank's investment, including fixed and monetary assets as well as its banking license, was in accordance with Russian law as at 21 March 2014, subject to two conditions (…)
- 205.
With respect to the first condition, the Tribunal notes that Mr. [betrokkene 4] and Dr. [betrokkene 5], the experts on Ukrainian law respectively appointed by the Claimants and by the Tribunal, expressly confirmed that PrivatBank's rights to its investment, including its banking licence, loan agreements and fixed assets, were validly acquired and held under Ukrainian law. (…)
- 214.
In view of the above considerations, the Tribunal finds that PrivatBank's investments were ‘in accordance with … legislation’ of the Russian Federation as at 21 March 2014 and thus met the legality requirement set forth in Article 1(1) of the Treaty’.
Tegen een gedeeltelijk eindvonnis moet op straffe van verval direct een rechtsmiddel worden aangewend. Zo is het ook gegaan. De Russische Federatie heeft onder andere bepleit dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt. Dan moet de rechter daarover oordelen. De rechter kan dat niet weigeren en kan evenmin zijn of haar rechtsprekende bevoegdheid aan arbiters delegeren. In verband met de door het gerechtshof ingeslagen weg in het 843a Rv incident in feitelijk aanleg uitdrukkelijk aan de orde gesteld.4.
Debat tijdens zitting
Tijdens de behandeling ter zitting heeft de Russische Federatie opnieuw duidelijk gemaakt dat in het Gedeeltelijk Eindvonnis onmiskenbaar zonder enig voorbehoud bevoegdheid is aangenomen ten aanzien van alle vorderingen. Het is aan de overheidsrechter om daarover te oordelen:5.
Eindarrest
In het eindarrest is het hof echter onverdroten voortgegaan op de ingeslagen weg. Het hof oordeelt in de kern dat sprake was van een grote fraude met ‘zakelijke’ leningen. PrivatBank's oorspronkelijke vordering bestond voor 60% uit dergelijke ‘zakelijke’ leningen.6. PrivatBank heeft haar vordering inmiddels verminderd en al die zakelijke vorderingen eruit gehaald. Het hof meent echter dat niet al te snel moet worden aangenomen dat de onderneming als geheel geen bescherming zou kunnen genieten. Het hof overweegt dat de rechtmatigheden van de andere afzonderlijke onderdelen uitputtend moeten worden behandeld in de quantum phase van de Arbitrage:7.
Hof gaat niet in op rechtmatigheid deelinvesteringen
Het hof gaat in het eindarrest niet in op alle stellingen over de afzonderlijke deelinvesteringen. De Russische Federatie heeft bijvoorbeeld uitvoerig uitgelegd dat het belangrijkste en meest waardevolle vastgoedobject is verkregen door fraude en corruptie. Die stelling is onderbouwd met behulp van (i) verschillende strafvonnissen waarin dat is vastgesteld, (ii) verschillende producties waarin melding is gemaakt van de fraude en (iii) twee deskundigenberichten.8. Het hof gaat ook niet in op de stelling dat consumentleningen waren verkregen in strijd met de wet omdat zij oneerlijke bedingen bevatten waarvan de hoogste rechter had vastgesteld dat deze strijdig waren met dwingend recht. Ook die stelling was onderbouwd met een deskundigenbericht.9.
Samenvatting
Er ligt dus een arbitraal eindvonnis waarin staat dat arbiters bevoegd zijn kennis te nemen van alle vorderingen en dat sprake was van een onrechtmatige onteigening van alle investeringen. Het hof oordeelt desondanks niet over specifieke stellingen ten aanzien van specifieke (deel)investeringen. Het hof meent — omdat het het beroep op het leerstuk unity of investment verwerpt — kennelijk wel dat die beoordeling benodigd is. Die beoordeling moet dan kennelijk ‘op het niveau van de schadevergoeding’ worden behandeld door het Scheidsgerecht. De vraag of het scheidsgerecht ten aanzien van specifieke investeringen ‘kan pas worden beantwoord nadat ook de Quantum Phase is afgerond’. Aldus het hof.
Namens de Russische federatie worden de volgende klachten voorgesteld:
- 1.
Onjuiste toepassing Weens verdragenverdrag
- 2.
Geen objectieve en integrale toetsing
- 3.
Onjuiste weigering om de zaak te beoordelen, ongeoorloofde delegatie van rechtsmacht en miskenning van gesloten stelsel van rechtsmiddelen
- 4.
Stelplicht bewijslast, passeren van essentiële stellingen en onbegrijpelijke motiveringen
- 5.
Onjuiste toepassing stelplicht en bewijslast
- 6.
Hof gaat niet in op de rechtmatigheid van de investeringen op het moment van het doen ervan
- 7.
Rov. 5.10.18: onbegrijpelijk oordeel relevantie oprichting en/of banklicentie
- 8.
Rov. 5.10.15–5.10.19 oordeel zakelijke ‘offshore’ leningen:
- 9.
Rov. 5.10.19 ‘naar hun aard niet illegaal
- 10.
Rov. 5.10.12. Oordeel peilmoment is innerlijk tegenstrijdig
- 11.
Rov. 5.10.22–5.10.24. Zogenaamd ‘normale’ bankactiviteiten
- 12.
Rov. 5.10.20–5.10.25. Unity of investment-beginsel en bedrog/achterhouden van stukken
- 13.
Veegklacht
Indien enig middelonderdeel slaagt, dan kan ook rov 7.1 en 8.1 en het daaraan ontleende dictum niet in stand blijven.
Klachten
1. Onjuiste toepassing Weens verdragenverdrag
1.1
Deze klacht richt zich tegen rov 5.7.9–5.7.26. Hierin heeft het hof (onder meer rov 5.7.9–5.7.11 en 5.7.12) ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat — zakelijk weergegeven — onder het begrip territory in de BIT 1998 niet alleen het soevereine grondgebied van beide staten valt, maar ook de Krim dat sinds de incorporatie door de Russische Federatie onder feitelijke controle van Rusland valt. Aan het oordeel van het hof ligt enerzijds ten grondslag dat feitelijk vaststaat dat beide verdragspartijen bij het sluiten van de BIT in 1998 niet in de mogelijkheid hebben voorzien dat de ene partij een deel van het grondgebied van de andere partij eenzijdig tot zich zou nemen, zodat partijen in 1998 daarvoor ook geen voorziening of regeling hebben getroffen of bedoelden te treffen.10. Niettemin oordeelt het hof, anderzijds, in rov 5.7.20 en 5.7.25,11. dat het in het licht van het ‘goede trouw’-vereiste geoorloofd is om in geval van onvoorziene (niet verwachte en dus ook niet in het verdrag geregelde) omstandigheden toepassing te geven aan de BIT overeenkomstig de door arbiters/rechters hypothetisch aannemelijk geachte bedoeling van redelijke partijen voor het geval zij voor zo'n onvoorziene situatie wél een regeling in hun verdrag zouden hebben opgenomen, zulks ten onrechte. Daarmee kan ook hetgeen het hof overweegt en beslist in rov 5.7.26 niet in stand blijven.
Immers, deze oordelen zijn in strijd met artikel 31 lid 1 en artikel 62 WVV en heeft het hof de spanning van zijn oordelen met artt 31, 39 en 62 WW niet (kenbaar) in zijn oordelen betrokken.
Toelichting
Artikel 31 lid 1 WVV schrijft uitdrukkelijk voor dat de gewone betekenis van de in het verdrag gebezigde bewoordingen als dwingend uitlegrichtsnoer gelden voor de vaststelling van de tussen verdragspartijen bereikte wilsovereenstemming. Het accent in artikel 31 op ‘in good faith’ ziet op de uitleg van het verdrag. Het ziet niet op hoe het verdrag met de ‘benefit of hindsight’ wellicht beter door partijen had kunnen worden geformuleerd in het licht van bij de totstandkoming ervan voor hen onvoorziene omstandigheden. Het hof heeft dit miskend.
's Hofs oordelen zijn voorts in strijd met artikel 62 WVV. Dat bepaalt uitdrukkelijk dat (zelfs) een fundamentele wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie bij het sluiten van het verdrag, indien zo'n wijziging niet voorzien (geregeld) was door de verdragspartijen, alleen onder de bijzondere omstandigheden, zoals in dat artikel verwoord, slechts mag leiden tot het beëindigen of opschorten van de werking van het verdrag. Zo'n ongeregelde, fundamentele wijziging van omstandigheden geeft echter aan een arbiter of rechter niet de bevoegdheid om zelf een regelaanpassing te bedenken die voor die leemte een oplossing biedt. Slechts de verdragspartijen zélf mogen op grond van artikel 31 lid 3 en 39 WVV jo. artikel 13 BIT in onderling overleg zo'n aanpassing van hun verdrag vastleggen en formaliseren. Ook dat heeft het hof miskend.
Het hof heeft verder niet, althans niet gemotiveerd, de spanning van zijn betreffende overwegingen en beslissingen met artikel 31, 39 en 62 WVV onder ogen gezien, hoewel de Russische Federatie op het verbod van een redelijke invulling van leemtes heeft gewezen.12. Dat verbod blijkt ook ondubbelzinnig uit de door de Russische Federatie aangehaalde internationale literatuur en rechtspraak.13.
1.2
's-Hofs oordeel —rov 5.7.11 en 5.7.12— is bovendien ontoereikend gemotiveerd omdat het innerlijk tegenstrijdigheid is in zijn motivering voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Immers overweegt het hof —inconsistent— enerzijds in rov 5.7.12 dat het begrip territory verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Het voegt daar, anderzijds, dadelijk aan toe dat dit begrip in de BIT tevens verwijst naar het grondgebied waarover een staat feitelijke rechtsmacht en controle heeft14. , terwijl het in rechtsoverweging 5.7.11 overwogen heeft dat de inhoud van het begrip territory (het daadwerkelijke grondgebied) zou kunnen wijzigen door latere omstandigheden, zulks in het kader van de uitleg van het begrip. Daarmee zijn zowel Oekraïne als de Russische Federatie aan te merken als ‘gaststaat’ van de investering van de claimanten, terwijl de Russische Federatie het hof tijdig en duidelijk op de praktische onhanteerbaarheid van deze benadering heeft gewezen.15.
Toelichting
Hiermee heeft het hof miskend dat zijn eigen ruime invulling van het begrip territory in het onderhavige geval leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’. Thans daargelaten de juridische (on)juistheid van die ‘dubbele’ invulling van het BIT-begrip territory, is weliswaar hiermee enerzijds verklaarbaar waarom het hof de Krim vanaf maart 2014 aanmerkt als ‘Russisch grondgebied’, maar anderzijds heeft het hof onbegrijpelijkerwijs verzuimd enige aandacht te wijden aan zijn ‘soevereine invulling’ van het begrip territory. Daaruit volgt immers minst genomen de optie dat tegelijkertijd de Krim, volgens deze uitleg van de BIT door het hof, gezien Oekraïne's onverminderde aanspraak op de soevereiniteit erover, als Oekraïens grondgebied moet blijven worden aangemerkt.
Aldus heeft het hof geen oplossing gegeven voor het fundamentele probleem van de onderhavige casus: niet alleen Rusland, maar ook Oekraïne claimt immers onverminderd, ongeacht de feitelijke macht over de Krim van de Russische Federatie sinds maart 2014, de soevereiniteit over de Krim. Dit is ook door alle partijen in de procedures, de Scheidsgerechten én het hof zelf vastgesteld.16. Door over de praktische gevolgen voor deze vier zaken van die ‘soevereine invulling’ van territory in zijn arresten te zwijgen, heeft het hof miskend dat de Krim op basis van ‘zijn’ ‘dubbele’ definitie van ‘territory’ sinds maart 2014 zowel Russisch als Oekraïens grondgebied is. Die dubbelheid of inconsistentie staat aan een toepassing van de BIT, voor zover het investeringen op de Krim betreft, fundamenteel in de weg. Een begrijpelijke motivering tegen dit door de RF in de procedure uitdrukkelijk aangevoerde argument17. ontbreekt in 's hofs arresten, aangezien het hof op dit stuk slechts een níét door de RF aangevoerd argument ‘weerlegt’, namelijk dat de onbetwiste Russische macht over de Krim, de feitelijke macht van Oekraïne daar uitsluit.18.
1.2.1
Ook is 's hofs verwerping —rov 5.5.5 – 5.5.8— van de stelling van de Russische Federatie dat het soevereiniteitsgeschil tussen Oekraïne en de Russische Federatie met betrekking tot de Krim in de weg staat aan de bevoegdheid van arbiters om op claims van investeerders ten aanzien van hun investeringen op de Krim te beslissen is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd. Immers vergt de vraag of de litigieuze investeringen onder de BIT beschermd zijn, een antwoord op de voorvraag welke van beide staten de soeverein is ten aanzien van de Krim. Die vraag heeft het hof niet beantwoord.
Toelichting
Evenals in door de Russische Federatie ingeroepen UNCLOS-uitspraak,19. is een antwoord op de souvereiniteitsvraag noodzakelijk om te kunnen vaststellen of de investeringen onder het BIT zijn beschermd.
Het hof heeft het antwoord op deze voorvraag ontweken door aan het BIT-begrip ‘territory’ een louter feitelijke invulling te geven. Een dergelijk exclusief ‘feitelijke invulling’ staat haaks op de alternatieve ‘soevereine invulling’ die het hof uitdrukkelijk — zelfs als algemene basis van het begrip territory, buiten en binnen de BIT — in zijn eigen overwegingen heeft erkend; rov 5.7.12.
Hiermee is de verwerping door het hof van het door de Russische Federatie aangevoerde ‘onvermijdelijke voorvraag’-betoog, in ieder geval (ook) onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
1.3
Bij het slagen van (een van) voorgaande middelonderdelen kunnen de overwegingen en beslissingen van het hof dat de voorgelegde beweerde investeringen kwalificeren als ‘investments’ en Privatbank kwalificeert als ‘investor’ in de zin van de BIT 1998,20. evenmin in stand blijven omdat die beslissingen (mede) gebaseerd zijn op de bestreden invulling door het hof van het begrip ‘territory’.
2. Geen objectieve en integrale toetsing
Deze klacht richt zich , in samenhang met middelonderdelen 6 tot en met 12, tegen rov 5.10.12–5.10.19 en 5.10.22–5.10.25.Hierin heeft het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering, namelijk geleid door een kennelijke voorkeur/voorrang voor het standpunt van de investeerders — het beroep van de Russische Federatie op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht verworpen.
Immers heeft het hof, in plaats van zich te baseren op de uitgangspunten van (i) een objectieve integrale toetsing en (ii) de op de oorspronkelijk eisende partij in de arbitrage rustende bewijslast, alle nadruk gelegd op argumenten die, zonder het tegendeel aan te tonen, slechts afbreuk zouden kúnnen doen aan het betoog van de Russische Federatie. Zulks terwijl de door het hof gebezigde argumenten geen positief bewijs opleveren voor de door de PrivatBank aangevoerde bevoegdheid van het scheidsgerecht.21. Aldus heeft het hof niet, althans niet begrijpelijk conform de geldende maatstaf voor de beoordeling door de overheidsrechter van de bevoegdheid van de arbiters beoordeeld of sprake was van een geldige arbitrageovereenkomst.
Toelichting
Het eerste juridische uitgangspunt voor deze klacht is de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, uitdrukkelijk onderschreven door het hof — rov 5.4.1–5.4.2-, dat de vernietigingsrechter op grond van artikel 1065 lid 1 onder a Rv vorderingen die de onbevoegdheid van arbiters tot onderwerp hebben, integraal moet beoordelen, zonder enige terughoudendheid en dus zonder enige voorkeur ten gunste van de door arbiters aangenomen bevoegdheid.22. Het tweede juridische uitgangspunt voor deze klacht is de heersende opvatting in de doctrine, mede gebaseerd op een ouder arrest van de Hoge Raad en lagere rechtspraak, dat de oorspronkelijke eisende partij in de arbitrage bij een op artikel 1065 lid 1 onder a Rv gebaseerde vernietigingsvordering van haar wederpartij, de bewijslast draagt voor het bestaan van een geldige arbitrageovereenkomst.23. Door de Russische Federatie is bij het hof een beroep gedaan op het bij haar wederpartij liggen van de bewijslast voor een aan de BIT te ontlenen arbitrale bevoegdheid.24.
Beziet men in het licht van de twee bovenbedoelde uitgangspunten de lange reeks overwegingen die het hof heeft gewijd aan zijn verwerping van de door de Russische Federatie gestelde(op basis van artikel 1 juncto 9 BIT en artikel 29, 31, 39 en 62 WVV, en internationale rechtspraak en literatuur)25. gevoerde betwisting van de bevoegdheid van de scheidsgerechten, dan volgt daaruit de conclusie dat het hof onjuist, althans onbegrijpelijk alle nadruk heeft gelegd op argumenten die, zonder het tegendeel aan te tonen, slechts afbreuk kunnen doen aan de stellingen van de Russische Federatie.
3. Onjuiste weigering om de zaak te beoordelen, ongeoorloofde delegatie van rechtsmacht en miskenning van gesloten stelsel van rechtsmiddelen
3.1
Deze klacht richt zich tegen rov 4.8–4.10 TA en rov. 5.10.23–5.10.25 EA en de daarop voortbouwende overwegingen van het eindarrest —rov 5.12.3–5.12.5 EA—. Hierin heeft het hof —rov 5.10.25— onjuist althans onbegrijpelijk geoordeeld dat het niet alle stellingen van de Russische Federatie beoordeelt, haar rechtsprekende taak aan het scheidsgerecht gedelegeerd en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen miskend. Immers, het hof heeft de beoordeling van de gestelde illegaliteit —onjuist— doorgeschoven naar de kwantumfase van de arbitrageprocedure.
3.2
Ook heeft het hof in -rov 5.10.22 en 5.10.23 onjuist en/of onbegrijpelijk geoordeeld dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden (rov 5.10.22) en dat dat het scheidsgerecht in de quantum phase de illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie op het niveau van de schadevergoeding uitputtend zal behandelen (rov 5.10.23). Immers de eerste overweging van het hof doet — zeker zonder meer — niet af aan de vernietigbaarheid van het PrivatBank-vonnis op grond van artikel 1065 lid 1 sub e Rv. De tweede overweging van het hof stuit af op het deelvonnis-karakter van het Gedeeltelijk Eindvonnis en de ongeoorloofdheid van een delegatie door de vernietigingsrechter aan een — bovendien onbevoegd — scheidsgerecht.
Toelichting
i. Hof miskent dat het moet beslissen over al hetgeen partijen hebben gevorderd.
De Russische Federatie heeft vernietiging gevorderd wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Zij stelde daartoe dat niet is voldaan aan het legaliteitsvereiste. Het hof heeft geweigerd al die stellingen zelf inhoudelijk te beoordelen met het argument dat dergelijke kwesties nog aan de orde kunnen en moeten komen in de Arbitrage. Het hof oordeelt dat de rechter zich daarom niet hierover kan en mag buigen. Het hof gaat om die reden niet werkelijk in op de afzonderlijke ‘zakelijke’ leningen en gaat in het geheel niet in op stellingen en producties die zien op andere deelinvesteringen, zoals het vastgoed en de consumentenleningen. Het hof miskent daarmee dat het een vordering niet kan verwerpen zonder de daartoe aangedragen vorderingsgrondslagen gemotiveerd te beoordelen.26. Dat geldt eens temeer nu de overheidsrechter als vernietigingsrechter zelf de geldigheid van de arbitrageovereenkomst integraal en dus niet terughoudend moet toetsen.27.
ii. Hof miskent dat delegatie van rechtspraak ontoelaatbaar is.
Het hof delegeert in feite zijn rechtsprekende taak aan arbiters die oordelen over de quantum phase van de Arbitrage. Daartoe biedt de (grond)wetgeving geen enkele ruimte. Dat geldt zeker daar waar het gaat om de vraag of er een geldige arbitrageovereenkomst bestaat. In dergelijke gevallen bestaat zelfs geen mogelijkheid om bij vernietiging de zaak terug te verwijzen naar arbiters.28.
iii. Hof miskent het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
Het hof verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat het Scheidsgerecht één en ander nog zal beoordelen naar Procedural Order 7 (zie o.m. Tussenarrest 4.5 e.v., Eindarrest rov. 5.10.23 en 5.10.25). Het Scheidsgerecht heeft deze ‘procedurele instructie’ gegeven na het Gedeeltelijk Eindvonnis. Het hof meent kennelijk dat het als gevolg daarvan niet meer hoeft te oordelen over de vernietiging van het Gedeeltelijk Eindvonnis. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers mee dat tegen een ‘gedeeltelijk arbitraal eindvonnis (…) slechts de rechtsmiddelen van vernietiging en herroeping’ openstaan.29. De latere arbitrale ‘instructie’ van Procedural Order 7 kan/mag een eerder deelvonnis -als gedaan buiten de regelingen van aanvulling en verbetering (artikelen 1060 en 1061 Rv)-niet corrigeren en onderstreept hooguit dat de vorderingen tot herroeping en vernietiging terecht zijn voorgesteld. Het hof had deze vorderingen zelf moeten beoordelen.
iv. Hof heeft zijn oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.
Ter zitting is het voorgaande uitgebreid aan de orde geweest. De Russische Federatie is uitvoerig ingegaan op de inhoud van (de beslissingen ‘onder de streep’van) het Gedeeltelijk Eindvonnis .30. De Russische Federatie heeft onder meer uitgelegd dat het Scheidsgerecht in het Gedeeltelijk Eindvonnis uitdrukkelijk geoordeeld heeft dat alle afzonderlijke activa in overeenstemming met de wet waren verkregen31. en dat het zijn beoordeling over de rechtmatigheid van de vermeende investeringen (met inbegrip van de beoordeling van zijn eigen bevoegdheid terzake) in dat vonnis niet heeft doorgeschoven.32. De Russische Federatie heeft ook aangegeven dat en waarom de kwestie in deze vernietigingsprocedures (ex art. 1065 en 1068 Rv) moest worden beoordeeld. Het hof heeft de door de Russische Federatie aangedragen stellingen — die hiervoor zijn beschreven — in ieder geval niet afdoende kenbaar in de beoordeling betrokken. Het Scheidsgerecht gaf zijn oordeel vóór PrivatBank's giga-vermindering van haar vordering.
4. Stelplicht bewijslast, passeren van essentiële stellingen en onbegrijpelijke motiveringen
Deze klacht richt zich tegen rov 4.7–4.11 TA en rov 5.10.11–5.10.25 EA. Hierin heeft het hof —rov 4.10 TA— onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat een ‘vaststelling dat een deel van de investeringen van PrivatBank in de Krim door corruptie, fraude of geweld is verkregen (…) [niet] kan (…) leiden tot (…) vernietiging van het (…) Gedeeltelijk Eindvonnis.’33. Dat oordeel wordt kennelijk herhaald in het eindarrest waarin het hof overweegt dat de vordering ‘ook thans nog aanzienlijk is’ en dat niet kan worden aangenomen dat de fraude ‘de investering als geheel besmet’ waarna de vernietigingsvordering ‘dus’ geheel wordt afgewezen; rov 5.10.22 en 5.10.24 EA.
Toelichting
Ten onrechte geen (partiele) vernietiging
i
Het oordeel is rechtens onjuist omdat — als een grond voor vernietiging een gedeelte van de investeringen en daarmee een gedeelte van het vonnis raakt — minst genomen een gedeeltelijke vernietiging geëigend is. Als een deelvordering niet valt onder de reikwijdte van een arbitragebeding kan en moet een arbitraal vonnis immers voor dat gedeelte partieel worden vernietigd (artikel 1065 lid 5 Rv).
ii
Het oordeel is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het doen van één legale investering zou moeten meebrengen dat het arbitrale deelvonnis waarin een inhoudelijk oordeel wordt geveld over alle vorderingen in zijn geheel in stand zou moeten blijven. Het hof had de stellingen waaruit blijkt dat de overgrote meerderheid van de activa zijn verkregen in strijd met de wet moeten onderzoeken en gemotiveerd moeten oordelen over de vraag of zulks niet minstgenomen de partiële vernietiging van het vonnis zou rechtvaardigen. Zonder nadere toelichting valt immers niet in te zien waarom een partiële vernietiging niet mogelijk en geboden zou zijn ten aanzien van die deelinvesteringen die zijn verkregen in strijd met de wet. Dat geldt eens temeer nu hetzelfde hof in een arrest dat werd gewezen op dezelfde dag in een zaak over hetzelfde investeringsverdrag wel overging tot een partiële vernietiging ten aanzien van een gedeelte van de investeringen.34.
5. Onjuiste toepassing stelplicht en bewijslast
Het hof gaat in rov 5.10.14 en 5.10.18 EA onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd niet uitdrukkelijk in op de stelplicht en bewijslast inzake de (il)legaliteit van de investeringen. Het hof neemt echter in rov. 5.10.18 ‘bij gebreke van concrete stellingen waaruit het tegendeel blijkt’ aan dat is voldaan aan wet- en regelgeving. Het hof meent voorts dat ook als sprake is van een zeer omvangrijke fraude bij een bank ‘niet snel [kan] worden aangenomen’ dat niet is voldaan aan het legaliteitsvereiste.35. Het hof neemt aldus aan dat sprake is van legale investeringen zonder deze ‘legale’ investeringen afzonderlijk te bespreken en zonder in te gaan op bewijs over de verkrijging van die specifieke investeringen.
Toelichting
- (i)
Het hof miskent — in ieder geval in de vernietigingsprocedure — over de gehele linie dat de stelplicht ten aanzien van het bestaan van een geldige arbitrageovereenkomst rust op de eiser in de arbitrage. PrivatBank moet stellen en bewijzen dat bij haar vorderingen is voldaan aan de vereisten uit de BIT 1998.36. Het hof kon en mocht daarom niet veronderstellen dat sprake was van legale investeringen. Het hof had dit moeten onderzoeken op basis van hetgeen door de bank was aangevoerd en terzake gemotiveerd moeten beslissen.
- (ii)
Het oordeel van het hof is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof is niet ingegaan op de stelling dat de (al dan niet verzwaarde) stelplicht terzake op de bank rustte. Alle relevante informatie over de verkrijging van de vermeende investering bevond zich bovendien in haar domein.37. PrivatBank had de legaliteit van haar afzonderlijke investeringen moeten aantonen en daartoe ook bewijsstukken kunnen en moeten overleggen. Zij heeft daarmee nog niet eens een begin gemaakt, noch in de Arbitrage (vóór het deelvonnis) noch in vernietiging- en herroepingsprocedures. Zij heeft zelf uitdrukkelijk toegegeven dat zij niet aan haar stelplicht kon voldoen wat betreft de ‘zakelijke’ leningen.38. Ten aanzien van haar andere activa heeft zij nog minder informatie verstrekt. Zij heeft bijvoorbeeld geen enkel gegeven verstrekt over de verkrijging van onder meer de pinautomaten en de afzonderlijke consumentenleningen.39.
6. Hof gaat niet in op de rechtmatigheid van de investeringen op het moment van het doen ervan
Deze klacht richt zich tegen rov 5.10.11–5.10.25 EA. Hierin heeft het hof in de kern -rov 5.10.13 en 5.10.14 — onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat niet kan worden geoordeeld dat de investering niet voldoet aan het legaliteitsvereiste en dat —rov 5.10.22— de geconstateerde fraude niet de investering als geheel besmet. Immers heeft het hof geweigerd te oordelen over de rechtmatigheid van de deelinvesteringen.
Toelichting
Uit de beoordeling van het hof blijkt zonder meer dat een beoordeling van de rechtmatigheid van de afzonderlijke investeringen benodigd is op het moment van het doen ervan.40. Dan moet voor (categorieën van) leningen en vastgoed afzonderlijk worden beoordeeld wanneer de investering is gedaan en of die toen in overeenstemming was met de wet.41. Hiervoor is toegelicht dat de weigering de zaak inhoudelijk te beoordelen vernietiging rechtvaardigt. Het eindarrest kan niet anders worden gelezen dan als een weigering door het hof om de rechtmatigheid van de deelinvesteringen te beoordelen. Zekerheidshalve wordt niettemin ingegaan op volgens de Russische Federatie minder waarschijnlijke alternatieve lezingen van de summiere overwegingen in rov. 5.10.11 – 5.10.25:
6.1.
(i) Voor zover in de bestreden overwegingen enig inhoudelijk oordeel besloten zou liggen over het moment van doen en/of de toenmalige rechtmatigheid van de door PrivatBank gestelde investeringen is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat niet kenbaar is ingegaan het moment van ‘doen’ en de legaliteit van specifieke investeringen.42. Het hof is ten onrechte niet kenbaar ingegaan op talloze stellingen en stukken over het moment van doen van de 1) ‘zakelijke’ leningen (periode 2011–201443.), 2) vastgoed (200444.) en 3) consumentenleningen (2009, 201445.). Het hof is ook niet ingegaan op de stellingen en daartoe overgelegde bewijsstukken die zien op de onrechtmatigheid van al die afzonderlijke investeringen. Stellingen over vastgoed en consumentenleningen worden door het hof bijvoorbeeld in het geheel niet (kenbaar) in de beoordeling betrokken. Het betreft — samengevat — de volgende stellingen:
- 1.
‘Zakelijke’ leningen vormen het grootste gedeelte van de vordering: meer dan USD 600 miljoen op een totale vordering van USD 1.043,4 miljoen. Het gaat aldus om ruim 60% van het totaal.46. De Russische Federatie heeft gemotiveerd toegelicht dat het ging om 89 frauduleuze leningen. Zij maakten onderdeel uit van een massale bankfraude.
- a.
De fraude bij PrivatBank is alom veroordeeld, onder meer door de Europese Unie47., de Verenigde Staten,48. Engelse rechter49. En de Oekraïense Nationale Bank.50.
- b.
PrivatBank en PrivatBank's eigen acountant hebben toegelicht dat een overweldigende meerderheid van de leningen in haar leningportefeuille bestond uit leningen die verstrekt werden aan partijen gelieerd aan [betrokkene 7] c.s.51. De Russische Federatie heeft een deskundigenbericht overgelegd waaruit volgt dat leningen aan gelieerde partijen sowieso ook al op het moment van aangaan onwettig waren. Artikel 52 van de Oekraïense Banks and Banking Activity Law bepaalt dat transacties met gelieerde partijen die zijn gemaakt op ‘preferential or non-market terms’ verboden zijn.52.
- c.
De Russische Federatie heeft in de stukken aangetoond dat de 89 ‘zakelijke’ leningen waarvoor in deze zaak schadevergoeding is gevorderd onderdeel uitmaakten van de bankfraude.53. Het overgrote deel van PrivatBank's schadevordering bestaat aldus uit frauduleuze ‘zakelijke’ leningen.54. Voor de zitting heeft de Rusissche Federatie verschillende overzichten en vele tientallen producties in het geding gebracht waaruit dat blijkt:
- 1.
Productie RF-231 betreft een overzicht waarin de Rusissche Federatie voor 64 ‘zakelijke’ leningen heeft aangetoond dat de kredietnemers gerelateerd zijn aan [betrokkene 7] en [betrokkene 8]. Van de 25 andere leningen had de bank op dat moment al toegegeven dat die problematisch waren.
- 2.
Productie RF-232 betreft een overzicht waarin voor alle 64 resterende leningen wordt ingegaan op de door PrivatBank zelf toegepaste ‘Fraudulent Loan Indicators’. Uit het overzicht blijkt dat de leningen — op basis van de door de bank zelf gehanterde uitgangspunten — moeten worden aangemerkt als fraudeleningen.55.
- 3.
Productie RF-233 is een overzicht waaruit blijkt op welke data de 64 resterende ‘zakelijke’ leningen precies zijn aangegaan, op welke data de betreffende overeenkomsten gewijzigd werden en op welke data zekerheden werden gevestigd ten behoeve van die leningen.
- 4.
Overige producties: De Russische Federatie heeft vele tientallen andere producties over de fraude in het geding gebracht. Belangrijke voorbeelden zijn de rapporten die zien op fraudeonderzoek dat is verricht in opdracht van het nieuwe management van PrivatBank.56.
- 5.
In een deskundigenbericht is toegelicht dat fraudeleningen volgens de bank zijn aangegaan om de massale, systematische verduistering van gelden te bewerkstelligen.57. Deze leningen waren als gevolg daarvan reeds op het moment dat zij waren gesloten van rechtswege nietig naar het recht van Oekraine.58.
- d.
De fraude is in alle processtukken uitvoerig aan de orde gekomen. De stellingen zijn in de procedure — mede omdat de bank in de Arbitrage verplicht werd stukken over te leggen — steeds verder uitgewerkt.59. Ook tijdens de zitting heeft de Russische Federatie opnieuw benadrukt dat de ‘zakelijke’ leningen van meet af aan frauduleus waren.60. De Russische Federatie heeft uitgelegd dat de grootste fraudeurs strafrechtelijk zijn onderzocht en vervolgd. Die grootste fraudeurs waren degenen die de ‘zakelijke’ leningen persoonlijk ondertekenden. Diezelfde fraudeurs bepaalden ook het PrivatBank-beleid in de eerste fase van de Arbitrage. Onder hun leiding heeft de bank keer op keer herhaald dat er niets illegaals zou zijn aan de arbitragevordering.61.
- e.
De Russische Federatie heeft voorts toegelicht dat de ‘zakelijke’ leningen niet daadwerkelijk verband hielden met de Krim. Het gaat vrijwel uitsluitend om leningen die zijn gesloten door het hoofdkantoor met leningnemers die zijn gevestigd in o.m. Kiev en Dnjepropetrovsk. Als zekerheid voor deze leningen zijn wel hypotheekrechten gevestigd op vastgoed op de Krim. Pas door het vestigen van die hypotheekrechten was volgens de bank sprake van een ‘Krimse’ lening.62. Dat gebeurde voor het overgrote deel in maart en april 2014. De hypotheekrechten werden aldus gevestigd (lang) nadat de frauduleze leningen werden verstrekt.63. PrivatBank heeft zelf uitgelegd dat de hypotheekrechten onderdeel uitmaken van een fraude om gelden te verduisteren die waren verstrekt door het IMF. Daartoe werd het onderpand — volgens PrivatBank's eigen adviseurs — met behulp van valse taxaties overgewaardeerd.64. Fortuna vestigde bijvoorbeeld een recht van hypotheek op haar vastgoed ter securering van maar liefst negen verschillende leningnemers onder 22 van de 89 ‘zakelijke’ leningen.65.
- f.
PrivatBank heeft inmiddels haar arbitragevordering — tot twee keer toe — verminderd. Zij vordert nu geen enkele schade meer voor de 89 ‘zakelijke’ leningen. Op 26 juni 2020 verminderde zij haar claim met USD 737,1 miljoen. Zij claimde toen geen schadevergoeding meer voor 25 zogenaamd ‘zakelijke’ leningen. PrivatBank erkende dat ‘een aantal van die corporate loans problematisch is geweest.’66. PrivatBank heeft haar eis verder verminderd in haar Submission on Quantum. Dat gebeurde nadat de Russische Federatie overtuigend uiteengezet had dat de 64 overgebleven ‘zakelijke’ leningen ieder voor zich frauduleus waren (zie 6.1.(i).1.c hiervoor).67. PrivatBank gaf ook als reden voor de claimvermindering dat zij een andere berekeningsmethode zou hebben gehanteerd. Wat daar ook van zij: zij erkende dat de vermindering ook het gevolg was van een zogenaamde Fraud Review en Legality Review. Van de oorspronkelijke vordering van meer dat USD 1 miljard bleef uiteindelijk een bedrag over van circa USD 190 miljoen. De Russische Federatie heeft erop gewezen dat de eisverminderingen niet anders kunnen worden uitgelegd dan een erkenning van de stellingen over fraude.68.
- 2.
Vastgoed. De Russische Federatie heeft toegelicht dat PrivatBank's vastgoedafdeling betrokken was bij vele illegale privatiseringen van vastgoed.69. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verkrijging van het meest waardevolle vastgoedobject: het Tavria resort.70.
- a.
De ambtenaar die het vastgoed zogenaamd verkocht namens de Oekraïense staat aan een private partij71. was daartoe niet bevoegd.72. De Russische Federatie heeft een uitspraak van het Gerechtshof Dnjepropetrovsk van 22 augustus 2011 overgelegd waarin dat nauwkeurig is vastgesteld.73.
- b.
Vanwege hun rol bij deze fraude is strafrechtelijke actie ondernomen tegen onder andere de ambtenaar [betrokkene 9], Gouverneur [betrokkene 10], Burgemeester [betrokkene 11] van Dnjepropetrovsk en burgemeester [betrokkene 12] van Foros.74. [betrokkene 7] zelf erkende dat hij in die periode steekpenningen betaalde aan [betrokkene 13]. Die kneep een oogje toe terwijl staatseigendommen op grote schaal op illegale wijze door hem werden verkregen.75.
- c.
PrivatBank was vanaf het begin nauw betrokken bij de ontwikkeling van het Tavria resort.76. Zij heeft het resort vervolgens zelf gekocht op 14 juli 2004. Korte tijd na de ‘koop’ is strafrechtelijke beslag gelegd op PrivatBank's gebouw-D van het Tavria-resort. De beslagstukken bevestigen dat sprake was van een illegale verkrijging.77.
- d.
PrivatBank is nooit eigenaar geworden in overeenstemming met de wet. Naar het toepasselijk recht is het resort altijd staatseigendom gebleven. De Russische Federatie heeft daartoe twee deskundigenrapporten overgelegd van de heer [betrokkene 6].78.
- e.
De Russische Federatie heeft tal van andere producties overgelegd, waaronder ook mediaberichten waaruit volgt dat grote maatschappelijke verontwaardiging is ontstaan naar aanleiding van de fraude.79.
- 3.
Consumentenleningen. De Rusissche Federatie heeft daarnaast uitvoerig toegelicht dat de consumentenleningen onderdeel uitmaakten van de fraude en waren aangegaan in strijd met de wet.80. Zij heeft terzake drie deskundigenrapporten en meer dan tien producties in het geding ingebracht.81.
- a.
De Russische Federatie heeft gesteld dat door PrivatBank niet is voldaan aan haar stelplicht. Zij heeft op geen enkele manier toegelicht dat de consumentenleningen waren verkregen in overeenstemming met de wet. PrivatBank heeft geen enkele leningovereenkomst overgelegd, geen enkel leningnummer vermeld en ook overigens geen enkele specifieke informatie verstrekt.82.
- b.
De Russische Federatie heeft uitvoerig toegelicht dat de bank consumentengelden aantrok als een ‘stofzuiger’83. Door hogere rentes dan ganbaar in de markt te bieden, stalden vele onschuldige consumenten hun spaargelden bij PrivatBank. De bank ‘groeide’ aldus in tien jaar tijd met circa 800%.84. De tegoeden die zij aantrok maakten onderdeel uit van de fraude. Het aantrekken van geld met het oogmerk het vervolgens te verduisteren betrof een essentiële eerste stap van de fraude. Dat is bevestigd door de NBU.85. PrivatBank heeft dit ook erkend in andere juridische procedures.86. In Annex B — onderdeel 2 van haar brief aan het hof van 15 maart 2021, heeft de Russische Federatie stellingen van de bank die daarover gaan geciteerd.87. De betreffende onderliggende bewijsstukken heeft zij ook overgelegd in deze procedure.88. PrivatBank vorderde vooral schadevergoeding vanwege haar creditcardvorderingen. Die kunnen niet los gezien worden van haar wens zo veel mogelijk geld aan te trekken.89.
- c.
De Russische Federatie heeft een deskundigenrapport overgelegd van de heer Havrysh.90. Daaruit blijkt dat (i) PrivatBank spaartegoeden nodig had, (ii) de groei van spaartegoeden samenging met de groei van de ‘zakelijke’ (fraude) leningen, (iii) de Krimse branche werd gezien als donor van spaartegoeden en (iv) het overgrote deel van de Krimse spaartegoeden naar het hoofdkantoor ging om vanuit daar te worden uitgeleend.
- d.
De consumentenovereenkomsten waren ook overigens strijdig met het recht van Oekraïne.91. De Russische Federatie heeft deskundigenberichten overgelegd van de heer [betrokkene 6].92. Daarin wordt ingegaan op rechtspraak van het Oekraïens Hooggerechtshof. In die uitspraken heeft de hoogste rechter zich gebogen over contractsbepalingen die waren opgenomen in de veelgebruikte templates/modellen van PrivatBank. Die contractsbepalingen waren in strijd met dwingend recht.
6.1.
(ii) Voor zover het 's hofs oordelen zo moeten worden gelezen dat het moment van het ‘doen’ van alle deelinvesteringen zou samenvallen met het begin van bancaire activiteiten of het verlenen van een licentie circa tien of twintig jaar daarvoor in een geheel andere regio is het oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat in het geheel geen inzicht is gegeven aan de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het moment van doen van verschillende investeringen samen zou vallen. Het oordeel is althans innerlijk tegenstrijdig omdat het hof oordeelt dat voor toepassing van het unity of investment leerstuk bij de beoordeling van het legaliteitsvereiste in beginsel geen plaats is (rov. 5.10.21). Dat oordeel brengt juist mee dat alle specifieke investeringen afzonderlijk moeten worden beoordeeld.
6.2.
Indien voorgaand middelonderdeel doel treft, dan kan ook 's-hofs oordeel over de openbare orde in rov 5.12.3, 5.12.4 en 5.12.5 niet in stand blijven. Immers, het hof heeft haar oordeel over de openbare orde gemotiveerd met haar oordeel over de illegaliteit van de investeringen.
7. Rov. 5.10.18: onbegrijpelijk oordeel relevantie oprichting en/of banklicentie.
Het hof oordeelt dat de vermeende rechtmatige oprichting van de bank en de dito verkrijging van haar banklicentie meebrengen dat alle verwijten van fraude zien ‘op handelen na het doen van de investering’ (5.10.11, 12 en 18). Alle verwijten van fraudes zouden om die reden kennelijk niet relevant zijn. Zonder nadere motivering — die ontbreekt — valt niet in te zien waarom de oprichting of de verkrijging van de banklicentiein Oekraïne93. iets zeggen over het moment van het doen van andere investeringen op de Krim. PrivatBank was aanvankelijk een regionale bank buiten de Krim.94. Haar oprichting en verkrijging van de licentie vonden plaats op een moment voordat zij vastgoed of leningen verkreeg op de Krim.95. PrivatBank heeft geen schadevergoeding gevorderd voor het verlies van haar banklicentie op de Krim.96. Het hof is in ieder geval niet ingegaan op deze en andere specifieke stellingen die zien op specifieke deelinvesteringen (zie middelonderdeel 6.1.(i)). Zo is het hof niet ingegaan op het deskundigenbericht waarin is toegelicht dat de ‘zakelijke’ leningen als gevolg van de fraude nietig waren op het moment dat zij zijn aangegaan (zie middelonderdeel 6.1.(i).1.c.5). Zonder nadere toelichting — die ontbreekt — valt in ieder geval niet in te zien dat een bank die eenmaal op rechtmatige wijze een banklicentie krijgt niet op een later moment ergens anders onwetmatige — en daarom niet door de BIT beschermde — investeringen zou kunnen doen.
8. Rov. 5.10.15–5.10.19 oordeel zakelijke ‘offshore’ leningen:
Deze klacht richt zich tegen rov 5.10.15–5.10.19. Hierin heeft het hof onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld —rov 5.10.15— dat de Russische Federatie vooral zou hebben gesteld dat ‘structureel zakelijke leningen werden verstrekt aan offshore entiteiten verbonden aan de voormalige bestuurders (…), welke leningen niet waren gesecuriseerd met zekerheden. Die leningen werden vervolgens niet afgelost.’. Immers, het hof heeft hierbij de stellingen over de aspecten van die fraude die wel relevant zijn voor deze zaak niet afdoende kenbaar in zijn beoordeling betrokken, (zie middelonderdeel 6.1.(i).1.c en e).
Toelichting
Hoewel het juist is dat binnen het concern werd gefraudeerd met offshorevennootschappen, maakt deze ‘samenvatting’ duidelijk dat het hof geen serieuze studie heeft gemaakt van de ‘zakelijke’ leningen waarvoor in deze zaak schadevergoeding is gevorderd. Het ging daarbij immers (vrijwel) uitsluitend om leningen die waren verstrekt aan gelieerde entiteiten in Oekraïne.97.
De inhoudelijke beoordeling van die ‘zakelijke’ leningen is (ten onrechte) achterwege gebleven. Voor zover in deze en latere overwegingen een oordeel zou zijn vervat over het moment van doen van de ‘zakelijke’ leningen waarvoor schadevergoeding is gevorderd.
9. Rov. 5.10.19 ‘naar hun aard niet illegaal’
In rov 5.10.19 heeft het hof onbegrijpelijk geoordeeld dat de banklicentie was verkregen in overeenstemming met de wet en dat de ‘activiteiten van PrivatBank (het aantrekken en verstrekken van leningen) (…) verder naar hun aard’ niet illegaal zouden zijn. Dat oordeel is onnavolgbaar, alleen al omdat niet valt in te zien waarom betekenis toekomt aan de vraag of transacties ‘naar hun aard’ legaal (kunnen) zijn.
Toelichting
Natuurlijk bestaan er overal ter wereld leningsovereenkomsten die op zichzelf legaal ‘tot stand zijn gekomen’. Maar dat betekent echter niet (drogredenerend) dat in zijn algemeenheid dergelijke leningsovereenkomsten altijd in overeenstemming met de wet zijn aangegaan. Dat is zeker niet het geval als het gaat om overeenkomsten die van rechtswege nietig zijn wegens fraude (zie middelonderdeel 6.1.(i).1.c.5)), sub 5). Het hof is in ieder geval in de beoordeling ten onrechte niet (kenbaar) ingegaan op andere door de Russische Federatie aangevoerde argumenten waaruit blijkt dat leningen waar het in deze zaak om gaat‘verder naar hun aard’ ook strijdig waren met wet- en regelgeving (zie o.m.6.1.(i).1.b). Het hof negeert bijvoorbeeld het beroep op rechtspraak van het Hooggerechtshof. Daaruit volgt dat bedingen in modelovereenkomsten voor leningen van de bank strijdig waren met dwingend recht in Oekraïne. Dat maakt ook duidelijk dat zelfs consumentovereenkomsten op het moment van aangaan op basis van hun aard en/of inhoud strijdig waren met de wet (zie middelonderdeel 6.1.(i).3.d).
10. Rov. 5.10.12. Oordeel peilmoment is innerlijk tegenstrijdig:
In rov 5.10.12 heeft het hof onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat het relevante peilmoment moet worden gesteld op 21 maart 2014. Immers, het is onjuist, althans onbegrijpelijk dat het hof desondanks omstandigheden meeneemt die dateren van ver na dat peilmoment.
Toelichting
Het gaat in het bijzonder om de stelling dat het frauderende bestuur (jaren daarna) is vervangen en dat (jaren daarna; zelfs na het Gedeeltelijk Eindvonnis)) een procedurele instructie door het Scheidsgerecht is gegeven in de Arbitrage (Procedural Order No. 7) (rov. 5.10.23). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dergelijke omstandigheden een rol zouden mogen spelen.
11. Rov. 5.10.22–5.10.24. Zogenaamd ‘normale’ bankactiviteiten
Het hof heeft —rov 5.10.22— op zich terecht geoordeeld dat de bank een grote (systeem)bank is met veel rekeninghouders. Het hof meent evenwel ten onrechte dat ‘daarom’ sprake was van ‘normale bankactiviteiten’ en dat dit ook zou volgen uit het persbericht (rov 5.10.22). Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van dat persbericht.
Toelichting
Het NBU persbericht is kort en helder.98. In dit bericht wordt niet uitgegaan van ‘normale bankactiviteiten’. Uit het bericht blijkt juist onmiskenbaar dat de bank slechts deed alsof zij een gewone bank was (‘to create the visibility of a real bank to attract funds from private and commercial depositors’). Er was sprake van een ‘façade’ (‘to present a facade of an ordinary client-focused bank’).99. Het NBU persbericht bevat een afbeelding met de tekst ‘Ordinary visible structure ‘Facade’’. De ogenschijnlijk normale consumentenbank was in werkelijkheid de eerste stap van de fraude. Het betrof een ‘vacuum cleaner’ die zo veel mogelijk geld uit de markt trok teneinde het te kunnen verduisteren. Hier was geen sprake van fraude in slechts een uithoek van de bank. Het ging volgens de titel van het persbericht om een ‘large scale and coordinated fraud’. Volgens de toelichting was de ogenschijnlijk gewone bank onderdeel van een ‘large coordinated money laundering scheme and bank fraud with a characteristics of a pyramid scheme.’ De Russische Federatie heeft hier keer op keer op gewezen.100. Het hof heeft deze stellingen — hoewel het die onder ogen heeft gezien101. — ten onrechte niet kenbaar in de beoordeling van het legaliteitsvereiste en dus van de bevoegdheid van het Scheidsgerecht betrokken.
12. Rov. 5.10.20–5.10.25. Unity of investment-beginsel / bedrog en achterhouden van stukken
12.1
Hierin heeft het hof onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat ‘niet [kan] worden aangenomen dat elke vorm van fraude binnen een onderneming de investering als geheel aantast’ (rov 5.10.20). Het hof vervolgt dat naar internationaal recht niet geldt dat fraude de legaliteit van de gehele investering raakt. Het hof bespreekt een enkele rechtsbron en acht die ‘niet overtuigend’. Het Scheidsgerecht in deze zaak zou volgens het hof de toepasselijkheid van het unity of investment beginsel evenmin in verband met het legaliteitsvereiste van de BIT hebben onderschreven: de betreffende overwegingen zouden zien op een ‘ander aspect van de zaak’ (rov 5.10.25). Immers:
- i.
Het Scheidsgerecht overwoog in rov. 259: ‘PrivatBank's investment should be considered in its entirety against the Treaty's definition of ‘investment’ rather than fragmented into its constituent parts’.102. PrivatBank had dit zelf in vrijwel identieke bewoordingen bepleit.103. Het legaliteitsvereiste is onmiskenbaar vervat in de definitie van ‘investment’ in artikel 1 BIT 1998.104.
- ii.
Het oordeel van het hof dat naar internationaal recht geen unity of investment-beginsel zou bestaan, althans dat dit niet van toepassing zou zijn op legaliteitsvereisten, is ook rechtens onjuist. Zoals ter zitting naar voren gebracht, blijkt dit onder andere uit arbitrale vonnissen, waaronder ook het Gedeeltelijk Eindvonnis.105. Dit volgt bovendien ook uit een recent overzichtsrapport van hoogleraar Schreuer over het unity of investment-beginsel. Daaruit blijkt dat dit beginsel ook wordt toegepast ten aanzien van legaliteitsvereisten in investeringsverdragen.106.
- iii.
In rov. 5.10.20 maakt het hof overigens een karikatuur van de door de Russische Federatie ingenomen stellingen inzake het unity of investment-beginsel. Het hof doet alsof de Russische Federatie zou hebben gesteld dat ‘elke vorm van fraude binnen een onderneming de investering als geheel aantast’ en voorts dat de Russische Federatie zou hebben gesteld dat het vaste investeringsjurisprudentie is dat elke vorm van fraude ‘altijd’ de legaliteit van de gehele investering aantast. Het hof heeft ten onrechte nagelaten gemotiveerd in te gaan op hetgeen wel is aangevoerd. De Rusissche Federatie heeft toegelicht dat in dit geval sprake is van fraude die ziet op de kernactiviteit van de bank: het inlenen en uitlenen van geld. De Russische Federatie heeft gesteld dat het Scheidsgerecht zich tegen die achtergrond naar internationaal recht geheel onbevoegd had moeten verklaren.107.
12.2
In rov 6.4 – 6.6 heeft het hof onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat er onvoldoende verband is tussen de entiteiten van de Privat Group en PrivatBank, niet is voldaan aan de eisen van artikel 1068 Rv en dat het herzieningsverzoek ook op inhoudelijke gronden faalt. Immers, moet het aanvangsmoment van een herroepingsvordering worden beoordeeld (i) per afzonderlijke herroepingsgrond, (ii) vanaf het moment dat de Russische Federatie de achtergehouden stukken in handen heeft gekregen en (iii) vangt die termijn niet aan met louter vermoedens of zelfs bekendheid met het achterhouden van stukken. Verder of althans heeft het hof essentiële stellingen te dier zake niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken en heeft zij onvoldoende inzicht gegeven in de onderliggende gedachtegang.
Toelichting
Voortbouwing op rov 5.10.11–5.10.25 en 5.13.6
Met betrekking tot het oordeel over de herroepingsvordering: Delen van de beoordeling —met name rov 6.6— bouwen voort op rov. 5.10.11–5.10.25 en 5.13.6. Het slagen van daartegen gerichte klachten zal ook betekenen dat rov. 6.4–6.6 niet in stand kunnen blijven. Daarnaast gaat het hof in rov. 6.5 onbegrijpelijk slechts in op de datum van het NBU persbericht.
Verband Privatgroup-Privatbank
Het hof heeft (in dezelfde samenstelling) in de zaak Everest overwogen dat [betrokkene 7] grootaandeelhouder is van Privatbank en de persoon is die ‘controlled the bank’. Verder dat voldoende vaststaat dat er nauwe banden bestaan tussen Everest c.s. (de Privatgroup) en [betrokkene 7] en (al dan niet via [betrokkene 7]) de Privatbank.108.
De wijze waarop het hof in onderhavige zaak in een enkele volzin tot het oordeel komt dat er onvoldoende verband is tussen de privatgroup en de privatbank is op zijn zachtst gezegd vrij rigoureus, zeker in het licht van de uitgebreide en onderbouwde stellingen van de Russische Federatie in de processtukken in de vernietigingsprocedure en de herroepingsprocedure.109.
De Russische Federatie heeft aldaar gemotiveerd en onderbouwd met vele producties gesteld dat PrivatBank onderdeel was van het beruchte zakenimperium dat in de media wordt aangeduid als de Privatgroup. De term Privatgroup verwijst naar een groot aantal ondernemingen die feitelijk worden gecontroleerd door de zakenpartners [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en dat PrivatBank het hart van dat imperium was en een cruciale rol gespeeld heeft binnen de Privatgroup. Het hof heeft deze stellingen, die door PrivatBank onvoldoende gemotiveerd zijn betwist,110. niet (kenbaar) bij zijn beslissingen betrokken, maar het door de Russische Federatie verband tussen PrivatBank en de Privatgroup met één pennenstreek verworpen., zodat 's-hofs beslissing in dat opzicht (apert) onbegrijpelijk is.
Hof gaat niet op onderzoeksplicht
De Russische Federatie heeft in de stukken de toepasselijke norm uiteengezet en aan de hand daarvan toegelicht dat tijdig herroeping is gevorderd:
- i.
Het aanvangsmoment voor de termijn voor een herroepingsvordering zal in beginsel moeten worden beoordeeld per afzonderlijke herroepingsgrond. Dat wil zeggen: per achtergehouden stuk. Dat volgt uit het Admiraal de Ruyter ziekenhuis-arrest.111.
- ii.
De wettekst is helder: de termijn wegens het achterhouden van stukken vangt aan op het moment dat een partij de achtergehouden stukken ‘in handen heeft gekregen’.112.
Vermoedens of zelfs bekendheid met het achterhouden van stukken brengen niet mee dat de termijn begint te lopen. Het gaat immers om het moment dat een partij stukken daadwerkelijk stukken in handen heeft gekregen.113. Een vermoeden leidt hooguit tot een beperkte onderzoeksplicht.114. In deze zaak is aangevoerd dat pas laat sprake was van vermoedens, dat toen direct onderzoek is verricht en dat daarna tijdig herroeping is gevorderd.115. De herroepingsvordering is overigens ook binnen drie maanden na het Gedeeltelijk Eindvonnis ingesteld.
Hof miskent rechtsnorm uit art. 1068 lid 2 Rv. Het hof miskent dat de termijn voor herroeping loopt vanaf de dag waarop het bedrog aan de benadeelde ‘bekend’ is of achtergehouden stukken ‘in handen zijn gekregen’.116. Een vermoeden van bedrog is dus niet reeds voldoende voor het aanvangen van de herroepingstermijn. Het hof heeft ten onrechte niet getoetst wanneer de termijn precies is gaan lopen voor de verschillende vormen van ‘bedrog’ en de verschillende stukken die zijn achtergehouden. De Russische Federatie heeft in het bijzonder toegelicht dat concrete stukken zijn achtergehouden. Ter zitting heeft zij — aan de hand van een tijdlijn — nog ruim een half uur besteed aan een minitieuze uiteenzetting van het bedrog en achterhouden van stukken. Het gaat onder andere om:
- iii.
De breakdown van PrivatBank's schadevergoedingsvordering;117.
- iv.
Relevante stukken inzake ‘zakelijke leningen’, zoals de onderzoeksbevindgen van PrivatBank's EY;118. en
- v.
Stukken waaruit blijkt dat PrivatBank PrivatBank haar vastgoed, waaronder het Tavria resort, in strijd met de wet verkreeg door middel van fraude en corruptie.119.
Veel van die stukken zijn onmiskenbaar opgevraagd bij dagvaarding en pas nadien ontvangen.
Hof miskent onderzoeksplicht: Voor zover het hof bedoelt dat het NBU persbericht voldoende was voor een vermoeden van bedrog en op basis daarvan direct actie had moeten worden ondernomen, is dat oordeel rechtens onjuist omdat het de hiervoor beschreven norm van artikel 1068 Rv miskent. Althans het oordeel is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof is ook niet (kenbaar) ingegaan op de stelling dat uitvoerig onderzoek is verricht. Zij heeft onderzoek gedaan naar aanleiding van verschillende mediaberichten, heeft stukken opgevraagd, bronnen gedownload, Oekraïense advocaten ingeschakeld om onderzoek te doen naar onder andere de fraude bij PrivatBank, heeft in en buiten rechte geprobeerd om een kopie te verkrijgen van het onderzoeksrapport van Kroll.120. De Russische Federatie heeft ook binnen en buiten rechte stukken opgevraagd bij PrivatBank.121. Aldus valt niet in te zien dat niet voldaan zou zijn aan een onderzoeksplicht en dat op enigerlei wijze rechten zouden zijn verwerkt.
Hof heeft zijn oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft hoe dan ook niet, althans onvoldoende begrijpelijk, toegelicht waarom betekenis zou moeten toekomen aan de bekendheid met het NBU persbericht.122. Op basis van het enkele NBU persbericht kon het bedrog in deze arbitrage immers nog niet worden vastgesteld. Daarvoor was meer informatie benodigd. Op dat moment bestond hooguit een onderzoeksplicht voor de Russische Federatie. Verschillende stukken die van belang waren om bedrog te kunnen vaststellen, waaronder de opgevraagde breakdown en het EY rapport en het Lewis rapport, zijn lange tijd door PrivatBank achtergehouden. Bij het instellen van de herroepingsvordering, had de Russische Federatie al inzage gevraagd in relevante stukken die werden achtergehouden. De breakdown is uiteindelijk pas in september 2020 overgelegd op instructie van het Scheidsgerecht in de quantum phase.123. Vóór dat moment was niet duidelijk hoe de rechtsvordering van PrivatBank was samengesteld. Het Lewis rapport heeft de Russische Federatie met veel moeite zelf in handen gekregen. Zij kreeg daarover beschikking doordat het in 2020 publiekelijk toegankelijk is gemaakt door de Optima Defendants in de Delaware Proceedings.124. Uit dat rapport en de nadien verkregen bijlagen blijkt wat volgens PrivatBank kenmerken zijn van fraudeleningen — de acht zogenaamde ‘Fraudulent Loan Indicators’.125. Uit nader onderzoek blijk dat die indicatoren op elk van de ‘zakelijke’ leningen waarvoor PrivatBank schadevergoeding vorderde van toepassing waren. Zonder die stukken — op zijn minst de breakdown van PrivatBank's vordering en het Lewis rapport (inclusief de bijlagen daarvan) — en veel nader onderzoek was het niet mogelijk voor de Russische Federatie om bedrog vast te stellen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het NBU persbericht voldoende zou zijn geweest om vast te stellen dat er sprake was van bedrog.
's‑Hofs beoordeling langs de band van de openbare orde: rov 6.6
Over bedrog en het achterhouden van stukken in het kader van strijd met de openbare orde neemt het hof in rov. 5.13.6 tot uitgangspunt dat de fraude niet alle aspecten van PrivatBank raakt. Het hof gaat er aldus vanuit dat PrivatBank ook deels investeringen heeft die niet besmet zijn door het illegale handelen. Het hof had niet van die assumptie mogen uitgaan. Ook verwijst het hof opnieuw naar de quantum phase van de arbitrale procedure waarin de waarde van de investeringen nog aan bod zouden komen. Daarmee verschuift het hof een vraag die onderdeel uitmaakt van zijn taak om hetgeen ten grondslag ligt aan de vernietigingsvordering van de Russische Federatie te beoordelen naar de arbiters. Dat betreft verboden delegatie. In feite bouwen deze oordelen voort op de oordelen van het hof in rov. 5.10.11–5.10.25. Wij zijn van mening dat het slagen van de klachten tegen rov. 5.10.11–5.10.25 mee zal brengen dat ook de daarop voortbouwende beoordeling in 5.13.6 geen stand kan houden.
Gevorderde herroeping vs vernietiging
Het hof overweegt het hof in rov. 6.5, laatste zin overigens ook onjuist en/of onbegrijpelijk : ‘Het middel van herziening is niet bedoeld om een partij in staat te stellen aanvankelijk — door stil te zitten — het kruit droog te houden om vervolgens, bij een ongunstige uitspraak vernietiging te verzoeken.’ Immers, de Russische Federatie heeft om vernietiging verzocht.
Veegklacht
13.
Het voorgaande vitieert ook hetgeen het hof heeft overwogen en beslist in rov 7.1, 8.1 en het daaraan ontleende dictum.
Conclusie
De Russische Federatie vordert op grond van dit middel de vernietiging van het bestreden arrest, met zodanige verdere beslissing, mede met betrekking tot de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten. Voorts vordert de Russische Federatie dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaten
19 oktober 2022
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑10‑2022
Rov 2.1, 3.18.
Tussenarrest d.d. 16 februari 2021.
De Russische Federatie was verrast door dit (onjuiste) oordeel en heeft het hof verzocht daarop terug te komen bij brief van 15 maart 2021. Het hof heeft dat verzoek zonder enige motivering afgewezen.
RF conclusie van repliek §§ 733–739 en RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 83–87. Voetnoten als in origineel, maar met andere nummering.
Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 5, 7, 9.
RF pleitnotities §§ 8 en 116 en de introductie bij productie RF — 228 (P), Overzicht frauduleuze ‘Indexed Loans’ cq Head Office Loans, waarin deze berekening wordt toegelicht
EA, rov. 5.10.23.
Zie Vernietigingsdagvaarding, §§ 475–480, Repliek, hoofdstuk 8.4.2, RF Pleitnota § 137, RF-243 (P),Russian Federation's Rejoinder on Illegality and on Quantum, 16 december 2021, hoofdstuk 6.3., RF-234 (P), Expert Report of [betrokkene 6], 23 maart 2021, hoofdstuk 2.A.b.ii. Zie ook RF-245 (P), Tweede expert rapport van [betrokkene 6], 16 december 2021.
RF Pleitnota, § 141, RF-245 (P), Tweede expert rapport van [betrokkene 6], 16 december 2021, hoofdstuk 6. RF-243 (P), Russian Federation's Rejoinder on Illegality and on Quantum, 16 december 2021, § 6.2.1.
Zie rov 5.7.11, 5.7.25 en.Procesdossier: onder meer VDgv hst 4.5, CvR hst 4, pleitnota hst 2,4 en 5
E-arrest 5.4.19; N-arrest 5.7.25; B-arrest 5.5.23; P-arrest 5.7.20.
Dagvaarding par. 145, 213, 266, 288. Conclusie van repliek 58, 419, 450, 552. Pleitnotities Russische Federatie 38.
Dagvaarding par. 75, 189–196, 212, 217–218, 221–224, 246–247, 285, Conclusie van repliek 416–418, Pleitnotities Russische Federatie 31–32, 52–60
Zie E-arrest 5.4.10; N-arrest 5.5.10; B-arrest 5.5.10; P-arrest 5.7.12.
P-dgv 75, 189–196, 212, 217–218, 221–224, 246–247, 285, P-CvR 416–418, P-Pleitnota 31–32, 52–60.
EA rov 3.1 en 3.3.
Onder meer:Vdgv hst 4.5.2b (i), 4.5.2c (ii), CvR hst 1.3.3, 2.4.1, 3.5.1, 3.5.3, 4.1, 4.2.1, 4.2.2, 4.2.5, Pleitnotities RF hst 5
EA rov 5.7.8.
Dispute Concerning Coastal State Rights in the Black Sea, Sea of Azov, and Kerch Strait (Ukraine v. the Russian Federa-tion), PCA Case No. 2017-06J, P-arrest 5.5.8. Zie ook onder meer Vdgv 174, hst 4.4.4, CvR hst 3.3.1, 3.3.3, 3.3.4, pleitnotities hst 4.
Rov 5.8.10–5.8.21 (investment) en rov 5.9.7 en 5.9.8 (investor)
Zie middelonderdeel 6 t/m 12.
Zie o.a. HR 5 november 2021, NJ 2022/102 (RF/HVY) en HR 26 september 2014, NJ 2015/318 (Equador/Chevron).
Zie HR 21 februari 2013, NJ 1913, p.584 (Offermeijer/Portheine). Zie in deze zin o.a. G.J. Meijer in T&C, aant. 2 sub a bij artikel 1065 Rv. Zie vrij recent ook Hof Amsterdam 30 augustus 2022, ECLI 2493 (Geo/Sina). Deze kwestie is ook betrokken in het debat in de procedures die zijn uitgemond in HR 5 november 2021, NJ 2022/102 (RF/HVY) en HR 26 september 2014, NJ 2015/318 (Equador/Chevron).
Dagvaarding par. 111, Conclusie van repliek par. 41–42, Pleitnotities Russische Federatiepar. 103
Zie middelonderdeel 7 tot en met 12.
Zie art. 23 en 24 Rv. Zie hierover bijv. HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, rov. ‘3.2.1 [Onderdeel I klaagt dat] het hof alleen (gemotiveerd) heeft beslist op de vorderingen voor zover die zijn gebaseerd op wanprestatie. Door niet ook gemotiveerd te beslissen op de vorderingen op de grondslagen onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking heeft het hof art. 23 Rv geschonden, althans is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het onderdeel. 3.2.2. (…) Deze subsidiaire grondslagen had het hof (…) afzonderlijk dienen te beoordelen. Dat heeft het hof niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gedaa n. Het onderdeel slaagt derhalve. ’
Zie o.m. HR 9 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4130, NJ 1981/203 (De Raad/Wagemaker); HR 27 maart 2009, NJ 2010/170 (Smit Bloembollen c.s./Ruwa Bulbs), r.o. 3.4.1; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 (Ecuador/Chevron); HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102 (Rusland/HVY).
G.J. Meijer e.a., Parlementaire Geschiedenis Arbitragewet , Deventer: Wolters Kluwer 2015, pp. 160–162. Zie in dit kader ook artikel 1065a Rv dat gaat over remissie. In deze zaak is daarvan geen gebruik gemaakt. Bij de totstandkoming van deze remissieregeling heeft de wetgever evenwel duidelijk overwogen dat kwesties die zien op de geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage zich niet lenen voor remissie. De wetgever bevestigt dus dat ‘delegatie’ op dit punt niet mogelijk is.
Artikel 1064 Rv.
Zie onder meer RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 83–87. Voetnoten als in origineel, maar met andere nummering en proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 5, 7, 9
PrivatBank V Dagvaarding, § 430; Repliek, § 666(i); RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 15, 83–84, onder verwijzing naar RF-3 (P), Gedeeltelijk Eindvonnis, §§ 204, 205 en 214; Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 9.
RF Pleitnota, zoals hierna ook aangehaald.
Zie m.n. tussenarrest rov. 4.10.
Vgl. het arrest in de zaak Russische Federatie/Naftogaz c.s.
Zie o.m. rov. 5.10.14 EA(…) ‘onvoldoende toegelicht’ [door de Russische Federatie]., rov. 5.10.18 EA (…) Het hof gaat er, bij gebreke van concrete stellingen waaruit het tegendeel blijkt, van uit dat PrivatBank zowel op het moment van de aanvang van de bankactiviteiten als op het (latere) moment van het verkrijgen van de banklicentie voldeed aan de vereisten die door de Oekraiense overheid en/of de NBU voor het verrichten van bancaire activiteiten en het verkrijgen van een zodanige licentie gesteld werden.‘ rov. 5.10.19 (…)’ De activiteiten van PrivatBank (het aantrekken van gelden en het verstrekken van leningen) zijn verder naar hun aard niet illegaal.' rov. 5.10.22 (…) Bij een onderneming van een omvang als die van de PrivatBank kan n iet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder de BIT 1998 onttrekken.
PrivatBank V Dagvaarding, §§ 4.2.4, 533; PrivatBank Repliek, §§ 584, 604; RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 103–104. Zie in dit verband ook G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage, Deventer: Kluwer 2011, hoofdstuk 11.6.4; G.J. Meijer, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2018, artikel 1065 Rv, aant. 2.a.; H.J. Snijders, Nederlands Arbitragerecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, artikel 1065 Rv, aant. 2; Hoge Raad 21 februari 1913, NJ 1913, p. 584 (Offermeier/Portheine): ‘(…) dat waar aan den burgerlijken rechter de beslissing van twistgedingen is opgedragen en waar scheidsmannen alleen bevoegd zijn eene beslissing te geven, als partijen deswege zijn overeengekomen op de partij, die beweert dat eene dergelijke overeenkomst bestaat, bij de betwisting daarvan door de wederpartij, de bewijslast rust.’ Zie ook Rechtbank Rotterdam 18 mei 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ5670 (Eiser/Cimcool), r.o. 4.6. en Rechtbank Den Haag 20 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4229 (De Russische Federatie/VPL, YUL & Hulley), rov. 5.4.
Zie PrivatBank Repliek, § 584; RF Pleitnotities in PrivatBank, § 103–104.
Zie RF Pleitnotities in PrivatBank, § 103, waar de Rusissche Federatie citeert uit RF-235 (P), PrivatBank's Reply on Quantum and the Illegality Objection, 16 augustus 2021: ‘(…) meeting its burden of proof as to the Excluded Loans would require additional evidence, which the Claimant's investigations have not yielded to date.’
CvR §§ 584 en 604, RF Pleitnotities, §§ 103–104en proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 4. ‘Voor de consumentenleningen zijn geen overeenkomsten in het geding gebracht en ook zijn die leningen niet voorzien van specificatie. De lening nummers worden niet eens genoemd.’
Zie o.m. rov. 5.10.12 ‘Dit betekent dat (ook) getoetst moet worden of de investeringen legaal zijn verkregen naar Oekraïens recht.’ Het hof verwerpt in latere overwegingen immers uitdrukkelijk het leerstuk van unity of investment, hetgeen meebrengt dat een analyse per deelinvestering vereist is. Vgl. ook rov. 5.10.25 ‘het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie immers uitdrukkelijk toegestaan om in haarsubmission on quantum uitgebreid in te gaan op de gestelde illegaliteiten per (categorie van) investering(en).’
Zie RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 98–100.
Het hof is is slechts ingegaan op de aanvang van de bankactiviteiten en het verkrijgen van de banklicentie, rov. 5.10.18 en 5.10.19. Daarvan oordeelt het hof dat moet worden aangenomen dat de verkrijging daarvan niet ‘met onregelmatigheden (…) gepaard is gegaan’.
De Russische Federatie heeft de relevante momenten van het aangaan en wijzigingen van alle leningen uiteengezet in een overzicht, Productie RF-233 (P). Daaruit blijkt dat de meeste ‘zakelijke’ leningen zijn aangegaan of gewijzigd in de periode van 2011–2014. Dat was de periode waarin de fraude volop aan de gang was. De Russische Federatie heeft ook toegelicht frauduleuze hypotheekrechten zijn gevestigd op vastgoed op de Krim in 2014; Zie bijv. Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 5, en productie RF-230 (P) par 51 en 301, RF pleitnotities par 121 en producties RF-230 (P), hoofdstuk 7 en RF-243 (P), hoofdstuk 5.1.3, RF pleitnotities par 120 en 123 en producties RF-219 (P), blz 123–124 en RF-137a (P), blz. 9–11, RF pleitnotities par 122 en productie RF-243 (P) par 150 en 346. Die hypotheekrechten zorgden er beweerdelijk voor dat de fraudeleningen kwalificeerden als een investering op de Krim.
Dit terwijl de precieze datum van de illegale privatisering van het grootste vastgoedobject (25 december 2001) en ook de latere pogingen om het object over te dragen (14 juli 2004) volgen uit de stukken. Zie o.m. Dagvaarding, § 479, voetnoot 506 en Productie RF-234, Expert Rapport [betrokkene 6].
Het hof is niet ingegaan op het moment van ‘doen’ van investeringen in consumentenleningen. Het gaat vooral om creditcardleningen die naar hun aard kortlopend zijn. Het hof is niet ingegaan op de stelling dat de bank aanvankelijk helemaal geen noemenswaardige omvang had op de Krim. Die activiteiten kregen pas enige omvang vanaf 2009. RF Pleinota, §§ 7, 113 en 114.
Zie akte RF d.d. 28 oktober 2021, waarbij zij RF-228 (P), Overzicht frauduleuze Indexed Loans c.q. Head Office Loans, heeft ingebracht.
RF-124a (P), Persbericht Raad van Europa, ‘Joint press statement following the 6th Association Council meeting between the EU and Ukraine’, 28 januari 2020.
Zie RF-139 (P), Stukken over nieuwe procedure in de Verenigde Staten. Zie ook het ter zitting aangehaalde persbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken Anthony Blinken d.d. 5 maart 2021 getiteld ‘Public designation of Oligarch and Former Ukrainian Public Official Ihor Kolomoiskyy Due to Involvement in Significant Corruption’, beschikbaar op https://www.state.gov/public-designation-of-oligarch-and-former-ukrainian-public-official-ihor-kolomoyskyy-dueto-involvement-in-significant-corruption/.
RFL-105 (P), PrivatBank v. [betrokkene 7], [betrokkene 8] et al. [2018] EWHC 3308 (Ch), 4 december 2018, §§ 25, 26 en 30.
Zie RF-094 (P), NBU Persbericht, zoals ook geciteerd in rov. 3.7 van het eindarrest. Zie ook RF-096 (P), Persbericht NBU (bijlage).
Zie bijv. CvR § 594, RF pleitnotitie § 120 en 156(a), onder verwijzing naar het rapport van EY en de afboekingen in de jaarrekeningen naar aanleiding daarvan (RF-219).
RF-234 (P), Expert Report of [betrokkene 6] d.d. 23 maart 2021, par. 1.41 e.v.
RF-228 (P), Overzicht frauduleuze ‘Indexed Loans’ c.q. Head Office Loans.
Repliek, § 594.
De overige drie indicatoren betreffen (i) soort lening, (ii) aantal werknemers bij de leningnemer en (iii) doel van de lening.
Productie RF-140 (P) Lewis-rapport en RF-219 (P) EY-rapport.
Zie bijv. CvR § 592 over haar stellingen in andere procedures.
RF Akte 28 oktober 2021 p. 4, onder verwijzing naar RF-234 (P), Expert Report of [betrokkene 6] d.d. 23 maart 2021, p. 9 Summary: ‘The Head Office Loans can be deemed null and void under the laws of Ukraine’ .
Zie bijv. RF Akte 28 oktober 2021 en de daarbij in het geding gebrachte producties.
Zie RF Pleitnotities, h. 11.3 (Stap 2 : PrivatBank sluit ‘zakelijke leningen’ om geld weg te sluizen).
RF Pleitnota, h. 12.
Zie bijv. Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 5. ‘Wat hier in de pleitnota met een ‘Krimse ‘Zakelijke’ Lening’ wordt bedoeld is een lening waarvoor schadevergoeding in deze zaak is gevorderd. In de meeste gevallen was dat een lening die was gesloten en ondertekend door mensen die op het hoofdkantoor werkten, maar er zijn vaak wel aanknopingspunten met de Krim, bijvoorbeeld dat op enig moment zekerheiden zijn verstrekt op de Krim of dat de leningnemer (deels) is gevestigd op de Krim.’ Zie in dit verband ook RF-230 (P), Russian Federation's Submission on the Illegality Objection and Response on Quantum, 23 maart 2021, § 51: ‘First, such HO Loans only have a tenuous connection to Crimea by reason of the location of the collateral purportedly put in place to secure them.’ En § 301: ‘Although PrivatBank today claims that all 64 HO Loans were secured by mortgages over property located in Crimea, this was not the case prior to March 2014 for all but 6 of the HO Loans.’
RF Pleitnotities in PrivatBank, § 121. Zie ook RF-230 (P), Russian Federation's Submission on the Illegality Objection and Response on Quantum, 23 maart 2021, hoofdstuk 7. Zie ook RF-243 (P), Russian Federation's Rejoinder on Illegality and on Quantum, 16 december 2021, hoofdstuk 5.1.3.
RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 120, 123. Zie ook RF-219 (P), Stukken PrivatBank Arbitration (Redfern), EY Rapport (vertaling), pp. 123–124. Zie in dit verband bijvoorbeeld ook RF-137a (P), High Court of Justice, PrivatBank v. [betrokkene 7] & Ors, Particulars of Claim, no. BL-2017-000665, 4 januari 2018, pp. 9–11.
RF Pleitnotities in PrivatBank, § 122. Zie ook RF-243 (P), Russian Federation's Rejoinder on Illegality and on Quantum, 16 december 2021, §§ 150, 346.
Repliek, § 594.
Repliek, § 595, Productie RF-230.
Zie o.m. process-verbaal zitting d.d. 12 januari 2021, pp. 5–6: ‘80% van de initiële vordering is ingetrokken. Van de 1 miljard is nog geen 200 miljoen over. 60% van die ingetrokken vordering ziet op die zakelijke leningen. PrivatBank brengt twee verklaringen naar voren, waarom díe vermindering níet op bedrog zou wijzen. Het zou voor 600 miljoen te veel werk zijn om uit te zoeken of het niet rechtmatig was. Het is volstrekt ongeloofwaardig om een claim in te stellen en dan 600 miljoen te laten zitten omdat het te lastig is om de vordering uit te rekenen.’
Zie RF Pleitnotities in PrivatBank, § 137 onder verwijzing naar RF-243 (P), Russian Federation's Rejoinder on Illegality and on Quantum, 16 december 2021, hoofdstuk 6.3.
PrivatBank H Dagvaarding, § 59–64, 101; PrivatBank V Dagvaarding, §§ 475–480; PrivatBank Repliek, §§ 601–603, 659(v), 664(iv); RF Pleitnotities in PrivatBank, § 137.
Perspektiva-1, een vennootschap van een vriend van [betrokkene 7] c.s.
Zie PrivatBank V Dagvaarding §§ 479 en 480; PrivatBank H Dagvaarding § 63 RFL-104 (P), Gerechtshof Dnjepropetrovsk, Case No. 11-1235/11, Appellate Award, 22 augustus 2011, pp. 7–8; Verschillende mediaberichten waarin melding wordt gemaakt van fraude bij de verkoop van het Tavria-resort: RF-48 (PH), ‘Crimea of ‘fat cats-4’’, ORD, 20 augustus 2008; ‘Privat’ opression’, DS news, 15 januari 2007; M. Zelensky, ‘PrivatGroup: Themis ‘on call'’, Criminal Ukraine, 29 november 2006; ‘Foros resort ‘Tavria’ is illegally sold to Privatbank’, Comments ua, 11 oktober 2005; S. Rechinsky, ‘Glamor for free or why Levochkin does not pay 3 million UAH to Bogolubov for its vacation?’, ORD, 21 september 2010; ‘Dnipropetrovsk revolution: Regional Council was beheaded’, Obozrevatel UA, 2 juni 2006; N. Shevchenko, ‘The outlaw [betrokkene 12]: ‘Who will put me in jail? I am a statue!’ [betrokkene 12] is the head of the armed organized criminal group in sheep's clothing of the Chairman Forossky settlement Council’, Nadezda Shevchenko's Blog, 1 november 2013; ‘[betrokkene 12]'s patrimony’, Crimea News, 29 april 2014 en B. Bronstein, I. Murtazin en V. Shiryaev, ‘Tatar traces of Foros’, Kompromat 1, 5 februari 2016.
RFL-104 (P), Gerechtshof Dnjepropetrvosk, Case No. 11-1235/11, Appelate Award, 22 augustus 2011.
PrivatBank V Dagvaarding, § 480. [betrokkene 7] en [betrokkene 13] zijn ook veelvuldig onderwerp geweest van strafrechtelijk onderzoek.
Dagvaarding V PrivatBank, §§ 474–480.
Zie PrivatBank V Dagvaarding, §§ 478–480; PrivatBank Repliek, § 8.4.2; RF Pleitnotities in PrivatBank, § 137.
RF-134a (P), Strafrechtelijke beslag op PrivatBank's gebouw-D van het Tavria resort, 11 juli 2005.
RF-84 (P), verschillende mediaberichten waarin melding wordt gemaakt van fraude bij de verkoop van het Tavria-resort; RFL-104 (P), Gerechtshof Dnjepropetrovsk, Case No. 11-1235/11, Appellate Award, 22 augustus 2011; RF-223 (P), Kirovsk District Court of Dnjepropetrovsk, Case No. 1-474/111/0418/56/2012, 14 maart 2012; RF-133(a) (P), Kirovsk Ditsrict Court of Dnjepropetrovsk, Case 1-7/11, Judgment, 20 februari 2011; RF-133(b) (P), Toestemming van PrivatBank, als hypotheekhouder van gebouw-D van het Tavria resort, om een uittreksel uit het vastgoedregister te ontvangen, 23 juni 2004; RF-140(P), First Affidavit van lan Lewis, 15 december 2017; RF-230 (P), Russian Federation's Submission on the Illegality Objection and Response on Quantum, 23 maart 2021; RF-234 (P), Expert report of [betrokkene 6], 23 maart 2021, RF-243 (P), Russian Federation's Rejoinder on Ilegality and on Quantum, 16 december 2021, pp. 1-104; RF-245 (P), Tweede expert rapport van [betrokkene 6], 16 december 2021.
RF-84 (P), Verschillende mediaberichten waarin melding wordt gemaakt van fraude bij de verkoop van het Tavria-resort: ‘Crimea of ‘fat cats-4’’, ORD, 20 augustus 2008; ‘Privat’ opression’, DS news, 15 januari 2007; M. Zelensky, ‘PrivatGroup: Themis ‘on call’’, Criminal Ukraine, 29 november 2006; ‘Foros resort ‘Tavria’ is illegally sold to Privatbank’, Comments ua, 11 oktober 2005; S. Rechinsky, ‘Glamor for free or why Levochkin does not pay 3 million UAH to Bogolubov for its vacation?’, ORD, 21 september 2010; ‘Dnipropetrovsk revolution: Regional Council was beheaded’, Obozrevatel UA, 2 juni 2006; N. Shevchenko, ‘The outlaw [betrokkene 12]: ‘Who will put me in jail? I am a statue!’ [betrokkene 12] is the head of the armed organized criminal group in sheep's clothing of the Chairman Forossky settlement Council’, Nadezda Shevchenko's Blog, 1 november 2013; ‘[betrokkene 12]'s patrimony’, Crimea News, 29 april 2014 en B. Bronstein, I. Murtazin en V. Shiryaev, ‘Tatar traces of Foros’, Kompromat 1, 5 februari 2016.
PrivatBank H Dagvaarding, §§ 78–79, 81–82; PrivatBank V Dagvaarding, §§ 494–495, 497–499; RF Pleitnotities in PrivatBank 843 a Rv incident, § 1.9; Akte RF verzoek tot heroverweging eindbeslissingen, § 2.6, Annex B; PrivatBank Repliek, §§ 585, 606–607, 631; RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 104, 112, 138–141.
RF-234 (P), Expert report of [betrokkene 6], 23 maart 2021, RF-244 (P), Expert rapport van [betrokkene 14], 16 december 2021 en RF-245 (P), Tweede expert rapport van [betrokkene 6], 16 december 2021. Zie ook RF-96 (P), Persbericht NBU (bijlage), ‘Fraud identified in PJSC CB ‘PRIVATBANK’ for the period before nationalization’, 16 januari 2018; RF-97 (P), J. Kovensky, ‘PrivatBank spawns lawsuits, shady power company deal’, Kyiv Post, 24 november 2017: ‘[the] hole left in the bank's capital by its former owners, Igor [betrokkene 7] and [betrokkene 8].’; RF-26 (P), J. Kovensky, ‘PrivatBank: London court freezes assets of [betrokkene 7], [betrokkene 8]’, Kyiv Post, 21 december 2017; RF-26 (P), J. Kovensky, ‘PrivatBank: London court freezes assets of [betrokkene 7], [betrokkene 8]’, Kyiv Post, 21 december 2017; RF-13 (P), P. Schweizer, Secret Empires. How the American Political Class Hides Corruption and Enriches Family and Friends, New York: HarperCollins Publishers 2018; RF-90 (P), Croft Report; RF-94 (P), Persbericht NBU, ‘Kroll confirms: before nationalisation PrivatBank was subjected to a large scale and coordinated fraud, which resulted in a loss of at least USD 5.5 billion’, 16 januari 2018; RF-100 (P), G. Stack, ‘Privat investigations: PrivatBank lending practices threaten Ukraine's financial stability’, bne IntelliNews, 19 december 2016; RF-137b (P), Statement of Claim, Tel Aviv District Court, 18 december 2019; RF-135 (P), PrivatBank v. [betrokkene 7] et al, PrivatBank's Verified amended complaint, Case No. 2019-0377-JRS, 18 december 2019; RF-230 (P), Russian Federation's Submission on the Ilegality Objection and Response on Quantum, 23 maart 2001; RF-243 (P), Russian Federation's Rejoinder on Illegality and on Quantum, 16 december 2021.
CvR § 584 en 604, RF Pleitnota, § 10.3, Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 4. ‘Voor de consumentenleningen zijn geen overeenkomsten in het geding gebracht en ook zijn die leningen niet voorzien van specificatie. De lening nummers worden niet eens genoemd.’
Arrest, rov. 5.10.15, slotzin, die stelling is niet betwist.
Zie PrivatBank V Dagvaarding, §§ 494, 499; PrivatBank Repliek, §§ 585, 606; RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 112, 138–141.
Het hof haalt een deel van het persbericht aan in rov. 3.7. Daar wordt de ogenschijnlijk ‘gewone bank’ beschreven als een ‘facade’ en als de eerste stap van de fraude.
Arrest, rov. 5.10.16, het hof oordeelt dat de stelling dat de bank als een stofzuiger geld aantrok niet is betwist.
Brief RF aan het hof d.d. 15 maart 2021, verzoek heroverweging eindbeslissingen en uitlating over het verdere procesverloop, p. 12.
Zie RF-137b (P), Statement of Claim, Tel Aviv District Court, 18 december 2019, p. 3; RF-135 (P), PrivatBank v. [betrokkene 7] et al, PrivatBank's Verified amended complaint, Case No. 2019-0377-JRS, 18 december 2019, § 58.
Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 9 ‘Stel [ik heb] een spaarrekening bij een Nederlandse bank. Ik verwacht van die Nederlandse bank dat die mij diensten levert, zoals het verschaffen van pasjes. Het saldo op de spaarrekening is €20.000 en ik heb €500 aan creditcarduitgaven gedaan. De bank en ik hebben wederzijdse vorderingen op elkaar. Dat speelde ook op de Krim. PrivatBank vertelt een verhaal over auto's in het kader van consumentenleningen, maar er waren bijna geen autoleningen. Van de leningen die resteerden van het bedrag in de arbitrage (190 miljoen) is 130 miljoen creditcardleningen. Als (…) je zoveel mogelijk geld wil verduisteren, dan moet je mensen ook een creditcard kunnen geven. Die creditcardleningen zijn een noodzakelijke voorwaarde voor het uit de markt halen van het geld. PrivatBank betwist in eerste termijn niet: een enorme groei van 800%, dat expres hoge rentes zijn aangeboden om dat bedrag binnen te krijgen en dat zij wist dat zij nooit al die tegoeden zou terugbetalen.’
Zie RF-244 (P), Expert rapport van [betrokkene 14], 16 december 2021.
Zie Pleitnotities RF in PrivatBank § 138–141; RF-243 (P), Russian Federation's Rejoinder on Illegality and on Quantum, 16 december 2021, § 6.2.1.
Zie RF-244 (P), Expert rapport van [betrokkene 14], 16 december 2021 en RF-245 (P), Tweede expert rapport van [betrokkene 6], 16 december 2021.
Het hof stelt zelf in rov. 3.4 vast dat de registratie van de oprichting in de State Register of Banks maakte dat het PrivatBank ‘toegestaan [was] om bankactiviteiten te ontplooien in Oekraïne’.
Zie proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 5: ‘(…) Wat hier in de pleitnota met een ‘Krimse ‘Zakelijke’ Lening’ wordt bedoeld is een lening waarvoor schadevergoeding in deze zaak is gevorderd. In de meeste gevallen was dat een lening die was gesloten en ondertekend door mensen die op het hoofidkantoor werkten, maar er zijn vaak wel aanknopingspunten met de Krim, bijvoorbeeld dat op enig moment zekerheiden zijn verstrekt op de Krim of dat de leningnemer (deels) is gevestigd op de Krim.’
Zoals het hof ook heeft vastgesteld in rov. 3.4. De Russische Federatie heeft uitvoerig toegelicht dat tot 2009 geen sprake was van noemenswaardige investeringen op de Krim. RF Pleitnotities in PrivatBank, §§ 113–114. Uit Appendix 10 bij PrivatBank's Ellison Report (fase 2) blijkt dat de activa tussen 2009 en 2014 in vijf jaar tijd met meer dan factor 6,5 stegen (van UAH 992.941.000 naar UAH 6.540.126.000).
RF-229 (P), PrivatBank's Submission on Quantum, 26 juni 2020, § 330, waar PrivatBank' ‘Nil’ vordert voor haar banklicentie.
Zie RF-231. Het hof had — als het dit overzicht zou hebben geraadpleegd — vele Oekraiense leningnemers direct herkend. Het betreft eisers in de parallele zaak Everest c.s.
RF-94 (P), Persbericht NBU ‘Kroll confirms: before nationalisation PrivatBank was subjected to a large scale and coordinated fraud, which resulted in a loss of at least USD 5.5 billion’, 16 januari 2018. Zie ook RF-96 (P), Persbericht NBU (bijlage), ‘Fraud identified in PJSC CB ‘PRIVATBANK’ for the period before nationalization’, 16 januari 2018.
Zie RF-094 (P), NBU Persbericht, zoals ook geciteerd in rov. 3.7 van het eindarrest. Zie ook RF-096 (P), Persbericht NBU (bijlage), p. 6.
PrivatBank V Dagvaarding, § 499; Repliek, § 585, RF Pleitnotities in PrivatBank, § 109.
RF-096 (P), Persbericht NBU (bijlage), p. 4. Zie ook rov. 5.10.15: ‘PrivatBank fungeerde als ‘stofzuiger’ van consumententegoeden ten behoeve van deze bestuurders’ .
Dit is onder andere aangehaald in RF Pleitnota § 85.
PB-59,Claimant's Post-Hearing Brief on the Merits, §§ 45–46, 78. ‘ (…) 46. PrivatBank's investment should be considered in its entirety against the T reaty's definition of ‘investment,’ rather than fragmented into its constituent parts. (…)’
Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 8.
Zie CvR § 620 e.v. en RF Pleitnota § 93, met verwijzingen naar relevante uitspraken. Zie in dit verband ook RF Pleitnotities in PrivatBank, § 97, waar uit het Gedeeltelijk Eindvonnis is geciteerd: ‘259. The Claimants argue that, for purposes of evaluating their expropriation claim, the Tribunal ‘should consider their investment in its entirety’ rather than parsing it into its constituent parts. The Tribunal agrees that this approach, which is supported by investment treaty jurisprudence, is appropriate in the present case, as all of the components of the business go to its value as a going concern and PrivatBank's loss as a result of breaches of the Treaty.’ PrivatBank verwees in de Arbitrage ter onderbouwing van ditzelfde standpunt naar tenminste zeven arbitrale uitspraken. Zie in dit verband RF Pleitnotities in PrivatBank, § 96.
RF Pleitnotities in PrivatBank, § 94 onder verwijzing naar C. Schreuer, ‘The Unity of an Investment’ ICSID Reports Vol. 19, Cambridge University Press 2021, pp. 3–24, beschikbaar via https://www.cambridge.org. ‘An illegality that tainted one aspect of the investment's formation had the consequence of withdrawing protection from the entire investment. This included the negation of jurisdiction over the investment.’
CvR § 631 en 632. Brief RF aan het hof d.d. 15 maart 2021, verzoek heroverweging eindbeslissingen en uitlating over het verdere procesverloop, § 2.2.
Everest tussenarrest 28 januari 2020.
Privatbank H Dagvaarding hoofstuk 2.1–2.3 en Privatbank H dagvaarding 2.3–2.5 en 5.2–5.4, Repliek 585– 590, hoofdstuk 8.3 en 8.4
Repliek 585 e.v.
Zie Conclusie A-G Wesseling-van Gent bij Hoge Raad 28 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2020:1204.
Artikel 1068 Rv. Zie ook Repliek, § 704.
Zie conclusie A-G Wesseling-van Gent 18 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1204: ‘2.25 Zoals hiervoor onder 2.10–2.12 is uiteengezet, geldt voor de herroepingsgrond van art. 1068 lid 1 onder c Rv het criterium dat de partij die de herroeping vordert, na de arbitrale uitspraak stukken in handen heeft gekregen die op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zouden zijn geweest en door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden. ‘In handen gekregen’ betekent dat de betrokken partij ook daadwerkelijk over de desbetreffende stukken moet kunnen beschikken. Bekendheid van het ziekenhuis met de herroepingsgronden is dus niet relevant bij deze herroepingsgrond (zie in dit verband ook art. 1068 lid 2 Rv dat bepaalt dat de vordering tot herroeping binnen drie maanden nadat een partij de nieuwe bescheiden in handen heeft gekregen, moet zijn aangebracht). (…) 2.36 De door [eiser] gestelde omstandigheden: betrokkenheid van het ziekenhuis bij het FIOD-onderzoek, de artikelen in de media over de vervolging van [eiser] en de voeging als benadeelde partij in het strafproces doen daaraan niet af. Bekendheid met de strafrechtelijke verdenking, opsporing en vervolging brengen niet mee dat het ziekenhuis bescheiden in handen heeft gekregen.’
HR 29 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6207, r.o. 5.7 (Waterschappen/Milieutech). ‘Van de procespartij die reden heeft om te vermoeden dat door zijn wederpartij bedrog wordt gepleegd mag worden verwacht dat deze binnen redelijke grenzen onderzoek zal doen naar de juistheid van dit vermoeden (…)’ Zie ook de voornoemde conclusie van A-G Wesseling van-Gent: ‘5.8 (…)dat het redelijkerwijs van de bedrogene te verwachten onderzoek, niet aan hoge eisen behoeft te voldoen. (…)’
Repliek, §§ 714–719.
Zie Repliek, § 712.
Zie PrivatBank Repliek § 659(i); RF Pleitnotities in PrivatBank, § 116. De breakdown van de vordering is op instructie van het Scheidsgerecht inmiddels aan de Russische Federatie overgelegd. Dit document is in deze procedure overgelegd door de Russische Federatie als RF-144 (P), USB-stick — Stukken PrivatBank Arbitrage (Redfern), ‘Credit_cm_20140418_11_1’.
Zie PrivatBank Repliek, § 659(iii).
Zie PrivatBank Repliek, § 659(v).
Zie PrivatBank V Dagvaarding, § 533(i); Pleidooi in 843a Rv incident, §§ 2.2en 3.5; Repliek, §§ 659(iii), 715; Proces-verbaal zitting d.d. 12 januari 2022, p. 10.
Zie PrivatBank Repliek, § 715.
W.D.H. Asser, annotatie bij Hof Amsterdam 20 maart 1997, TvA 1999, p. 154. Zie ook H.J Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1068 Rv, aant. 2; H.J. Snijders, Nederlands Arbitragerecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, § 9.7.2. Ook in de rechtspraak wordt uitgegaan van een ‘los’ causaal verband. Zie o.m. Hof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2733, r.o. 16; Hof Den Bosch 19 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:128, r.o. 4.5.2, 4.6.3; Hof Arnhem 8 mei 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW7582, r.o. 3.6, waarin is geoordeeld dat de norm is of de arbiters als zij kennis hadden gehad van de ware stand van zaken en/of van de achtergehouden stukken, ‘tot een andere beslissing zouden hebben kunnen komen.’ Zie ook conclusie A-G Wuisman 4 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:918, nr. 2.4.2; Conclusie A-G Huydecoper, 29 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3516, NJ 2007/353, nr. 74; Hof Arnhem 28 augustus 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX6583, r.o. 4.4, waarin verschillende A-G's en het Hof Arnhem hebben geoordeeld dat relevant is dat een partij heeft belet dat in de procedure feiten aan het licht zijn gekomen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure ‘zouden hebben kunnen leiden.’
Dit document is in deze procedure overgelegd door de Russische Federatie als RF-144 (P), USB-stick — Stukken PrivatBank Arbitrage (Redfern), ‘Credit_cm_20140418_11_1’. Zie o.m. Repliek, §§ 659(i), 709.
RF Pleitnotities in PrivatBank, § 118 en voetnoot 109.
RF Pleitnotities in PrivatBank, § 118.