Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.1.2
8.5.1.2 Het vonnis
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS452866:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, r.o. 3.2.
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, r.o. 3.2. De voorzieningenrechter sloot hiermee en met de volgende weergegeven zinsnede, overigens niet expliciet, aan bij de bewoordingen van het Waterpakt-arrest: HR 21 maart 2003, NJ 2003, 691.
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, r.o. 3.2.
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, r.o. 3.2. De voorzieningenrechter verwees hierbij naar het Tegelen-arrest: HR 19 november 1999, NJ 2000, 160.
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, r.o. 3.4.
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, r.o. 3.4. en 3.5. De voorzieningenrechter maakte aan dit oordeel weinig woorden vuil. Hij overwoog in het kader van het kiesrecht slechts dat van schending van de ingeroepen grondbeginselen geen sprake is. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel overwoog de voorzieningenrechter dat de verdragsbepalingen waarop Wilders een beroep deed, onverlet laten dat aan intergouvernementele organisaties en de personen die daar werkzaam zijn immuniteit kan worden verleend die noodzakelijk is voor de vervulling van hun functies. Het ESM-verdrag is op dat punt dus niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel uit het IVBPR en de UVRM. Overigens hebben Broeksteeg en Schutgens in hun annotaties bij deze zaak op die toetsing door de voorzieningenrechter terecht het nodige aan te merken. Zo stelt Broeksteeg dat de UVRM geen een ieder verbindende verdragsbepalingen bevat en bovendien geen bindend besluit is van een volkenrechtelijke organisatie (Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, JB 2012/174 m.nt. Broeksteeg, punt 6). Ook zijn het ESM en het IVBPR twee verdragen die hiërarchisch van gelijke rang zijn. Hoewel dat gevolgen heeft voor de toetsing van beide verdragen aan elkaar, komt dit punt in het vonnis van de voorzieningenrechter niet tot uitdrukking (Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, JB 2012/174 m.nt. Broeksteeg, punt 6, AA 2012, p. 635-640 m.nt. Schutgens, par. 5.1).
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, r.o. 3.6.
De uitkomst van deze zaak was weinig verrassend: de voorzieningenrechter verwierp alle bezwaren van Wilders. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vorderingen van Wilders, gericht op het aanhouden van de wetsvoorstellen, in essentie neerkomen op een ingrijpen in het wetgevingsproces.1 Omdat het vaststellen van wetten in formele zin volgens artikel 81 Gw is opgedragen aan de regering en Staten-Generaal gezamenlijk, moet de vraag of, wanneer en in welke vorm een wet tot stand zal komen, worden beantwoord op grond van politieke besluitvorming en afweging van de daarbij betrokken belangen, aldus de voorzieningenrechter.2 Ook overwoog hij dat de op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden van de verschillende staatsorganen meebrengt dat de rechter niet mag ingrijpen in deze procedure van politieke besluitvorming.3 Evenmin kan een rechter in de loop van een procedure die tot een wet in formele zin leidt, ingrijpen omdat procedurevoorschriften niet in acht zouden zijn genomen.4 Het is bovendien aan de Tweede Kamer om wetsvoorstellen, op het moment dat een kabinet demissionair wordt, controversieel te verklaren, zo overwoog de voorzieningenrechter.5 Hij liet het grootste deel van de bezwaren van Wilders daarom voor wat zij zijn.
Wel toetste de voorzieningenrechter of er sprake was van strijd met het Unierecht of met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Dit zou, in het laatste geval op grond van artikel 94 Gw, immers leiden tot het buiten toepassing laten van (onderdelen van) de wet in formele zin.
Volgens de voorzieningenrechter was van strijd met de UVRM en het IVBPR, zowel op het punt van het kiesrecht als met betrekking tot het ingeroepen gelijkheidsbeginsel, geen sprake.6 Ook de gestelde onverenigbaarheid van het ESM-verdrag met de no bail out-clausule van artikel 125 VWEU overtuigde de rechter niet.7 Hoewel zowel de vraag of het ESM-verdrag in overeenstemming is met de no bail out-clausule van artikel 125 VWEU, als de bevoegdheid van de nationale rechter om tot de conclusie te komen dat dit niet het geval is, ingewikkelde materie is, die hierna nader aan de orde komt, voerde de voorzieningenrechter voor dit oordeel slechts een beperkte toets uit. Gelet op het feit dat het ging om een kort geding, hoefde hij enkel vast te stellen of de wet onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het Unierecht. In dit kader verwees de voorzieningenrechter naar de memorie van toelichting bij het ESM-verdrag en naar de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel over de wijziging van artikel 136 VWEU. Hierin is opgenomen dat artikel 125 VWEU niet wordt geschonden. De voorzieningenrechter overwoog vervolgens dat hieruit kan worden afgeleid dat naar voorlopig oordeel geen sprake is van een wet in formele zin die onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het Unierecht. De voorzieningenrechter wees de vorderingen van Wilders dan ook af.