Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/12.5
12.5 Wanneer staat de Rente- en royaltyrichtlijn in de weg aan de heffing van dividendbelasting over de rente op hybride leningen?
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297115:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie punt 4 van de preambule van de Rente- en royaltyrichtlijn. Overigens beoogt de Rente- en royaltyrichtlijn ook een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale uitkeringen van royalty’s. Omdat royalty’s voor dit onderzoek niet van belang zijn, worden zij verder buiten beschouwing gelaten.
Vooralsnog schaft de richtlijn deze belasting slechts af voor uitkeringen van interest tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten en tussen vaste inrichtingen van deze ondernemingen. Uiterlijk in 2006 zou worden bezien of de werkingssfeer van de richtlijn moet worden uitgebreid. Zie punt 9 van de preambule en art. 8 van de Rente- en royalty-richtlijn.
Op 30 december 2003 heeft de Commissie een voorstel ingediend tot wijziging van de Rente- en royaltyrichtlijn. Zie COM (2003/841). Daarin wordt onder meer voorgesteld om in art. 1 de aanvullende eis op te nemen dat de uiteindelijke gerechtigde tot de rente effectief moet zijn onderworpen aan een belasting over de rente.
Zie de toelichting op art. 2 van de ontwerp Rente- en royaltyrichtlijn.
De Rente- en royaltyrichtlijn is alleen van toepassing als de crediteur en de debiteur verbonden ondernemingen zijn. Een onderneming is volgens art. 3, onderdeel b, van de Rente- en royaltyrichtlijn verbonden met een tweede onderneming wanneer de eerste onderneming rechtstreeks een deelneming van ten minste 25% in het kapitaal van de andere onderneming heeft of vice versa dan wel wanneer een derde onderneming rechtstreeks een deelneming van ten minste 25% in het kapitaal van beide andere ondernemingen heeft.
De Rente- en royaltyrichtlijn beoogt een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale uitkeringen van interest.1 De richtlijn wil dit doel bereiken door de belasting op uitkeringen van interest in de lidstaat waar zij ontstaan af te schaffen (de lidstaat waar de interest ontstaat, wordt hierna aangeduid als ‘de bronstaat’).2, 3
De Rente- en royaltyrichtlijn verschilt in een aantal opzichten van art. 11 OESO-modelverdrag. Zo voorziet de Rente- en royaltyrichtlijn in de afschaffing van de belasting op uitkeringen van interest door de bronstaat terwijl in art. 11 OESO-modelverdrag is bepaald dat deze belasting een nader overeen te komen percentage niet mag overschrijden. Daarnaast is de werkingssfeer van de richtlijn beperkt tot uitkeringen van interest tussen verbonden ondernemingen. Er zijn ook overeenkomsten. De definitie van de term ‘interest’ is bijvoorbeeld gebaseerd op art. 11, lid 3, OESO-modelverdrag.4
Een verschil met de Moeder-dochterrichtlijn is dat de Rente- en royaltyrichtlijn alleen betrekking heeft op de afschaffing van de belasting van de bronstaat. De Rente- en royaltyrichtlijn bevat namelijk geen bepalingen die de belastingheffing van de lidstaat van de uiteindelijke gerechtigde van de interest raken. Verder is het opmerkelijk dat op grond van de Moeder-dochterrichtlijn voor de hoedanigheid van moedermaatschappij een deelname in het kapitaal van ten minste 15% volstaat terwijl voor de toepassing van de Rente- en royaltyrichtlijn een deelname van ten minste 25% van het kapitaal nodig is om als verbonden vennootschap te gelden.5
Wil de Rente- en royaltyrichtlijn in de weg staan aan de heffing van dividendbelasting over de rente op hybride leningen dan is nodig dat zij als interest in de zin van de richtlijn is te beschouwen. Wanneer dat het geval is, is behandeld in paragraaf 11.6.2.5.