Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/10.2
10.2 Eigenlijk en oneigenlijk herstel van een fout
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS412006:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Ik spreek over ‘navordering’ en ‘betaling van gewetensgeld’; de belastingplichtige kan echter, ingeval navordering niet (meer) mogelijk is, met de inspecteur overeenkomen dat hem desondanks een navorderingsaanslag wordt opgelegd en dat hij afziet van de mogelijkheid van bezwaar en beroep.
Een onjuiste waardering van een bedrijfsmiddel als gevolg van een te hoge afschrijving wordt bijvoorbeeld automatisch hersteld op het moment dat het bedrijfsmiddel het ondernemingsvermogen verlaat.
Sommige fouten kunnen worden hersteld door toepassing van de correctieregel; in andere gevallen wordt de terugkeerregel toegepast.
In beginsel wordt als vertrekpunt genomen de onjuiste eindbalans van het laatstvastgestelde jaar; vanaf dat jaar wordt teruggewerkt naar het jaar, waarin de fout is begaan.
Navordering wordt door mij aangemerkt als methode van eigenlijk herstel.
Jacobs noemt technische, administratieve en bewijsrechtelijke problemen. Zie ook: Drent (NV, blz. 126) en de door Smeets (blz. 37) geconstateerde complicaties bij de betaling van gewetensgeld.
In het geval van de onjuiste etikettering van een vermogensbestanddeel wordt bij het foutenherstel op basis van de foutenleer zelfs een ander bedrag dan het bedrag van de oorspronkelijke fout tot de winst gerekend (zie hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.3.1).
In hoofdstuk 2 is geconstateerd dat in het nadeel van de belastingadministratie begane onjuistheden bij de winstberekening voor boekjaren, waarvoor een definitieve aanslag onherroepelijk vaststaat, kunnen worden gecorrigeerd door middel van navordering, indien sprake is van een nieuw feit en de navorderingstermijn niet is verstreken, of door de betaling van gewetensgeld, ingeval de belastingplichtige daartoe bereid is1. Is sprake van in het nadeel van de belastingplichtige begane onjuistheden, dan kan herstel plaatsvinden door ambtshalve vermindering van de onjuiste aanslag(en). Onder omstandigheden kunnen onjuistheden ook automatisch2 of door toepassing van de foutenleer3 worden hersteld.
Jacobs (blz. 35) maakt een onderscheid tussen eigenlijk en oneigenlijk herstel van een fout. Het eigenlijk herstel van een fout dient plaats te vinden door herrekening van de winsten van de jaren, waarin de fout doorwerkt. Deze wijze van herstel – door het ‘terugploegen’4 van een fout – kan naar zijn mening alleen geschieden, indien en voorzover de inspecteur bereid is ambtshalve vermindering te verlenen en/of de belastingplichtige bereid is gewetensgeld te betalen. Dat navordering door Jacobs niet wordt genoemd als methode van eigenlijk herstel, terwijl fouten daarmee in wezen op dezelfde wijze worden hersteld als bij de betaling van gewetensgeld, is terug te voeren op de door hem gehanteerde definitie van een fout: een rechtens onjuiste waardering in een (fiscale) winstbepalende balans welke niet meer kan worden gecorrigeerd door middel van een aanslag, bezwaar, beroep of navordering5.
Bij eigenlijk herstel worden de fouten hersteld in de jaren, waarin die fouten zijn gemaakt. Het foutenherstel ondervindt daardoor – anders dan bij de toepassing van de foutenleer, waarbij de fouten over een reeks van jaren in één jaar (het oudste nog openstaande) worden hersteld – geen invloed van een progressie in de tariefstructuur en van tariefwijzigingen die zich in de loop der jaren hebben voorgedaan. Bovendien wordt recht gedaan aan zowel het beginsel der balanscontinuïteit als aan het jaar-winstbeginsel.
Jacobs (blz. 46) merkt op dat het ‘terugploegen’ van een fout een moeizaam karwei is – herberekeningen over tientallen jaren kunnen voorkomen – en dat eigenlijk herstel dan ook dikwijls onuitvoerbaar of zeer tijdrovend is6. Naast het bezwaar van de onuitvoerbaarheid van het eigenlijk herstel van een fout, geldt zijns inziens als bezwaar dat men afhankelijk is van de bereidheid van partijen voor het betalen van gewetensgeld of het ambtshalve verminderen van de aanslag(en); eigenlijk herstel kan derhalve niet rechtens worden afgedwongen.
Door Jacobs (blz. 47) worden twee grenzen gesteld aan het eigenlijk herstel van een fout. Eigenlijk herstel van een fout mag naar zijn mening niet plaatsvinden:
indien het beginsel der balanscontinuïteit zou worden geschonden, dat wil zeggen indien er een toestand zou ontstaan waarbij zonder de mogelijkheid van redres een deel van de winst hetzij dubbel wordt belast, hetzij onbelast blijft;
indien het vertrouwensbeginsel daarmee wordt geschonden. Jacobs plaatst deze voorwaarde in de context van de jurisprudentie met betrekking tot de onjuiste waarderingsstelsels, waarbij onder omstandigheden het foutenherstel in de toekomst, bij het ophouden uit de onderneming in Nederland belastbare winst te genieten, dient plaats te vinden (zie de in hoofdstuk 7 besproken arresten HR 23 februari 1955, BNB 1955/158 en HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335).
Weigert de belastingplichtige betaling van gewetensgeld of weigert de inspecteur ambtshalve vermindering te verlenen, dan blijft eigenlijk herstel achterwege en komt volgens Jacobs (blz. 47) oneigenlijk herstel in aanmerking om de fouten te herstellen. Als methoden van oneigenlijk herstel noemt hij:
het in aanmerking nemen van de waardesprong in het oudste nog openstaande jaar;
het in aanmerking nemen van de waardesprong in het jaar, waarin het onjuist gewaardeerde vermogensbestanddeel het ondernemingsvermogen verlaat;
het in aanmerking nemen van de waardesprong in het jaar van staking van de onderneming.
Het oneigenlijk herstel van fouten op de hiervóór genoemde wijzen leidt niet tot een schending van het totaalwinstbeginsel. Aangezien de fouten niet worden hersteld in de jaren, waarin zij zijn opgetreden, vindt echter wel een schending van het jaar-winstbeginsel plaats, zowel in de jaren waarin de fouten zijn gemaakt als in het hersteljaar. Progressie in de tariefstructuur en in de loop der jaren opgetreden wijzigingen van het belastingtarief kunnen ertoe leiden dat bij oneigenlijk herstel meer of minder belasting wordt geheven dan bij een juiste wetstoepassing het geval zou zijn geweest7.