Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.2.3
5.3.2.3 Eisen aan de mededeling
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471952:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395. Zie uitgebreid: Rongen 2012/465.
Zie art. 3:37 lid 3 BW. Vgl. HR 14 juni 2013, NJ 2013/391, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Centavos/Nieuwenhuis).
HR 19 september 1997, JOR 1997/133, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Verhagen q.q./ INB II) en HR 27 november 2009, JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (World Online).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395 en HR 27 november 2009, JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (World Online).
Vgl. NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 398. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/ 260, en Rongen 2012/450 en 455.
Vgl. Rongen 2012/450; en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/261.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 393, onder verwijzing naar HR 14 januari 1927, NJ 1927/409, m.nt. P. Scholten (Lion/Thunnissen).
HR 27 november 2009, JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (World Online). Vgl. art. 6:145 BW.
HR 19 september 1997, JOR 1997/133, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Verhagen q.q./INB II).
In die zin bijv. Rongen 2012/451. Rongen beschouwt deze ondubbelzinnigheid als een minimumvereiste dat aan de mededeling wordt gesteld en baseert deze eis op de tekst van de wet en de publiciteitsfunctie van de mededeling.
Vgl. HR 27 november 2009, JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (World Online); en Rongen 2012/452.
Zie nr. 140.
In deze zin Rongen 2012/462. Rongen acht het echter verdedigbaar dat aan het arrest geen betekenis toekomt voor het huidige recht.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 398.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 398. Zie hierover ook Rongen 2012/471.
198. Aan de vorm en de inhoud van de mededeling worden, evenals aan de akte, geen hoge eisen gesteld. Op grond van art. 3:37 lid 1 BW kan de mededeling vormvrij geschieden en kan zij in een of meer gedragingen besloten liggen.1 De mededeling verkrijgt als uitgangspunt haar werking zodra zij de schuldenaar bereikt.2 Of een verklaring een mededeling in de zin van art. 3:94 lid 1 BW oplevert en, zo ja, wat de inhoud is van deze mededeling, is een kwestie van uitleg. Beslissend is daarbij de betekenis die de schuldenaar in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten of mogen toekennen aan de verklaring.3
Welke eisen worden gesteld aan de inhoud van de mededeling? Uit de tekst van de wet wordt niet geheel duidelijk wat moet worden medegedeeld aan de schuldenaar. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt te volgen dat mededeling wordt gedaan van de cessieakte.4 De mededeling behoeft niet nauwkeurig de inhoud van de akte weer te geven.5 Met dit laatste houdt ook verband dat er geen dwingende temporele volgorde bestaat tussen de akte en de mededeling, waardoor de mededeling aan de schuldenaar al kan worden gedaan voordat de akte bestaat.6 Men kan dus volstaan met een mededeling van het gegeven dat de vordering – krachtens een daartoe bestemde akte – wordt geleverd.7 De schuldenaar kan echter – naar aanleiding van de mededeling – verlangen dat hem een gewaarmerkt uittreksel van de akte en de titel ter hand wordt gesteld (art. 3:94 lid 4 BW). Aan de hand daarvan kan de schuldenaar de geldigheid van de cessie beoordelen.8
Uit dit stelsel, dat ligt besloten in art. 3:94 leden 1 en 4 BW, heeft de Hoge Raad in het World Online-arrest een minimumeis voor de mededeling afgeleid. De mededeling, en in voorkomend geval het uittreksel, moet in ieder geval de in de akte vermelde naam van de cedent bevatten. Hierdoor moet de schuldenaar zonder onevenredige moeite kunnen vaststellen door wie vorderingen op hem zijn overgedragen. De vermelding van de cedent is, volgens de Hoge Raad, niet alleen nodig met het oog op de in het rechtsverkeer vereiste duidelijkheid omtrent de vraag wiens vordering is overgedragen en op welk moment, maar ook ter bescherming van de belangen van de debiteur. De schuldenaar moet tegen de cessionaris in het bijzonder ook verweermiddelen kunnen aanvoeren die hij tegen de cedent had kunnen inroepen.9 De schuldenaar wordt door de mededeling van de cessie voldoende beschermd. Daar waar de schuldenaar – mede naar aanleiding van de mededeling – op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling van een bepaalde vordering moet geschieden, is hij bevoegd de betaling op de voet van art. 6:37 BW op te schorten.10
Strengere eisen voor de mededeling gelden – naar mijn overtuiging – niet. Zo geldt niet de eis dat de mededeling ondubbelzinnig betrekking dient te hebben op een levering van de vordering.11 Evenmin is noodzakelijk dat de mededeling een aanduiding van de cessionaris bevat.12 De vraag kan worden gesteld of de mededeling is onderworpen aan het vereiste van voldoende bepaaldheid (art. 3:84 lid 2 BW). Daarvan is naar mijn mening geen sprake. Het volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de eis van voldoende bepaaldheid zich bij cessie slechts richt op de aanduiding van de vordering in de akte.13 De vordering hoeft aldus niet bepaalbaar te zijn aan de hand van de mededeling. In dit verband moet worden gewezen op HR 21 april 1995, NJ 1995/652 (Eemswater Beheer/Curatoren Capcam Beheer). Uit dit arrest wordt wel afgeleid dat voor een geldige openbare cessie juist is vereist dat de mededeling aan de schuldenaar de te cederen vordering in voldoende mate individualiseert.14 Die gevolgtrekking lijkt mij onjuist. Nog daargelaten dat het arrest betrekking heeft op het recht van vóór 1992, bevat het arrest geen relevante rechtsoverwegingen omtrent de eisen die aan de mededeling worden gesteld. Weliswaar overweegt de Hoge Raad dat – in het kader van een openbare verpanding van een vordering – het “[v]oldoende is dat degene aan wie de kennisgeving moet worden gedaan, in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen welk vermogensbestanddeel pandgever en pandnemer op het oog hebben”, maar deze overweging houdt slechts verband met de uitleg van de akte, althans de titel. In dat kader is, volgens de Hoge Raad, niet alleen van belang hoe de overeenkomst tussen pandgever en pandnemer redelijkerwijs dient te worden uitgelegd wat het beoogde object van verpanding betreft, maar ook hoe de schuldenaar aan wie kennisgeving wordt gedaan, die overeenkomst redelijkerwijs heeft begrepen. Tegen deze achtergrond komt aan het arrest geen betekenis toe voor de eisen die aan de mededeling worden gesteld. Een soepele invulling van het vereiste van mededeling strookt bovendien met de gedachte dat het stelsel van art. 3:94 BW de levering van vorderingen op naam niet meer bemoeilijkt dan nodig is.15 Zo wordt in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk gewezen op het voorbeeld dat een vordering in korte tijd meermaals aan opvolgende verkrijgers wordt gecedeerd. Het stelsel van de wet verzet zich niet ertegen dat deze reeks van cessies kan worden voltooid door in één keer mededeling aan de schuldenaar te doen van deze overdrachten.16